Wet inburgering in vraag en antwoord

Wet inburgering in vraag en antwoord

Gemeenten bereiden zich voor op de nieuwe Wet inburgering. In deze nieuwe wet krijgen gemeenten de regie om nieuwkomers zo snel mogelijk mee te laten doen, het liefst via betaald werk. Samen met de VNG en het ministerie van SZW informeert en ondersteunt Divosa gemeenten om ervoor te zorgen dat zij voorbereid zijn op hun regierol zodat de overgang naar het nieuwe stelsel soepel verloopt.

Actueel

Ga snel naar de Q&A onderwijsroute naar aanleiding van het Bestuurlijk Overleg op 8 november 2021. Met onder meer vragen en antwoorden over de inkoop van de onderwijsroute.

Bij deze voorbereidingen komen allerlei vragen op. Divosa verzamelt deze vragen en geeft daar samen met de VNG en het ministerie van SZW antwoord op. Staat jouw vraag er niet bij? Stuur een mail naar inburgering@divosa.nl.

In deze Q&A vind je een overzicht van de vragen, ingedeeld op thema.

Meer weten?

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

1. Wat staat centraal: het behalen van het inburgeringsdiploma of zelfredzaamheid?

Het uitgangspunt van de nieuwe inburgeringswet is zo snel mogelijk meedoen, bij voorkeur via betaald werk. De wet biedt ruimte voor maatwerk, het is aan gemeenten hoe ze hieraan invulling geven. In het PIP (persoonlijk plan Inburgering en Participatie) legt de gemeente namelijk vast op welke wijze en binnen welke leerroute de inburgeraar aan haar of zijn inburgeraarsplicht moet voldoen. Daarbij staat het leren van de taal gecombineerd met participatie centraal zodat een inburgeraar zelfredzaam wordt.

2. Wordt er over een landelijke monitoring nagedacht, uitgebreider dan alleen aanvang en einde traject?

Het succes van de wet kan worden afgemeten aan de mate waarin de maatschappelijke doelstelling en de beleidsdoelstellingen worden gerealiseerd en de mate waarin het beleid heeft bijdragen aan deze doelen. Het maatschappelijk doel van inburgering is: alle inburgeringsplichtigen doen snel en volwaardig mee in de Nederlandse maatschappij, liefst via betaald werk. Het beleidsdoel is: inburgeringsplichtigen bereiken het voor hen hoogst haalbare taalniveau (liefst niveau B1) en kennis van de Nederlandse maatschappij, in combinatie met gerichte inspanningen op participeren naar vermogen vanaf de start van het inburgeringstraject. Om inzicht te krijgen in de werking van het stelsel zal voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet een monitoring en evaluatieplan opgesteld worden met de ketenpartners. Dat plan moet inzicht bieden in hoe onder andere de doeltreffendheid getoetst zal worden. Daarnaast helpt monitoring en evaluatie om de verdeling over leerroutes en slagingspercentages te volgen voor groepen met verschillende achtergrondkenmerken.

3. Wat is de stand van zaken rond het pilotprogramma?

Het Pilotprogramma VOI is gestart in 2019 en loopt, na verlenging als gevolg van de coronamaatregelen, tot halverwege 2021.

Alle informatie over de pilots en de (tussen)evaluaties vind je in de online publicatie Pilotprogramma Veranderopgave Inburgering op de website van Divosa.

4. Er is sprake van het terugbrengen van de termijn van een tijdelijke verblijfsvergunning naar 3 jaar. Hoe verhoudt dit zich tot de inburgeringstermijn, die in gevallen nog zal lopen terwijl de verblijfsvergunning al verloopt?

De staatssecretaris van JenV heeft een wetsvoorstel in de maak waarin de geldigheidsduur van de asielvergunning wordt verkort van vijf naar drie jaar. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, dan kan het in de praktijk inderdaad gaan voorkomen dat de inburgeringstermijn nog loopt terwijl de geldigheidsduur van de asielvergunning verloopt. Dat betekent dat de inburgeringsplichtige in dat geval een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning moet indienen. Met het ministerie van JenV is afgesproken om, samen met de partijen die bij de implementatie van de nieuwe Wet inburgering en het wetsvoorstel van de staatssecretaris van JenV zijn betrokken, zal worden bezien in hoeverre het mogelijk is om het verlengingsproces (bij de IND) zo goed mogelijk te laten aansluiten op het inburgeringstraject, om nadelige effecten voor de inburgeringsplichtige te voorkomen.

5. Voor vroeg starten van inburgering is het belangrijk dat statushouders in het azc wonen in de regio waar ze uitgeplaatst worden. Hoe staat het met spreiding van azc's (programma FLEX)?

Bij de uitwerking van het wetsvoorstel inburgering is vooralsnog uitgegaan van het huidige asielsysteem. Daarnaast hebben gemeenten, provincies en het Rijk op 14 mei jl. de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen vastgesteld. In de Uitvoeringsagenda zijn onder meer afspraken gemaakt over de ontwikkeling van regionale opvanglocaties op de middellange termijn. Met deze ontwikkeling wordt beoogd dat vergunninghouders en kansrijke asielzoekers worden opgevangen in de regio waar ze moeten worden gehuisvest, zodat zo snel mogelijk kan worden begonnen met inburgering. Afgesproken is dat binnen de verschillende regio’s plannen worden opgesteld voor de implementatie van de Uitvoeringsagenda, waaronder de regionale opvanglocaties. Met de realisatie hiervan zal de regierol van gemeenten in het kader van inburgering verder kunnen worden verstevigd. Van rijkszijde is de coördinatie voor de Uitvoeringsagenda belegd bij het ministerie van JenV.

6. Is er in het nieuwe stelsel aandacht voor samenwerking met werkgevers?

Het uitgangspunt van de nieuwe inburgeringwet is 'iedereen doet mee, het liefst via betaald werk'. Het is aan gemeenten om werkgevers te betrekken. Veel gemeenten hebben al ervaringen opgedaan met de duale trajecten, waar werk en taal worden gecombineerd. Ook binnen het pilotprogramma, waar één van de pilotthema’s ‘Duale Trajecten’ is, wordt hier ervaring mee opgedaan.

7. Er zijn zorgen over de psychische gezondheid van nieuwkomers. Wat zijn de mogelijkheden binnen het nieuwe stelsel?

De brede intake neemt in het nieuwe stelsel een belangrijke plek in: het geeft op individueel niveau inzicht in de startpositie, maar ook in de ontwikkelmogelijkheden van de inburgeringsplichtige. Op hoofdlijnen wordt vastgelegd welke onderwerpen aan bod komen tijdens de intake. Zo bestaat de brede intake in ieder geval uit een verkenning naar de persoonlijke omstandigheden van een inburgeringsplichtige, waar ‘fysieke gezondheid’ en ‘mentale gezondheid’ onderdeel van zijn. Verder mogen gemeenten grotendeels zelf bepalen hoe de brede intake wordt vormgegeven. Dat geeft gemeenten de ruimte voor een integrale aanpak, door bijvoorbeeld de brede intake te verbinden met de andere relevante deelgebieden binnen het sociaal domein. Er zijn gemeenten die een cursus over welzijn/gezondheid opnemen in de route. Ook wordt op veel plaatsen al samenwerking gezocht met de GGD en andere regionale partijen.

Overigens blijft het, net zoals in het vorige stelsel, mogelijk om op grond van onder andere een psychische belemmering te worden ontheven van de inburgeringsplicht.

8. Zijn gemeenten verplicht om een verordening te maken?

Nee, er is geen wettelijke verordeningsplicht. Gemeenten hebben de vrijheid al dan niet een verordening te maken. Hoe deze eruitziet, kunnen gemeenten zelf bepalen. Hoewel niet verplicht, is het wel goed om een verordening te maken.

Een door de gemeenteraad vastgestelde verordening bevordert dat het college, de verantwoordelijk wethouder en de gemeenteraad betrokken zijn bij de invulling van de ruimte die de Wet inburgering 2021 biedt en daarop invloed en controle kunnen blijven houden. 

Gemeenten kunnen gebruikmaken van de Modelverordening nieuwe Wet inburgering (Divosa).

(vraag toegevoegd op 22 februari 2021)

9. Mág de gemeente een verordening maken?

Over deze vraag is discussie ontstaan in het land, mede naar aanleiding van de zienswijze die Schulinck naar buiten brengt. Het antwoord op de vraag is kort gezegd: ja, dat mag (onder voorwaarden). Divosa heeft de vraag voorgelegd aan de wetgevingsjuristen van het ministerie van SZW. Dit is hun uitgebreide antwoord: 

Verschillende bevoegdheden uit de nieuwe inburgeringsregelgeving zijn toebedeeld aan het college. Dit brengt echter niet met zich mee dat de gemeenteraad daarover geen regels meer mag stellen in een verordening. Voor zover de wet uitputtend regelt hoe de taken uitgevoerd moeten worden, is geen ruimte voor een aanvullende autonome verordening. Waar de wet niet uitputtend is en dus ruimte laat voor aanvullende regels, heeft de gemeenteraad de bevoegdheid een verordening te maken die regels stelt over het uitvoeren van de taak van het college.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is bij verschillende onderdelen (maatschappelijke begeleiding, paragraaf 2.5.1; ontzorgen, paragraaf 2.5.2; brede intake, paragraaf 2.5.3; PVT, paragraaf 2.7.2.1) aangegeven dat er ruimte is voor verdere invulling door de gemeente, of - met betrekking tot de voortgang van de inburgering (paragraaf 2.5.5) - dat het zelfs voor de hand ligt dat er een verordening wordt opgesteld.
 
Het betreft hier een autonome verordening en artikel 147 lid 1 Gemeentewet hanteert als uitgangspunt dat de raad het bevoegde orgaan is, tenzij bij wet anders wordt bepaald of tenzij de raad die bevoegdheid krachtens de wet toekent aan het college. De Wet inburgering 2021 biedt daarvoor echter geen bevoegdheid. De gemeenteraad mag desalniettemin geen regels stellen in de verordening die afwijken van de Wet inburgering 2021. Zo mag de gemeenteraad de taken bijvoorbeeld niet bij een ander orgaan dan het college leggen of regels voor de taakuitoefening stellen die in strijd komen met de wettelijke taakuitoefening. De wet bepaalt immers dat bepaalde taken door het college worden uitgevoerd. Bepalingen die in strijd zijn met de Wet inburgering 2021 zijn onverbindend. De gemeenteraad mag dus op grond van artikel 147, 149 en 121 Gemeentewet bij autonome verordening aanvullende regels stellen over de uitvoering van een medebewindstaak door het college, mits voldaan is aan die twee genoemde uitgangspunten (Wet inburgering 2021 moet überhaupt aanvullende regels toelaten (niet-uitputtend) en de regels doorkruisen niet die wet).

(vraag toegevoegd op 26 augustus 2021)

10. Komt een nieuwkomer die in het nieuwe stelsel de Z-route heeft afgerond - en die dus is ingeburgerd - ook in aanmerking voor naturalisatie?

De regering streeft volgens de afspraak in het regeerakkoord uit 2017 naar verhoging van het voor een naturalisatie vereiste beheersingsniveau van het Nederlands. Hier zijn augustus 2021 echter nog geen concrete afspraken over gemaakt. In 2022 geldt dan ook nog het beheersingsniveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen voor naturalisatie. Indien het taalniveau voor naturalisatie in de toekomst wordt gewijzigd, dan wordt dit bekendgemaakt. Meer informatie op ind.nl

(vraag toegevoegd op 26 augustus 2021)

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Planning

1. Wat is het tijdpad van de nieuwe inburgeringswet?

Op 29 juni 2020 is de Wet inburgering behandeld in de Tweede Kamer en op 2 juli 2020 is het wetsvoorstel met een zeer ruime meerderheid aangenomen. Daarbij zijn ook een aantal moties en amendementen aangenomen. Kijk voor meer informatie op de website van de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel is op 1 december 2020 zonder stemming aanvaard door de Eerste Kamer. Zie ook de website van de Eerste Kamer. De Wet inburgering 2021 is op 2 februari 2021 gepubliceerd in het Staatsblad.

De lagere regelgeving (het Besluit inburgering en de Regeling inburgering) is in (internet)consultatie gebracht per 1 september 2020. Geïnteresseerden hebben vier weken de gelegenheid gekregen om te reageren op de conceptteksten. Naar verwachting zal de lagere regelgeving eind december 2020 worden aangeboden aan de Tweede Kamer voor de voorhangprocedure. De Tweede Kamer kan zich uitlaten over de inhoud van het Besluit en de Regeling. Wanneer de voorhangprocedure is afgerond wordt het Besluit inburgering voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het ministerie van SZW hoopt de lagere regelgeving volgens planning te kunnen publiceren vóór zomer 2021. 

Op 23 maart 2020 noemde minister Koolmees 1 juli 2021 als beoogde datum van inwerkingtreding. Op 11 november 2020 is een nieuwe streefdatum bekendgemaakt: 1 januari 2022. 

(update 9 februari 2021)

2. Het duurt nog lang tot de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Kan het niet sneller? 

Een grote stelselherziening zoals de inburgering vergt om een zorgvuldig proces van het ontwikkelen van nieuw beleid tot en met de uitwerking van de nieuwe juridische kaders: de wet- en de lagere regelgeving. Daarmee zijn al snel enkele jaren gemoeid. Nu het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer, is de volgende stap de behandeling ervan in de Eerste Kamer. Tegelijkertijd wordt ook hard gewerkt aan de uitwerking van het wetsvoorstel in lagere regelgeving. Verder is het belangrijk dat de partijen die een rol gaan spelen in de uitvoering van het nieuwe stelsel voldoende tijd krijgen om zich daarop goed voor te bereiden. Versnellen zit er dus niet in. Voor meer informatie over het tijdspad: raadpleeg de tijdlijn op Rijksoverheid.nl

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Uitstel van inwerkingtreding

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 11 november 2020 in een brief aan de Tweede Kamer bekendgemaakt dat de inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering opschuift. Aanvankelijk zou de nieuwe wet op 1 juli 2021 ingaan, maar er blijkt meer tijd nodig te zijn om de invoering van de wet goed voor te bereiden. Op 28 april maakte de minister bekend dat 1 januari 2022 de definitieve startdatum wordt voor de nieuwe wet.
Lees ook het bericht op de website van Divosa

1. Waarom wordt de inwerkingtreding van de Wet inburgering uitgesteld? 

  • Zorgvuldige voorbereiding van de Wet inburgering met verschillende ketenpartners staat voorop. 
  • Om dit proces op dezelfde zorgvuldige, breed gedragen manier voort te zetten, is er meer tijd nodig. 
  • En door de coronacrisis kan er minder efficiënt gewerkt a.g.v. ziekteverzuim waardoor de druk op de organisaties hoog ligt.

2. Waarom zouden we dit bericht nog serieus nemen?

  • Extra tijd is geen luxe, die tijd kunnen en moeten we goed gebruiken. 
  • We gaan er daarom vanuit dat alle partijen en ketenpartners met dezelfde inzet en in hetzelfde tempo door te gaan met de voorbereidingen zoals we die nu samen met in gang hebben gezet. 
  • Zodat wij de inburgeraars bij de nieuwe inwerkingstredingsdatum goed kunnen begeleiden. 
  • We moeten het hogere doel voor ogen houden, namelijk wat het beste is voor de inburgeraar. En dat doel wordt verwezenlijkt in het nieuwe stelsel.

3. Vooral met het oog op de berichten van de verwachte verhoogde taakstelling betekent dit dat een veel grotere groep onderdeel zal uitmaken van de ‘en ondertussen’-groep. Worden de ondertussen-middelen verlengd?

  • Het uitstellen van de inwerkingtredingsdatum  heeft ook gevolgen voor de groep inburgeringsplichtigen die onder het huidige stelsel vallen. De gevolgen van dit uitstel voor de zogenaamde ondertussen-groep worden samen met de VNG in kaart gebracht. 
  • Eerder dit jaar is er vanaf 2021 een bedrag van cumulatief € 25,5 miljoen beschikbaar gesteld voor de inburgeraars vallend onder het huidige stelsel. Over de exacte aanpak en doelstellingen van de middelen vindt nog overleg plaats tussen SZW en de VNG. De gevolgen van het uitstel van de nieuwe wet en de hoge productieplanning van de IND worden in de verdere bespreking meegenomen.

4. Gemeenten hebben niet voldoende zicht op de ‘en ondertussen’-groep. Deze groep wordt nu nog omvangrijker. Kan de minister de gegevens delen van de inburgeraars met gemeenten om te voorkomen dat ook in het nieuwe stelsel een groot deel van de groep onder de radar blijft?

  • De mogelijkheden voor een goede informatievoorziening vanuit DUO aan gemeenten is op dit moment beperkt, omdat daarvoor een juridische grondslag binnen de Wet inburgering 2013 ontbreekt. 
  • In de verdere besprekingen tussen SZW en de VNG kan gekeken worden naar praktische mogelijkheden om de informatiepositie van gemeenten binnen het huidige stelsel te versterken.
  • Een voorbeeld hiervan wordt op dit moment toegepast in de huidige ELIP-aanpak. Sinds juni 2020 hebben gemeenten de mogelijkheid om op basis van gegevens vanuit DUO zelfstandig inzicht te krijgen in de omvang van de ELIP-doelgroep in de eigen gemeente. Indien de gemeente aan de slag wil met deze ELIP-groep, kunnen deze inburgeraars via een brief vanuit DUO worden gestimuleerd om zich te melden in hun gemeente voor extra begeleiding of advies in hun inburgeringstraject. Deze brief bevat tevens een bijlage met de inburgeringsgegevens van de betrokkene die voor gemeenten relevant zijn voor eventuele verdere begeleiding of advies. Deze bijlage kan door de inburgeraar aan de gemeente worden overhandigd.

5. Wat heeft het uitstel van de wet voor consequenties voor de Veranderopgave Inburgering? (Hoe gaan SZW - VNG - Divosa verder?)

  • We blijven onverminderd inzetten op de ingeslagen weg. Het geeft ons iets meer tijd om nog beter en zorgvuldiger alle zaken tijdig ingeregeld te hebben.

6. Worden gemeenten t.a.v. de begeleiding van de ondertussen-groep nog tegemoet gekomen om de tijd te overbruggen tussen 1 juli 2021 en 1 januari 2022? En wordt het bedrag van incidentele invoeringskosten nog aangevuld i.v.m. het uitstel van de wet?

In de bestuurlijk overleggen tussen de VNG en SZW is gesproken over het uitstel van de nieuwe wet en de begeleiding van inburgeraars onder het huidige stelsel. De minister van SZW en de VNG zijn het erover eens dat het verre van ideaal is dat er nu een extra groep inburgeraars instroomt in een inburgeringsstelsel waarvan bekend is dat het op onderdelen niet goed werkt. Er is daarom samen gekeken naar mogelijkheden om deze groep het beste te kunnen helpen. Rondom de 'ondertussen-groep' zijn twee afspraken gemaakt:

  1. SZW en VNG willen stimuleren dat gemeenten zo veel als mogelijk hun begeleidende rol kunnen oppakken in de geest van de nieuwe wet. Hierbij kan gedacht worden aan een warme overdracht, Brede intake en PIP-advies, periodieke voortgangsgesprekken en een cursus financiële zelfredzaamheid.  Divosa en de VNG ontwikkelen een ondersteuningsaanbod dat gemeenten hierbij kan helpen.
  2. Minister Koolmees heeft met de VNG afgesproken de komende maanden samen te onderzoeken hoe een aantal scherpe randjes van het huidige stelsel kunnen worden afgehaald.

In het Bestuurlijk Overleg is ook gesproken over de langere implementatieperiode waar gemeenten mee te maken hebben als gevolg van het uitstel. De minister stelt totaal € 30 miljoen extra beschikbaar voor gemeenten voor de kosten die gepaard gaan met het eerdere uitstel van de wet. Hiervan is € 21 miljoen bedoeld voor de begeleiding van de ondertussen-groep (de inburgeraars die door het uitstel van de nieuwe wet nog onder de huidige wet vallen) en € 9 miljoen voor de extra invoeringsmiddelen. Eerder werd er al € 25,5 miljoen beschikbaar gesteld voor deze groep. Deze toezegging komt voort uit bestuurlijke overleggen met de VNG. Gemeenten worden in de meicirculaire geïnformeerd over de precieze uitkering van de middelen.

(vraag geüpdatet op 28 april 2021)

Gevolgen voor Inkoop en aanbesteding

1. Wat heeft het uitstel van de wet voor invloed op de al ingeslagen weg met betrekking tot inkoop, aanbesteding en zelfs publicatie van aanbestedingsdocumenten?

  • Gemeenten kunnen door op de reeds ingeslagen weg. Het geeft tijd om de afspraken te verfijnen en verder uit te werken met de samenwerkingspartners.
  • En bij aanbesteding zolang de lagere regelgeving ook nog niet stabiel is, is het goed om ontbindende voorwaarden op te nemen.

2. Kan ik als gemeente bij een reeds lopende aanbesteding de ingangsdatum van de overeenkomst met een half jaar wijzigen?

Ja, dit kan. Voor de meeste gemeenten geldt dat zij net zijn gestart met hun inkoopproces. Veel gemeenten stonden op het punt om nog voor het eind van het jaar hun aanbesteding te publiceren of hebben dit net gedaan. Het wijzigen van ingangsdatum van de overeenkomst met 6 maanden is géén wezenlijke wijziging. Dat betekent dat de ingangsdatum van de overeenkomst in de lopende aanbestedingen kan worden gewijzigd.

3. Is het verstandig om als gemeente te wachten met het publiceren van de aanbesteding nu de inwerkintreding van de Wet inburgering ook is verschoven?

Voor een gemiddelde aanbesteding, van het proces van opdrachtformulering tot het startgesprek met de contracteerde partij, moet circa 8 tot 10 maanden worden uitgetrokken. Met de verschuiving van de inwerkingtredingsdatum heeft het inkoopproces van de gemeente dus meer ruimte gekregen. Gemeenten kunnen zelf de afweging maken óf en hoe ze deze extra tijd willen benutten. Het biedt gemeenten bijvoorbeeld de kans om hun aanbesteding nader uit te werken of extra ruimte in te bouwen gedurende de verschillende fasen van het inkoopproces.

4. Wat kan ik als gemeente doen als de opdracht al is gegund?

De gemeente kan zich, indien deze mogelijkheid is opgenomen in de aanbestedingsstukken, beroepen op de herzieningsclausule. Met het opnemen van deze clausule kan de overeenkomst in een later stadium gewijzigd worden. Let op: een herzieningsclausule moet bij aankondiging in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen. Het is dus niet toegestaan om in een latere fase, bijvoorbeeld na sluiting van de overeenkomst de herzieningsclausule nog op te nemen.

Een overheidsopdracht kan ook worden gewijzigd als zich externe omstandigheden voordoen die de gemeente niet kon voorzien, ondanks zorgvuldige voorbereiding van de aanbestedende dienst. De opdracht kan worden gewijzigd, mits:

  1. De wijziging geen verandering in de algemene aard van de opdracht betekent, en
  2. De prijs van de wijziging niet hoger is dan 50% van de waarde van de oorspronkelijke opdracht.

Het ligt echter niet voor de hand dat dit aan de orde is in deze fase. De meeste gemeenten zijn immers pas net gestart met het inkoopproces, en hebben hun aanbesteding net gepubliceerd of staan op het punt dit te doen. Zij kunnen zodoende de ingangsdatum van de lopende aanbesteding eenvoudig wijzigen.

5. Kan een gemeente een overheidsopdracht intrekken?

Ja, een gemeente kan een overheidsopdracht intrekken. Het ligt echter niet voor de hand dat dit aan de orde is in deze fase. De meeste gemeenten zijn immers pas net gestart met het inkoopproces, en hebben hun aanbesteding net gepubliceerd of staan op het punt dit te doen. Zij kunnen zodoende de ingangsdatum van de lopende aanbesteding eenvoudig wijzigen.

Let op: aanbestedende diensten hebben relatief veel vrijheid om een aanbesteding in te trekken. De vrijheid om de oorspronkelijke opdracht opnieuw aan te besteden (heraanbesteden) is aanzienlijk beperkter. De aanbestedende dienst kan dezelfde opdracht niet onder dezelfde voorwaarden opnieuw in de markt zetten. Omdat het wijzigen van de inwerkingsdatum geen wezenlijke wijziging betreft is heraanbesteding van dezelfde opdracht in principe niet toegestaan. 

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Doelgroep

1. De ingangsdatum voor de nieuwe inburgeringswet is 1 januari 2022. Welke groep valt daar precies binnen? Zijn dat de personen die vanaf die datum zijn gekoppeld aan een gemeente of de personen die op die datum een huis krijgen in de gemeente?

De nieuwe wet is van toepassing op degenen die op of na 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden. De inburgeringsplicht start op de datum waarop het verblijfsrecht door de IND bekend is gemaakt.

NB De start inburgeringsplicht en de start van de inburgeringstermijn zijn twee verschillende zaken. De inburgeringstermijn start op de dag na dagtekening (datum vaststelling) van het PIP.

Zie Artikel 11. Duur en aanvang van de termijn

  • De inburgeringsplichtige voldoet binnen drie jaar aan de inburgeringsplicht.
  • De termijn vangt aan op de dag na dagtekening van het PIP.

Daarbij is van belang dat de dagtekening van het eerste PIP leidend is voor de start van de inburgeringstermijn. Het is mogelijk dat onderdelen van het PIP, bijvoorbeeld de onderdelen die zien op de Participatiewet, op een later moment worden vastgesteld en/of dat het PIP op een later moment wordt gewijzigd. Deze eventuele aanvullingen en wijzigingen van het PIP hebben allemaal geen invloed op de start van de inburgeringstermijn. Dit geldt ook wanneer de inburgeringsplichtige in bezwaar en/of beroep gaat en het PIP om die reden opnieuw wordt vastgesteld.

2. Is er in het nieuwe stelsel aandacht voor gezinsmigranten?

Ja. Ondanks hun andere startpositie, vindt de regering het wel belangrijk dat gezinsmigranten in het nieuwe inburgeringsstelsel gedurende hun inburgeringstraject (meer) steun en begeleiding krijgen dan nu het geval is. Om die reden zullen gemeenten ook deze groepen inburgeringsplichtigen gaan begeleiden tijdens hun inburgeringstraject. Net zoals asielstatushouders krijgen gezinsmigranten en overige migranten (verplicht) een brede intake en zal er voor hen een PIP worden opgesteld waarin wordt vastgelegd welke leerroute zij dienen te volgen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Ook zijn de gezinsmigranten verplicht om deel te nemen aan de MAP (Module Arbeidsmarkt en Participatie) en blijft ook het PVT (Participatieverklaringstraject) verplicht. Evenals nu het geval is, dienen zij het inburgeringsonderwijs voor taal en KNM zelf te betalen waarbij het mogelijk is om op basis van een inkomenstoets gebruik te maken van een lening bij DUO. Gemeenten worden bekostigd om voor deze groepen de intake, het PIP, voortgangsgesprekken, MAP en PVT aan te bieden.

3. Op welke wijze kan de gemeenten de inspanningen van de gezinsmigratie volgen/handhaven of begeleiden?

Net als asielstatushouders zijn gezinsmigranten en overige migranten verplicht om bij de gemeente te verschijnen voor een brede intake (inclusief afname van een leerbaarheidstoets). Wanneer zij hier niet verschijnen, kan de gemeente hiervoor een boete opleggen. Ook moeten zij deelnemen aan MAP en is het PVT een onderdeel van hun inburgeringsplicht. De MAP en het PVT zullen door de gemeente worden aangeboden en de invulling van beide trajecten zal ook in het PIP worden vastgelegd.

De gezinsmigrant heeft geen vrijblijvende keuze voor een leerroute of de mogelijkheid om te shoppen tussen routes. Indien er uit de leerbaarheidstoets volgt dat B1-niveau binnen drie jaar haalbaar is, kan niet de Z-route gevolgd worden. Gemeenten worden vervolgens gestimuleerd de gezinsmigranten te adviseren over passende inburgeringscursussen en andere aspecten om een goede start in Nederland te krijgen. Dat is een manier om invloed uit te proberen te oefenen op de inburgeringsresultaten.

Er kan niet gehandhaafd worden op de inzet voor de taalcursus bij gezinsmigranten. Gezinsmigranten betalen hun taalcursus immers zelf. Gemeenten kunnen zoals gezegd, enkel adviseren over de invulling van de leerroute. Een gemeenten voert vervolgens met de gezinsmigrant voortgangsgesprekken. Wanneer een gezinsmigrant niet verschijnt bij een voortgangsgesprek, kan een gemeente op dit niet verschijnen wel handhaven. Via het voortgangsgesprek kan de gemeente de gezinsmigrant motiveren als hij zich niet inzet voor zijn taaltraject. En bij deze voortgangsgesprekken kan de gemeenten aangeven dat er een boete van DUO boven het hoofd hangt als de gezinsmigrant niet tijdig aan de inburgeringsplicht (leerroute, MAP en PVT) voldoet.

4. Wat moet een gemeente doen als iemand een beperking/handicap heeft?

In het nieuwe inburgeringsstelsel krijgen mensen met een beperking meer mogelijkheden om in te burgeren dan in het huidige stelsel. Er komt een mogelijkheid voor gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op medische gronden, zodat mensen die bijvoorbeeld blind of doof zijn, voor bepaalde onderdelen van het inburgeringsexamen ontheffing kunnen krijgen. De andere examenonderdelen kunnen in dat geval worden afgelegd, zo nodig onder aangepaste examenomstandigheden. Daarmee hebben zij toegang tot inburgeringslessen, begeleiding en kunnen zij voldoen aan de inburgeringsplicht. Dergelijk maatwerk is belangrijk, maar evengoed zal er ook een groep blijven voor wie ontheffing op medische gronden noodzakelijk is. 

Er lopen in dit kader verschillende trajecten om te kijken naar wat mensen met een beperking nodig hebben om via een van de leerroutes in het nieuwe stelsel te kunnen inburgeren. Visio voert momenteel een pilot uit om te kijken naar geschikt aanbod. Kentalis voert momenteel een onderzoek uit onder inburgeraars met een auditieve beperking. Samen met deze organisaties zal het ministerie van SZW de komende maanden kijken hoe gemeenten straks over voldoende kennis beschikken om mensen met een beperking te ondersteunen in hun inburgering. Op regionaal niveau wordt er al veel samengewerkt met sociaal werk-bedrijven, bijvoorbeeld in de pilots die nu worden uitgevoerd ter voorbereiding op het nieuwe inburgeringsstelsel. Hiervan wordt verwacht dat sociaal werk-bedrijven een belangrijke partner kunnen zijn voor gemeenten als het gaat om aanbod voor inburgeringsplichtigen met een beperking.

5. Hoe zit het met mensen die binnen hun inburgeringstermijn AOW-gerechtigd worden? Vervalt vanaf dat moment hun inburgeringsplicht of niet?

Een inburgeringsplichtige die de AOW-leeftijd bereikt binnen de inburgeringstermijn, is vanaf dat moment niet meer inburgeringsplichtig.

Omdat deze inburgeringsplichtigen na het bereiken van deze leeftijd waarschijnlijk nog geruime tijd in Nederland wonen, kan het leren van de taal en het opdoen van kennis van de Nederlandse samenleving ook voor hen relevant zijn. Deze personen kunnen dus baat hebben bij een inburgeringstraject gedurende de periode dat zij inburgeringsplichtig zijn.

Wanneer iemand binnen de inburgeringstermijn de AOW-leeftijd bereikt, legt DUO de inburgeringsplicht op en wordt de gemeente hierover geïnformeerd. Gemeenten kunnen deze inburgeringsplichtigen zoals gebruikelijk oproepen voor een brede intake om te kijken wat er mogelijk is qua inburgering en bijbehorende begeleiding tot het momen dat de inburgeringsplichtige de AOW-leeftijd bereikt. Afhankelijk van de duur van deze termijn en de individuele behoeften van de inburgeringsplichtige wordt er een PIP opgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat de inburgeringsplichtige gedurende die termijn wel zoveel mogelijk gebruik kan maken van de rechten die samenhangen met de inburgeringsplicht, dus: maatschappelijke begeleiding en een inburgeringsaanbod (als het een asielstatushouder betreft), ontzorging (bijstandsgerechtigde asielstatushouder), aanbod MAP en PVT.

Indien betrokkene op het moment dat hij/zij inburgeringsplichtig wordt 6 maanden of minder verwijderd is van de AOW-leeftijd, dan wordt betrokkene nog wel uitgenodigd voor een brede intake, maar wordt op basis van de omstandigheden van het geval (inclusief de wensen van de inburgeringsplichtige zelf) en de precieze tijd die nog rest bezien wat wenselijk/mogelijk is qua PIP en overige onderdelen van de inburgering. Het bieden van maatschappelijke begeleiding en ontzorgen liggen daarbij wel voor de hand, omdat deze onderdelen met name in de eerste periode plaatsvinden.

(vraag toegevoegd op 16 november 2021)

 

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Turkse statushouders

1. Wat hield de opt-in regeling in en tot wanneer stond deze regeling open?

Turkse asielstatushouders hebben in de periode van 12 november 2019 tot 1 mei 2020 op vrijwillige basis gebruik kunnen maken van de opt-in mogelijkheid in het huidige inburgeringsstelsel.

Voor een Turkse asielstatushouder die van de opt-in regeling gebruik heeft gemaakt gelden alle rechten en plichten van het huidige inburgeringsstelsel zoals deze ook gelden voor andere asielstatushouders. Op basis van een selectie die DUO maakt komen ze automatisch in beeld bij de gemeente voor maatschappelijke begeleiding.

Op 10 april 2020 heeft de minister van SZW aangegeven dat met de (her)invoering van de inburgeringsplicht voor Turkse asielstatushouders met ingang van 1 mei 2020, de opt-in regeling per 1 mei 2020 zal komen te vervallen. Met ingang van 1 mei 2020 zijn alle Turkse nieuwkomers (inclusief nareizigers en gezinsleden) die op of na deze datum een asielvergunning verkrijgen inburgeringsplichtig. Turkse gezinsmigranten en overige Turkse nieuwkomers blijven tot aan de invoering van de nieuwe inburgeringswet vrijgesteld.

DUO heeft Turkse asielstatushouders die reeds een aanvraag hadden ingediend of reeds een traject als vrijwillige inburgeraar (met een lening) hadden lopen een brief gestuurd en hen een keuze (doorgaan met vrijwillig inburgeren of kiezen voor opt-in) voorgelegd. DUO heeft aangegeven dat meer dan 1000 Turkse asielmigranten via de opt-in inburgeringsplichtig zijn geworden.

2. Hoe groot is de groep Turkse inburgeringsplichtigen (asiel, gezin en overig)?

Op jaarbasis bedraagt het aantal Turkse gezinsmigranten ongeveer 2500. Deels betreft het echter minderjarige kinderen die niet inburgeringsplichtig zijn. Data over asielgerechtigde personen met een Turkse nationaliteit zijn online te vinden via de datacommunity Open Data Migratieketen. Voor raadpleging van deze website is een handleiding gemaakt. In 2019 zijn 1000 eerste asielverzoeken van personen met een Turkse nationaliteit behandeld. Het inwilligingspercentage van deze asielverzoeken was 90.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Overgang naar nieuwe wet

1. Hoe gaan we om met de nieuwkomers die nog onder het huidige inburgeringsstelsel vallen? Met nieuwkomers die zich eind 2021 melden?

Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel zijn verschillende vormen van overgangsrecht onderzocht waardoor inburgeringsplichtigen ook zouden kunnen profiteren van het nieuwe stelsel, al dan niet via een verplichte overstap. Dit stuitte echter op bezwaren van rechtsongelijkheid en willekeur (waar wordt de grens gelegd), ingewikkelde financiële trajecten en verschillende eisen waarmee inburgeringsplichtigen worden geconfronteerd (bijvoorbeeld de verhoging van het niveau van A2 naar B1).

Bovendien heeft de regering voor 2019 en 2020 €20 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor de ondersteuning en begeleiding van de groep inburgeringsplichtigen, die onder het huidige inburgeringsstelsel valt. Met de extra middelen worden gemeenten in staat gesteld om inburgeringsplichtige asielstatushouders die niet kunnen profiteren van het nieuwe stelsel te ondersteunen en te activeren richting passend inburgeringsonderwijs. Deze (financiële) impuls is ook bedoeld voor gemeenten om alvast te groeien naar hun regierol op de uitvoering van inburgering in het nieuwe stelsel. Zie Bijlage Bestuurlijke afspraken SZW en VNG: extra impuls inburgering ‘en ondertussen’ (februari 2019). Dit tezamen heeft er toe geleid dat er gekozen is voor een heldere scheidslijn tussen het huidige en nieuwe stelsel. Vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet vallen nieuwkomers nog onder het oude systeem.

2. De huidige asielstatushouders worden straks onderdeel van de ‘en ondertussen’ groep. Hoe gaat afstemming over deze groep tussen DUO en gemeenten? 

De regering heeft voor 2019 en 2020 €20 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor de ondersteuning en begeleiding van de groep inburgeringsplichtigen, die onder het huidige inburgeringsstelsel valt. Met de extra middelen worden gemeenten in staat gesteld om inburgeringsplichtige asielstatushouders die niet onder het nieuwe stelsel vallen te ondersteunen en te activeren richting passend inburgeringsonderwijs. 

Vanaf 2021 is een bedrag van cumulatief € 25,5 mln. gereserveerd. Een deel van de middelen zal in ieder geval worden ingezet voor de begeleiding en ondersteuning van de meest kwetsbare groep onder het huidige stelsel: de zogenaamde ELIP-groep (Einde Lening nog Inburgeringsplichtig). Sinds juni jl. hebben gemeenten de mogelijkheid om op basis van gegevens vanuit DUO zelfstandig inzicht te krijgen in de omvang van de ELIP-doelgroep in de eigen gemeente. Indien de gemeente aan de slag wil met deze ELIP-groep, kunnen deze inburgeraars via een brief vanuit DUO worden gestimuleerd om zich te melden in hun gemeente voor extra begeleiding of advies in hun inburgeringstraject. Deze brief bevat tevens een bijlage met de inburgeringsgegevens van de betrokkene die voor gemeenten relevant zijn voor eventuele verdere begeleiding of advies. Deze bijlage kan door de betrokkene zelf worden gedeeld met de gemeente. Via praktische oplossingen als deze, kunnen gemeenten snel aan de slag en kan er op grond van de individuele situatie van inburgeraars bezien worden wat nodig en mogelijk is om te zorgen dat alsnog aan de inburgeringsplicht wordt voldaan.

3. Hoe zit het met jongeren die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet een verblijfsvergunning hebben gekregen en die op of na 1 januari 2022 inburgeringsplichtig worden?

Nieuwkomers die op jonge leeftijd naar Nederland komen verblijven soms al jaren in Nederland voordat ze inburgeringsplichtig worden. Ook voor jongeren geldt dat de nieuwe wet van toepassing is op degenen die op of na de datum van inwerkingtreding inburgeringsplichtig worden. Uitgaande van inwerkingtreding van de nieuwe wet per 1 januari 2022 betekent dat:

  • Een jongere die 18 jaar wordt vóór 1 januari 2022 en op dat moment geen vrijstellende opleiding volgt inburgeringsplichtig wordt onder het huidige stelsel.
  • Een jongere die 18 jaar wordt ná 1 januari 2022 en op dat moment geen vrijstellende opleiding volgt inburgeringsplichtig wordt onder het nieuwe stelsel, ongeacht of de verblijfsvergunning voor of na 1 januari 2022 is verkregen.
Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Notitie 'Samenwerking COA en gemeenten in de nieuwe Wet inburgering’

Het COA, de VNG en SZW hebben in april 2021 de notitie ‘Samenwerking COA en gemeenten in de nieuwe Wet inburgering’ gepubliceerd, met daarin drie scenario’s om de doorlopende lijn in de inburgering vanuit het azc naar de gemeente vorm te geven. Hieronder staan de antwoorden op de meest gestelde vragen over deze samenwerking. Heb je nog een vraag over deze notitie? Stuur dan een mail naar inburgering@vng.nl.

Om zowel het COA als gemeenten te ondersteunen bij de uitwerking van deze drie scenario’s, hebben de VNG, Divosa en het COA een handreiking gemaakt. Hierin staan handvatten om deze scenario’s in de praktijk te brengen. Najaar 2021 worden informatiebijeenkomsten georganiseerd waar ruimte is om vragen te stellen over de praktische invulling van de nieuwe samenwerking.

(update informatie: 2 september 2021)

1. Wat is de aanleiding voor het opstellen van de notitie ‘Samenwerking COA en gemeenten in de nieuwe Wet inburgering’?

Gemeenten krijgen in de nieuwe Wet inburgering een regierol op de inburgering. Vanaf het moment dat de statushouder wordt gekoppeld aan een toekomstige woongemeente, is deze verantwoordelijk voor het vormgeven van een passend inburgeringstraject. Om een doorlopende lijn in het inburgeringstraject vanuit de COA-opvang naar de gemeente te bewerkstelligen, is een goede samenwerking en informatieoverdracht tussen het COA en gemeenten van essentieel belang.

De VNG heeft daarom samen met het COA en het ministerie van SZW drie scenario’s vormgegeven die gemeenten kunnen gebruiken als leidraad om samenwerkingsafspraken met een azc te maken. Hierin wordt onder andere een voorstel gedaan voor de benodigde samenwerking rondom de voorinburgering in het azc, de afname van de Brede intake en PIP zolang de statushouder in het een azc verblijft en de benodigde informatieoverdracht. Dit betreft de actualisatie van het klantprofiel op vaste momenten door het COA, maar ook het initiatief vanuit de gemeente om een driegesprek vorm te geven tussen de casemanager, klantmanager en statushouder.

2. Zijn gemeenten gebonden aan de afspraken die gemaakt zijn in de notitie?

De notitie betreft een voorstel van hoe de samenwerking op onderdelen vorm te geven. De drie verschillende scenario’s voor samenwerking bieden een kader waarbinnen gemeenten hun eigen keuzes kunnen maken. Goede communicatie en samenwerking is van essentieel belang tussen het COA en de gemeente voor een doorlopende lijn vanuit de opvang naar de gemeente.

3. Wat doet het COA in het kader van de inburgering?

Wanneer een statushouder een (voorlopige) verblijfsvergunning van de IND ontvangt, koppelt het COA de statushouder aan een gemeente. Zolang de statushouder in afwachting van huisvesting in een azc verblijft en wanneer de gemeente nog niet kan starten met een gemeentelijk inburgeringstraject, wordt door het COA het programma ‘voorbereiding op de inburgering’ (voorinburgering) aangeboden. Dit programma is bedoeld als voorbereiding op de reguliere inburgering in de gemeente en de inhoud sluit aan op de verplichte onderdelen van de inburgeringsplicht. Het is een vrijwillige keuze voor de statushouder om aan deze activiteiten deel te nemen. Uiteraard wordt deelname aan de voorinburgering door medewerkers van het COA gestimuleerd.

4. Heeft het inburgeringstraject van de gemeente voorrang op de voorinburgering vanuit het COA?

Het is belangrijk dat de inburgering van nieuwkomers die zich in Nederland willen vestigen zo vroeg mogelijk start. Met de invoering van de voorinburgering voor statushouders wordt een tijdige start van de inburgering geborgd en wordt de tijd tussen de koppeling aan de gemeente en de start van het inburgeringstraject door de gemeente goed benut. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat deelname aan de voorinburgering de verhuizing naar een gemeente en/of de start van het gemeentelijke regulier inburgeringstraject vertraagt. De start van de reguliere inburgering in de gekoppelde gemeente heeft daarom in alle gevallen voorrang op de voorinburgering van het COA.

5. Is het mogelijk om met de Brede intake/PIP te starten tijdens het verblijf in het azc?

Ja, dat is één van de geschetste scenario’s mogelijk. Het doel van de nieuwe wet is een snelle integratie en participatie. Als het mogelijk is om te starten met (onderdelen van) de gemeentelijke reguliere inburgering tijdens het verblijf in het azc, heeft dit altijd de voorkeur.

Het kan voorkomen dat het voor de gemeente wel mogelijk is om te starten met de Brede intake en het opstellen van het PIP gedurende het verblijf in het azc, maar dat om praktische redenen de aangeboden inburgeringscursus pas kan starten na huisvesting in de gemeente. In deze situatie is het voor de gemeente mogelijk om alleen de afname van Brede intake en het opstellen van het PIP te starten tijdens het verblijf in het azc. Dit versnelt het inburgeringstraject aangezien de statushouder na verhuizing direct kan starten met het inburgeringsaanbod van de gemeente. De statushouder kan ondertussen uiteraard wel deelnemen aan de voorinburgering. Dit vraagt om goede werkafspraken tussen de gemeente en het desbetreffende azc.

6. Kan een gemeente starten met het reguliere inburgeringstraject ná daadwerkelijke huisvesting van de statushouder in de gemeente?

De scenario’s waarbij de gemeente al op het azc start met (onderdelen van) het reguliere inburgeringstraject, sluiten het meest aan bij het doel van de nieuwe wet, namelijk snelle integratie en participatie, en hebben daarmee de voorkeur. Op dit moment zal dit voor een deel van gemeenten echter niet haalbaar zijn. Wanneer een gemeente kan starten met het reguliere inburgeringstraject, hangt onder meer af van de beleidskeuzes van de gemeente en de afstand van de gemeente tot het azc. De gemeente heeft immers de regierol. Indien een gemeente gedurende het verblijf in het azc niet kan starten met de reguliere inburgering, begint het reguliere inburgeringstraject pas als de statushouder is gehuisvest in de gemeente. De statushouder wordt in dit geval sterk aangemoedigd om gebruik te maken van de voorinburgering in het azc.

7. Kan een statushouder vanuit elk azc gekoppeld worden aan een gemeente en moet een gemeente dan met elk azc apart afspraken maken?

Bij de koppeling van een statushouder aan een gemeente wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de ligging van de gemeente ten opzichte van het azc. Tegelijkertijd is het mogelijk dat gemeenten gekoppeld worden aan statushouders vanuit elk azc in Nederland. Wanneer een koppeling heeft plaatsgevonden, is het belangrijk om met het betreffende azc samenwerkingsafspraken te maken over de start van de inburgering en een goede doorlopende lijn vanuit het azc naar de gemeente toe. Het gaat dan om afspraken met het desbetreffende azc op individueel niveau van de statushouder die is toegewezen. Er is hierbij ruimte voor maatwerk, waarbij het belang van de statushouder centraal staat. Het is niet nodig om op voorhand met alle azc’s afspraken te maken als er nog geen koppelingen met bepaalde azc’s in beeld zijn.

8. Hoe geeft de gemeente vorm aan haar regierol als er geen azc in de regio is?

Wanneer een gemeente geen azc in de regio heeft, vraagt dit een andere aanpak van deze gemeente. Het kan zijn dat er nog geen bestaand contact is met het azc buiten de regio. In dit geval is het raadzaam om als gemeente contact op te nemen met het betreffende azc om individuele afspraken te maken. Van belang is dat de statushouder centraal staat en dat per persoon gekeken wordt wat wenselijk en mogelijk is.

9. De gemeente heeft een azc in de regio, maar krijgt veel koppelingen vanuit andere azc’s . Hoe gaat de gemeente hiermee om?

Bij de koppeling van een statushouder aan een gemeente wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de ligging van de gemeente ten opzichte van het azc. Het kan echter voorkomen dat er een koppeling wordt gemaakt vanuit een ander azc. In deze situatie worden gemeenten geadviseerd om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om een start te kunnen maken met de reguliere inburgering. Van belang is dat de statushouder centraal staat en dat per persoon bekeken wordt wat wenselijk en mogelijk is. Mocht de gemeente al met de reguliere inburgering kunnen starten, dan kunnen daar afspraken over worden gemaakt met het desbetreffende azc.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Algemeen

Afronden

1. Is er ook ruimte voor nazorg na afsluiten van het inburgeringstraject?

Na het afronden van de inburgering, zijn er meerdere manieren voor de gemeente om contact te blijven onderhouden met de voormalig inburgeringsplichtige. Andere domeinen binnen het sociaal domein, waaronder de Participatiewet of de Wmo, bieden hiervoor een grondslag en kunnen ervoor zorgen dat trajecten die tijdens de inburgering gestart zijn, bijvoorbeeld als het gaat om het stimuleren van arbeidsmarktparticipatie, voortgezet worden.

Er is geen wettelijke nazorg vanuit de gemeente voorzien nadat een inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. De regierol van de gemeente op het gebied van inburgering is daarmee immers afgerond. Het staat gemeenten echter vrij om stil te staan bij het afronden van het inburgeringstraject, bijvoorbeeld door een afsluitende bijeenkomst of gesprek. Overigens is het DUO die beoordeelt of een inburgeringsplichtige daadwerkelijk heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Financiën

1. Welke middelen kunnen worden onderscheiden? 

Er worden drie typen middelen onderscheiden. Hieronder worden deze verder toegelicht. Hierin wordt ook aangegeven hoe de middelen verdeeld worden. 

Incidentele middelen

Gemeenten krijgen incidentele middelen ter financiering van de kosten die gemeenten maken bij de voorbereiding op de nieuwe wet. Hierbij kan gedacht worden aan kosten voor het inrichten van beleid en het werven en opleiden van medewerkers. De incidentele invoeringskosten zijn eenmalig uitgekeerd via de meicirculaire 2020. De verdeling van de incidentele invoeringskosten is gebaseerd op het aantal inwoners per gemeente. 

Door het uitstel van de nieuwe wet is de implementatie-periode met zes maanden verlengd. Gemeenten maken hierdoor meer invoeringskosten. Daarom krijgen gemeenten dit jaar €9 miljoen extra invoeringsmiddelen ten behoeve van de implementatie van de nieuwe wet. Deze middelen worden eenmalig uitgekeerd in de meicirculaire van 2021.

Voor het structurele inburgeringsbudget wordt onderscheid gemaakt naar twee typen kosten. Dit zijn enerzijds de uitvoeringskosten en anderzijds de kosten voor de inburgeringsvoorzieningen.  

Uitvoeringskosten (structureel)

Onder uitvoeringskosten vallen kosten voor: brede intake, PIP en voortgang, ontzorgen en overige uitvoeringskosten (zoals inkoop en beleidsondersteuning). Gemeenten zijn in de meicirculaire 2021 geïnformeerd over de verdeling van deze middelen onder gemeenten. De middelen worden verstrekt via een integratie-uitkering binnen het gemeentefonds. De structurele uitvoeringskosten worden vanaf de start van het stelsel in 2022 verstrekt en zijn gebaseerd op de verdeling van het aantal inwoners en het aantal personen met een niet-westerse migratieachtergrond. 

Kosten voor inburgeringsvoorzieningen (structureel)

Onder kosten voor inburgeringsvoorzieningen vallen de kosten voor de leerroutes, de module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP), maatschappelijke begeleiding, het participatieverklaringstraject (PVT) en de inzet van tolken. De kosten voor de inburgeringsvoorzieningen worden uitgekeerd via een SPUK (specifieke uitkering). De verdeling van deze SPUK-middelen wordt vastgelegd in de lagere wet- en regelgeving behorende bij de Wet inburgering. De rekentool die te downloaden is via de website van Divosa geeft alvast inzicht in de systematiek.

De verdeling van de SPUK-middelen zal uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het uitvoeringsjaar voorlopig worden vastgesteld op basis van het aantal te verwachten inburgeringsplichtige asielstatushouders, gezins- en overige migranten en daarbij zal in latere jaren, maar niet eerder dan 2026, rekening worden gehouden met de door gemeenten geleverde prestaties. Na afloop van het uitvoeringsjaar zal het totale budget en nog worden aangepast aan de hand van de werkelijke volumes inburgeringsplichtigen per gemeente. Hiermee sluit de verdeling van de middelen aan bij het daadwerkelijke aantal inburgeringsplichtigen per gemeenten.

Zie ook vraag 2 Kosten voorzieningen voor een overzicht van de ingeschatte gemiddelde kosten voor de verschillende voorzieningen.

(update 17 juni 2021)

2. Waar zijn de middelen voor inburgering op gebaseerd?

AEF heeft een rapport opgeleverd over de opbouw van de structurele inburgeringskosten voor gemeenten. SZW volgt het AEF-rapport uit augustus 2019 op bijna alle onderdelen. Op enkele punten wordt van het AEF-rapport afgeweken, dit is ook te lezen in de Kamerbrief over de bestuurlijke afspraken VOI van eind april 2020. Het gaat om de volgende drie onderdelen:

  1. Er wordt een ander tolkentarief gebruikt dan door AEF.
  2. Gezinsmigranten zullen niet altijd een tolk nodig hebben. Voor een deel kunnen referenten steun bieden, daarnaast komen zij al met A1-niveau naar Nederland.
  3. Er wordt rekening gehouden met de positie van gezinsmigranten. Omdat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun taalles en voortgang van het traject wordt er rekening gehouden met minder voortgangsgesprekken.

Let op: bij de berekening van de middelen wordt gebruik gemaakt van een raming van de verwachte aantallen en prijzen. Die prijzen (zoals de gemiddelde prijs voor een leerroute van € 10.000) zijn met nadruk niet normstellend bedoeld t.b.v. de inkoop van diensten. Gemeenten bepalen zelf de hoogte van vergoedingen.

3. Is de verdeling van de middelen niet ongunstig voor kleine of plattelandsgemeenten?

Bij het AEF-onderzoek naar de benodigde uitvoerings- en invoeringsmiddelen is bij bepaalde processen onderscheid gemaakt naar gemeentegrootte. De beperkte kostenverschillen die hieruit naar voren komen zijn onvoldoende om hier in de verdeling rekening mee te houden, mede gegeven de grote onzekerheden die gepaard gaan bij het schatten van kosten van een nieuw stelsel. Een mogelijk kostennadeel van specifiek plattelandsgemeenten wordt in de rapportage niet benoemd. Er kunnen tal van redenen zijn waarom bepaalde categorieën gemeenten (denk aan krimp/groei, stedelijkheid, hoge criminaliteit) hogere of lagere kosten kunnen hebben. Het is nu bij de start van het nieuwe stelsel haast onmogelijk om daar een betrouwbaar beeld van te krijgen. Om die reden zal na drie jaar het functioneren van het nieuwe stelsel worden geëvalueerd. De financiën, en dus ook de verdeling van de middelen, zal daar onderdeel van uitmaken.

(update 17 juni 2021)

4. Worden de incidentele invoeringskosten voor de gemeenten eenmalig uitgekeerd, of worden zij over meerdere jaren toegevoegd aan de meicirculaire?

De incidentele invoeringskosten worden eenmalig uitgekeerd via de meicirculaire 2020. De verdeling van de incidentele invoeringskosten is gebaseerd op het aantal inwoners per gemeente.

Door het uitstel van de nieuwe wet is de implementatie-periode met zes maanden verlengd. Gemeenten maken hierdoor meer invoeringskosten. Daarom krijgen gemeenten dit jaar €9 miljoen extra invoeringsmiddelen ten behoeve van de implementatie van de nieuwe wet. Deze middelen worden eenmalig uitgekeerd in de meicirculaire van 2021.

(update 17 juni 2021)

5. Welke bestedingsvoorwaarden zijn gekoppeld aan het inburgeringsbudget?

Het budget ter financiering van de inburgeringsvoorzieningen zal aan gemeenten worden uitgekeerd door middel van een specifieke uitkering. Omdat aan de besteding van dit budget voorwaarden zijn verbonden, is een specifieke uitkering hiervoor het meest geëigende instrument. Het inburgeringsbudget mag worden besteed aan voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht. Het gaat daarbij in ieder geval om de kosten van de invulling van de leerroutes, maatschappelijke begeleiding, het PVT, de MAP en de inzet van tolken.

De middelen voor uitvoeringskosten worden zonder bestedingsvoorwaarden verstrekt via het gemeentefonds.

6. Vanaf welk jaar geldt de prestatiebekostiging?

Ongeveer 2 of 3 jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering zullen de eerste inburgeraars onder het nieuwe stelsel hun inburgeringstrajecten hebben voltooid. Daarom is ervoor gekozen prestatiebekostiging pas op zijn vroegst definitief in te voeren vanaf het jaar 2026.

In het Besluit inburgering zal, onder voorbehoud van definitieve invoering van prestatiebekostiging, worden geregeld dat de prestaties in een bepaald jaar (gedefinieerd als afgeronde inburgeringstrajecten) zullen meewegen in de verdeling van de middelen van twee jaar later. Bij invoering van prestatiebekostiging in 2026 zou het dus gaan om het aantal afgeronde inburgeringstrajecten in 2024. Dit is een zogenaamde t-2 systematiek die alleen geldt voor het stukje prestatiebekostiging in de verdeling. Voor het overige geldt immers een t-systematiek en dus vaststelling van de uitkering op basis van de werkelijke realisaties in het uitvoeringsjaar.

Het gewicht in de verdeling van de indicator 'afgeronde inburgeringstrajecten' zal t.z.t. worden vastgesteld op 10% van het gewicht van de leerroutes met als doel dat middels prestatiebekostiging circa 10% van het budget voor de leerroutes wordt verdeeld. In het Besluit inburgering zal ook worden geregeld dat de afgeronde inburgeringstrajecten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel meewegen in de verdeling van het budget. Deze worden dan de eerste keer dat de prestaties meewegen bij elkaar opgeteld. Hiermee wordt voorkomen dat resultaten in de beginjaren (2022 en 2023) niet zouden meetellen.

(update 17 juni 2021)

7. Bewegen de uitvoeringskosten (integratie uitkering) mee met de instroom?

Het budget voor uitvoeringskosten (de integratie-uitkering) is onderdeel van het Gemeentefonds en beweegt niet mee met de instroom. Het budget loopt mee met de reguliere accressystematiek van het Gemeentefonds. De reden dat deze kosten in het Gemeentefonds zijn gestopt is dat uitvoeringskosten bij gemeenten voornamelijk kosten voor eigen personeel en materieel betreffen en deze zijn minder afhankelijk van het aantal inburgeringsplichtigen.

In de SPUK zit daarentegen duidelijk verwerkt dat het budget meebeweegt met de instroom.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Financiën

Ontwikkelingen juni 2021

1. Hoe wordt er omgegaan met de structurele uitvoeringskosten die vanaf 2021 verstrekt zijn aan gemeenten nu de wet is uitgesteld?  

Doordat de wet is uitgesteld ontvangen gemeenten pas vanaf 1 januari 2022 uitvoeringskosten. De bedragen die gemeenten vanaf 2022 ontvangen staan in de meicirculaire 2020. Gemeenten ontvangen voor 2021 geen uitvoeringskosten. Deze correctie is opgenomen in de meicirculaire 2021.

(vraag toegevoegd op 17 juni 2021)

2. Zijn de extra middelen voor werken in de geest van de nieuwe Wet bedoeld voor alle inburgeraars die in 2021 instromen of alleen de inburgeraars die per 1 juli 2021 instromen?

De VNG en Divosa moedigen gemeenten aan om per 1 juli 2021 - daar waar mogelijk - in de geest van de nieuwe wet te werken. Dit is conform de Bestuurlijke afspraken die de VNG en SZW op 2 februari 2021 hebben gemaakt. De middelen die hiervoor beschikbaar worden gesteld, worden uitgekeerd via het Gemeentefonds. Hier kan het Rijk geen extra voorwaarden aan stellen. Dat betekent dus dat gemeenten de middelen ook kunnen inzetten voor begeleiding van de gehele instroom van inburgeraars in 2021 en de jaren daarvoor. In aanvulling op de bestaande producten en diensten gaan de VNG en Divosa gemeenten ondersteunen in het werken in de geest van de nieuwe wet. Met praktische handvatten en inspirerende praktijkvoorbeelden laten zij gemeenten zien wat het oplevert om vroegtijdig met een aantal onderdelen van de nieuwe wet te starten. 

(vraag toegevoegd op 17 juni 2021)

3. In hoeverre kunnen gemeenten al leerroutes inkopen als de definitieve SPUK nog niet bekend is? Wanneer komt hier meer duidelijkheid over?

De verdeling van de middelen voor de inburgeringsvoorzieningen (de specifieke uitkering, ofwel de SPUK) wordt in detail uitgewerkt in het Besluit inburgering, dat in de loop van 2021 gepubliceerd zal worden. Vooruitlopend op publicatie van het Besluit inburgering is een eenvoudige rekentool gemaakt, waarmee gemeenten een inschatting kunnen maken van de te verwachten (voorlopige) specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieniningen. Deze rekentool is te downloaden via de website van Divosa. Naar de rekentool (versie april 2021)

Uiterlijk 1 oktober 2021 zal de verdeling van de middelen voor inburgeringsvoorzieningen bekend worden gemaakt en ontvangen gemeenten een beschikking met het gemeentelijk budget voor het jaar 2022.

Er kan nu nog geen duidelijkheid worden gegeven over het aantal inburgeraars in 2022 omdat de huisvestingstaakstelling pas in oktober 2021 bekend wordt gemaakt door het ministerie van JenV.

(vraag toegevoegd op 17 juni 2021)

4. Wanneer is de verdeling bekend van de middelen voor de Ondertussengroep (€ 25,5 miljoen en vanuit kamerbrief april 2021 € 21 miljoen extra) en de manier waarop gemeenten deze kunnen besteden? Zijn gemeenten vrij om dit naar eigen inzicht aan ELIP te besteden?

De verdeling van de middelen voor de ondertussengroep is in de meicirculaire 2021 bekend gemaakt. Aan deze middelen zijn geen bestedingseisen verbonden dus gemeenten zijn vrij om dit naar eigen inzicht te besteden. Over de verdeling van de middelen voor Elip zijn we in gesprek met SZW. De formele bekendmaking zal bij de decembercirculaire plaatsvinden. De verwachting is dat de verdeling van de middelen wel eerder bekend gemaakt kan worden.

(vraag toegevoegd op 17 juni 2021)

5. Wat gebeurt er bij een plotselinge verhoging van de asielinstroom? Moeten gemeenten dan voorfinancieren?

Bij een plotselinge verhoging van de asielinstroom die zo groot is dat niet redelijkerwijs verwacht mag worden dat gemeenten deze voorfinancieren, kan SZW na overleg met de VNG overgaan tot het verlenen van extra voorschotten.

(vraag toegevoegd op 17 juni 2021)

6. Hoe zit het met de kosten voor informatievoorziening?

Er lopen gesprekken over de middelen die gemeenten hiervoor krijgen. Deze zijn nog niet meegenomen in eerdere bestuurlijke afspraken. Het zal in eerste instantie gaan om de middelen voor plateau 1 van de IV planning en daarna over de andere plateaus.

(vraag toegevoegd op 17 juni 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Financiën

Kosten voorzieningen (via SPUK)

1. Het nieuwe stelsel onderscheidt drie leerroutes. Welke middelen krijgen gemeenten beschikbaar per route?

Gemiddeld ontvangt de gemeente per inburgeringsplichtige een bedrag van € 10.000,- voor de leerroute (exclusief examens, MAP, MB etc.). Dit is dus geen normbedrag, maar een gemiddelde voor de drie leerroutes. Per leerroute en per inburgeraar kunnen de daadwerkelijke kosten verschillen. De gemeenten ontvangen op basis van de Wet inburgering 2021 een totaalbudget voor het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen, waaronder de leerroutes. Zij kopen daarvoor inburgeringstrajecten in en bepalen daarmee voor welk bedrag de opdracht voor elk van de leerroutes in de markt wordt gezet.

In het nieuwe stelsel bestaan drie leerroutes, namelijk: de B1-route, de Onderwijsroute en de Z-route. Voor alle leerroutes is rekening gehouden met een vergoeding van € 10.000 per traject (raming). Door gebruik te maken van een gemiddelde trajectprijs wordt de bekostiging voor gemeenten versimpeld.

De schattingen voor de verdeling van de leerroutes zijn als volgt:

  • B1-route: 60% 
  • Onderwijsroute: 25%
  • Z-route: 15%

(update 17 juni 2021)

2. Hoe zijn de budgetten voor uitvoeringskosten (gemeentefonds) en voor inburgeringsvoorzieningen (SPUK), opgebouwd?

Het beschikbare budget voor uitvoeringskosten (1) is in totaal ca. € 67 mln. Bij de raming van het budget voor uitvoeringskosten zijn de volgende onderdelen meegenomen:

• brede intake en PIP
• voortgangsgesprekken (casemanagement)
• handhaving
• ontzorgen, incl. begeleiding naar financiële zelfredzaamheid
• inkoop
• beleid en ondersteunende processen

Bij de raming van het budget voor inburgeringsvoorzieningen (1) is onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende voorzieningen. De bedragen in onderstaande tabel zijn nadrukkelijk niet normstellend bedoeld t.b.v. de inkoop van de inburgeringsvoorzieningen. Gemeenten mogen deze middelen binnen de gestelde bestedingseisen vrij besteden. De specifieke uitkering wordt jaarlijks geïndexeerd. De actuele bedragen per inburgeringsplichtige zullen worden vastgesteld in lagere regelgeving. Hieronder staan de oorspronkelijke bedragen zonder indexering.

 

  Asielmigranten Gezins- en overige migranten
1. Leerroutes €10.000 -
2. MAP €136 (2) €195 (2)
3. Maatschappelijke begeleiding €1.944 -
4. PVT €216 €216
5. Tolkvoorziening €417 €179
Totaal €12.712 €589

(1) Dit budget is exclusief btw. Wanneer een gemeente uitgaven doet waar compensabele btw op van toepassing is dan kan dit worden gedeclareerd bij het btw-compensatiefonds.
(2) Er wordt gerekend met een bedrag van € 226 voor een MAP-traject. Voor MAP is er alleen een aparte vergoeding voor asielmigranten in de B1-route en gezinsmigranten in de B1-route of de Z-route. Om die reden is het gemiddelde bedrag lager dan de € 226.

(update 17 juni 2021)

3. In de Memorie van Toelichting wordt het budget voor maatschappelijke begeleiding en PVT genoemd als één budget, mag ik deze onderdelen ook los organiseren?

Het budget voor maatschappelijke begeleiding en PVT is onderdeel van één totale specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieningen. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of onderdelen los of gezamenlijk worden georganiseerd en hoeveel geld er aan elk onderdeel wordt uitgegeven.

(vraag toegevoegd 17 juni 2021)

4. Op basis van welke gegevens wordt het budget voor de inburgeringsvoorzieningen bijgesteld?

Het voorlopige budget ter financiering van de inburgeringsvoorzieningen (de specifieke uitkering) wordt jaarlijks bijgesteld aan de hand van actuele volumeprognoses. Hiervoor wordt de huisvestingstaakstelling van het ministerie van J&V gebruikt vermenigvuldigd met een factor (nu vastgesteld op 70%) omdat niet iedereen die valt onder de huisvestingstaakstelling ook inburgeringsplichtig is. Na afloop van ieder uitvoeringsjaar wordt het budget definitief vastgesteld op basis van het werkelijke aantal inburgeringsplichtigen in iedere gemeente. Er vindt dan een verrekening van het budget plaats. Zo wordt aangesloten bij de werkelijke inburgeringsopgave per gemeente.

5. Worden de budgetten geïndexeerd?

Het budget voor de inburgeringsvoorzieningen wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de loonontwikkeling bij gemeenten en de prijsontwikkeling van consumptieve overheidsuitgaven.

De integratie-uitkering uitvoeringskosten inburgering wordt geïndexeerd via de reguliere accressystematiek van het gemeentefonds. Dat betekent concreet dat deze uitkering meetelt in de grondslag van de berekening van het accres. Maar ook dat het totale accres wordt toegekend aan de algemene uitkering en dus niet aan afzonderlijke decentralisatie- en integratie-uitkeringen.

6. Moeten de medewerkers die uitvoering geven aan de verschillende onderdelen ook uit de specifieke uitkering worden betaald?

Uit de specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieningen hoeven enkel de kosten van de trajecten te worden betaald, zoals bijvoorbeeld de kosten van een taalcursus of een MAP-traject. Wanneer de gemeente deze trajecten niet inkoopt, maar zelf organiseert, dan kunnen deze ook worden bekostigd uit de SPUK. De kosten voor de medewerkers die het inburgeringsbeleid maken en de trajecten inkopen vallen onder de uitvoeringskosten waarvoor budget beschikbaar is in de Gemeentefondsuitkering.

7. Wanneer komt meer duidelijkheid over de verdeling van de SPUK? En kan er ook meer duidelijkheid worden gegeven over te verwachten aantallen inburgeraars?

De verdeling van de middelen voor de inburgeringsvoorzieningen (de specifieke uitkering, ofwel de SPUK) wordt in detail uitgewerkt in het Besluit inburgering, dat in de loop van 2021 gepubliceerd zal worden. Vooruitlopend op publicatie van het Besluit inburgering is een eenvoudige rekentool gemaakt, waarmee gemeenten een inschatting kunnen maken van de te verwachten (voorlopige) specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieniningen. Deze rekentool is te downloaden via de website van Divosa. Naar de rekentool (versie april 2021)

Uiterlijk 1 oktober 2021 zal de verdeling van de middelen voor inburgeringsvoorzieningen bekend worden gemaakt en ontvangen gemeenten een beschikking met het gemeentelijk budget voor het jaar 2022.

Er kan nu nog geen duidelijkheid worden gegeven over het aantal inburgeraars in 2022 omdat de huisvestingstaakstelling pas in oktober 2021 bekend wordt gemaakt door het ministerie van JenV. 

(update 3 mei 2021)

8. Wordt de SPUK verdeeld op basis van realisatie gehuisveste asielstatushouders? Is dat niet nadelig voor gemeenten die voorop lopen bij het voldoen aan de huisvestingstaakstelling?

Gemeenten worden gefinancierd op basis van het aantal statushouders onder de nieuwe Wet inburgering. Daarmee loopt de financiering in de pas met de financiële opgave in het nieuwe stelsel. In de overgangsfase van het huidige naar het nieuwe stelsel kunnen er ook na 1 januari 2022 nog asielstatushouders in gemeenten gehuisvest worden die inburgeringsplichtig zijn onder het huidige stelsel. Het is niet zo dat gemeenten die achterlopen met de huisvestingstaakstelling voor dergelijke gevallen de financiering ontvangen die hoort bij het nieuwe stelsel. Er is dan ook geen sprake van nadeel voor gemeenten die voorop lopen bij het voldoen aan de huisvestingstaakstelling.

(update 17 juni 2021)

9. Is bij de SPUK inkoop een bestedingsvereiste? Kunnen subsidies aan derden ten laste worden gebracht van de SPUK?

Het is niet onmogelijk om subsidies aan derden ten laste te brengen van de SPUK. Van belang daarbij is dat uitsluitend de kosten van (inburgerings)voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht, ten laste kunnen worden gebracht van het inburgeringsbudget. De gemeente dient zich aan het Rijk te kunnen verantwoorden over de rechtmatige besteding van het inburgeringsbudget. Om die reden zal de gemeente ook afspraken moeten maken met die derden over de verantwoording van de besteding aan de gemeente.

Als u een subsidie wilt inzetten dient u goed te onderzoeken of dit, gezien de aard van de opdrachtverlening ook mogelijk is en of u niet moet kiezen voor een overheidsopdracht (aanbesteden). Uiteraard moet u werken binnen de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en moet u rekening houden met staatssteunregels en de Awb-regels. Ook moet u rekening houden met uw eigen gemeentelijke subsidieverordening en moet u beoordelen of deze verordening een dergelijke subsidieverlening door het college toestaat.

Overheidssubsidies kunnen op vele manieren worden vormgegeven en/of verleend. Daarom is het moeilijk om een algemene uitspraak te doen over het feit of een (in principe bestuursrechtelijke) subsidie zo is ingericht dat deze meer neigt richting een opdracht (inclusief het privaatrechtelijke karakter daarvan). De uiteindelijke beslissing of een (financiële) transactie/handeling door de overheid zich kwalificeert als een opdracht of subsidie ligt dan ook altijd bij de betreffende overheid.

Voor het organiseren van inburgeringsvoorzieningen lijkt een subsidie in veel gevallen geen geschikt instrument. Subsidie is een geschikt instrument om de uitvoering van activiteiten te stimuleren, maar geen geschikt instrument om afdwingbare resultaatsafspraken te maken. In het nieuwe inburgeringsstelsel heeft u als gemeente een aanbodplicht. Als u ervoor kiest om het aanbod via een subsidie te organiseren en de aanbieder levert onverhoopt niet, dan kan u de levering niet in rechte afdwingen. U kunt alleen de subsidie lager of op nihil vaststellen en betaalde voorschotten terugvorderen. De prestatie zelf (de levering) kan niet bij de rechter worden afgedwongen. Een overheidsopdracht (aanbesteden) zorgt daarentegen wel voor afdwingbare resultaatsverplichtingen. Daarom lijkt een overheidsopdracht meer voor de hand te liggen om het (inburgerings)aanbod te organiseren dan een subsidie.

Het is wel mogelijk om een uitvoeringsovereenkomst aan een subsidieverlening te verbinden[1], zolang hierdoor geen wederzijds afdwingbare verplichting ontstaat. In deze uitvoeringsovereenkomst kunt u verplichtingen op­nemen voor de subsidieontvanger. Let op: als in een uitvoeringsovereenkomst bij een subsidie wederzijds afdwingbare verplichtingen worden opgenomen, dan kan er (alsnog) sprake zijn van een overheidsopdracht die aanbesteed zou moeten worden.  

[1] Op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht.

10. Welke gemeente ontvangt het budget voor inburgeringsvoorzieningen (SPUK) bij een verhuizing?

Ter inleiding op het antwoord is relevant dat gemeenten het volledige budget voor een gezins- en overige migrant in 1 keer ontvangen, in het eerste jaar van huisvesting. Gemeenten ontvangen het budget voor asielstatushouders verspreid over 3 jaren. Dat betekent dat gemeenten een deel van het budget ontvangen in het eerste jaar, een deel in het tweede jaar en een klein restant in het derde jaar. Zie voor de systematiek ook de rekentool (versie april 2021)

Bij een verhuizing wordt de nieuwe gemeente verantwoordelijk voor het inburgeringstraject van de inburgeringsplichtige. De leerroute die de eerdere gemeente heeft vastgesteld, wordt door de nieuwe gemeente overgenomen. Het budget voor het jaar waarin de verhuizing plaatsvindt gaat naar de nieuwe gemeente. De budgetten worden namelijk uitgekeerd aan de gemeente waar de statushouder aan het einde van het jaar (op 31 december) woonachtig is.

Als een verhuizing van een asielstatushouder bijvoorbeeld plaatsvindt in het tweede jaar dan ontvangt de nieuwe gemeente het budget voor het tweede en derde jaar. Het budget voor het eerste jaar wordt verstrekt aan de oude gemeente omdat de asielstatushouder aan het einde van dat jaar nog in de oude gemeente woonde.

(update 3 mei 2021)

11. Is er rekening gehouden met de btw als het gaat om de middelen voor voorzieningen?

De specifieke uitkering voor inburgeringsvoorzieningen die gemeenten ontvangen is exclusief btw. Wanneer een gemeente btw betaalt over de inkoop van inburgeringsvoorzieningen dan kan deze, onder bepaalde voorwaarden, worden gedeclareerd bij het btw-compensatiefonds. Zie ook vraag 5 onder ‘Overige vragen financiën’.

(vraag toegevoegd 17 juni 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Financiën

Verantwoording

1. Wat verantwoorden gemeenten via SiSa?

Gemeenten dienen zich via de SiSa-bijlage aan het Rijk te verantwoorden over de lasten van inburgeringsvoorzieningen waarvoor zij budget hebben ontvangen via de Specifieke Uitkering Inburgering. Gemeenten verantwoorden zich over de totale bestedingen en de totale baten, een nadere specificatie naar uitkeringsvoorzieningen is niet nodig. De verantwoording via SiSa wordt gebruikt voor de eindafrekening waaronder de terugvordering van eventuele onrechtmatige bestedingen. De verantwoording speelt geen rol bij de verdeling van de beschikbare middelen voor inburgeringsvoorzieningen.

2. Hoe werkt de reserveringsregeling en het doorschuiven van (de uitkering overstijgende) lasten? En wat dit betekent dit voor de verantwoording van bestedingen en baten (via SiSa)?

Indien de gemeente in een kalenderjaar het voor dat jaar toegekende inburgeringsbudget niet volledig heeft besteed aan inburgeringsvoorzieningen, kan de gemeente het niet bestede bedrag tot maximaal 100% van het voor dat jaar toegekende inburgeringsbudget reserveren voor besteding aan inburgeringsvoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar. Een overschot op het inburgeringsbudget (dit kan opgebouwd zijn over 1 of meerdere jaren) wordt pas van de gemeente teruggevorderd, indien en voorzover dat overschot meer bedraagt dan 100% van het toegekende inburgeringsbudget. Hiertoe houdt SZW een administratie bij van de overschotten.

Andersom, kunnen gemeenten ook meer uitgeven dan het voor dat jaar toegekende inburgeringsbudget. Hiermee kunnen gemeenten als het ware een (administratief) voorschot nemen op het voor het volgende jaar toe te kennen inburgeringsbudget. In deze gevallen brengt SZW de bestedingen die het voor dat jaar toegekende inburgeringsbudget overstijgen administratief ten laste van het inburgeringsbudget voor het daarop volgende jaar.

Zowel het gebruik van de reserveringsregeling als het doorschuiven van de lasten hebben geen invloed op de wijze waarop gemeenten zich via de SiSa-bijlage aan het Rijk moeten verantwoorden. Gemeenten blijven zich gewoon over de totale bestedingen en baten in het betreffende kalenderjaar verantwoorden. De beide regelingen worden door SZW toegepast en bieden gemeenten zo flexibiliteit bij de besteding van het inburgeringsbudget.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Financiën

Overige vragen financiën

1. Moeten gemeenten geld bijleggen uit de Participatiewet?

Er hoeft geen budget van de Participatiewet gebruikt worden voor de inburgering. Gemeenten kunnen zelf wel die keuze maken. Op het moment dat er budget vanuit de Participatiewet wordt ingezet (bijvoorbeeld in het kader van re-integratie) kunnen deze uren ook meetellen voor de urenverplichting in de Z-route.

De ambitie van de wet is om taal en participatie te verbinden en daar waar mogelijk duale trajecten op te zetten. Dit voorkomt dat activiteiten op verschillende leefgebieden niet geïsoleerd worden opgepakt. Te denken valt aan de inzet op of opzet van duale trajecten waarin tegelijkertijd wordt gewerkt aan taal, participatie en/of financiële zelfredzaamheid. Veel van de trajecten die gemeenten nu al in huis hebben en die beproefd zijn in de lokale context (bijvoorbeeld: participatietrajecten, jongeren coaching, trajecten ter bevordering van de financiële zelfredzaamheid) kunnen gebruikt worden om het inburgeringsaanbod rijker te maken.

(update 17 juni 2021)

2. Komt er een evaluatie over de financiën?

Onderdeel van de bestuurlijke afspraken die SZW en VNG met elkaar hebben gemaakt, is dat er drie jaar na inwerkingtreding van de wet een evaluatie naar de betaalbaarheid van het stelsel plaatsvindt. 

3. Hoe worden reiskosten naar inburgeringslocaties vergoed? 

Het inburgeringsbeleid moet worden bezien in het bredere geheel van overheidsbeleid. Zo beschikken gemeenten over instrumenten waarmee ze reiskosten, en bijvoorbeeld ook kosten voor kinderopvang, kunnen vergoeden wanneer dat echt nodig is. Het is daarmee niet nodig om binnen het inburgeringsdomein een extra voorziening te treffen. 

4. Wanneer de gemeente een combinatietraject wil opzetten bestaande uit inburgering en entreeonderwijs, kan de entreeopleiding dan bekostigd worden vanuit de studiefinanciering en de inburgering uit de inburgeringsmiddelen? 

Ja, het is mogelijk om de inzet vanuit verschillende financiële voorzieningen te combineren. Uiteraard onder de daarvoor geldende voorwaarden, onder meer wat betreft de verantwoording over de rechtmatige besteding. Geldstromen dienen gescheiden te blijven en ieder budget vraagt een eigen administratie. Het inburgeringsbudget kan alleen worden aangewend ten behoeve van het inburgeringtraject van inburgeringsplichtigen. Daarnaast gelden voor inburgeringsplichtigen dezelfde voorwaarden als voor niet-inburgeraars om een beroep te kunnen doen op studiefinanciering. Wie na zijn 30-ste instroomt in het onderwijs, komt niet in aanmerking voor studiefinanciering. 

5. Hoe zit het met de hoogte van het inburgeringsbudget in relatie tot het btw-compensatiefonds? 

Zowel de specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieningen als het inburgeringsbudget in het gemeentefonds zijn exclusief btw. Dat wil zeggen dat wanneer gemeenten btw betalen bij bijvoorbeeld de inkoop van voorzieningen of bij het extern inhuren van personeel, deze gedeclareerd kan worden bij het btw-compensatiefonds (BCF). Of een gemeente btw betaalt over haar uitgaven is afhankelijk van of een taak extern wordt ingekocht en zo ja, bij wat voor type organisatie dit gebeurt. Gemeenten hebben binnen de kaders van de Wet inburgering de vrijheid om te bepalen hoe het inburgeringsbudget wordt besteed en of taken al dan niet worden uitbesteed, al naar gelang de lokale context.

Bij nieuwe geldstromen naar gemeenten wordt een deel van het totale budget afgestort in het btw-compensatiefonds. Zo ook bij de middelen voor de nieuwe inburgeringswet. Vooraf is uiteraard nooit met zekerheid te zeggen hoeveel compensabele btw gemeenten precies zullen claimen bij het BCF. In de praktijk betekent dit daarom dat vooraf, in afstemming met SZW, VNG en de fondsbeheerders, een zo goed mogelijke inschatting wordt gemaakt van de hoeveelheid compensabele btw waar sprake van zal zijn bij de betreffende uitkering. Indien er in een gegeven jaar op totaalniveau minder uit het BCF wordt geclaimd dan er in het fonds zit, zal het overschot in het Gemeente- en Provinciefonds worden gestort. Andersom wordt een tekort in het BCF juist uit de fondsen gevorderd. Op die manier zijn het BCF en het Gemeente- en Provinciefonds communicerende vaten.

Het BCF is bedoeld om btw weg te nemen als factor in de afweging van gemeenten (en provincies) tussen uitbesteden en inbesteden. Wanneer een gemeente een product of dienst inkoopt dan is de btw die daarbij betaald wordt onder bepaalde voorwaarden compensabel. Als er sprake is van compensabele btw dan kan de gemeente deze terugvragen bij het BCF. Het is daarbij niet van belang of het product of de dienst wordt bekostigd uit het Gemeentefonds of uit de specifieke uitkering. 

(update 17 juni 2021)

 

Wet inburgering in vraag en antwoord

Inkoop

1. Waar moeten we op letten wat betreft kwaliteitseisen bij de inkoop, bijvoorbeeld bij de onderwijsroute?

Op pagina 18 t/m 20 van de handreiking Van beleid naar inkoop zijn voorbeelden te vinden van mogelijke kwaliteitscriteria.

Voor de onderwijsroute geldt specifiek dat de eis aan het aanbod wordt gesteld dat de aanbieders van deze trajecten diploma-erkenning moeten aanvragen en verkrijgen.

2. Hoe komt een gemeente tot een goede raming van het aantal inburgeringsplichtigen? Op basis van welke bronnen en op welke datum?

Om te komen tot een goede raming op gemeenteniveau is het handig om twee groepen te onderscheiden:  1) inburgeringsplichtige asielstatushouders en 2) inburgeringsplichtige gezins- en overige migranten.  

  1. Voor het vormgeven van de leerroute en de maatschappelijke begeleiding is het voldoende om te kijken naar het aantal inburgeringsplichtige asielstatushouders. Gemeenten hebben immers enkel voor de asielstatushouders een aanbodplicht van de leerroute en maatschappelijke begeleiding. Gezins- en overige migranten zijn zelf verantwoordelijk voor de inkoop en bekostiging van diens leerroute. Voor het aantal asielstatushouders kan de gemeente zich baseren op de huisvestingstaakstelling. Deze is per gemeente beschikbaar en geeft een duidelijke verwachting voor het aantal asielstatushouders. NB: Alleen asielstatushouders van 18 jaar tot het bereiken van de wettelijke AOW-leeftijd zijn inburgeringsplichtig. Landelijk is circa 70% van de asielstatushouders inburgeringsplichtig, maar per gemeente kan dit verschillen.
  2. Voor de overige inburgeringsonderdelen – het participatieverklaringstraject (PVT) en de Module Arbeidsmarkt & Participatie (MAP) – moet de gemeente een aanbod doen aan zowel de asielstatushouders als de gezins- en overige migranten. Dit vraagt daarom een andere volumeraming. Hierbij is het van belang dat de gemeente er rekening mee houdt dat inburgeringsplichtigen die de Onderwijsroute volgen worden vrijgesteld van de MAP. Zij hoeven de MAP voor die deelnemers dan ook niet in te kopen. Voor het aantal gezins- en overige migranten is het maken van een volumeraming minder makkelijk. Dit komt doordat gezins- en overige migranten niet evenredig of centraal worden gehuisvest in Nederland. De vestiging van gezinsmigranten hangt af van de locatie van de partner. Gemeenten kunnen zich een beeld vormen van de mogelijke instroom in hun gemeente door te kijken naar de historische instroom van gezinsmigranten en overige migranten.

De jaarlijkse instroom van inburgeringsplichtige asielstatushouders, gezins- en overige migranten per gemeente sinds 2013 is te vinden op de website van DUO. Download hier een rapport met de historische situatie per gemeente. Daarnaast laat het Portal Inburgering (PIB) van DUO inzien hoeveel personen in een gemeente sinds 1 oktober 2017 het Participatieverklaringstraject (PVT) hebben moeten volgen. Ook dit geeft een indicatie van het aantal inburgeringsplichtige asielstatushouders, gezins- en overige migranten in een gemeente.

3. Wat zijn de gevolgen van het uitstel van de inwerkingtreding van de nieuwe wet voor inkoop en aanbesteding?

Vragen en antwoorden over de gevolgen van het uitstel van de inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering voor inkoop en aanbesteding zijn verzameld in het hoofdstuk Uitstel van inwerkingtreding.

4. Welk inkoopinstrument ligt het meest voor de hand bij de inkoop van inburgeringstrajecten?

Het realiseren van aanbod vergt maatwerk, en de keuze voor het inkoopinstrument is dan ook afhankelijk van meerdere factoren, zoals bijv. het beleidskader van de gemeente, het traject dat de gemeente wil inkopen en de beschikbare aanbieders in de regio. De keuze voor het meest passende inkoopinstrument ligt bij de gemeente. In de handreiking Van beleid naar inkoop wordt stilgestaan bij de kenmerken van de verschillende instrumenten en worden voorbeelden gegeven.

5. Taalschakelaanbieders kunnen pas formeel diploma-erkenning aanvragen en verkrijgen vanaf het moment dat de Wet inburgering in werking treedt, maar gemeenten starten al eerder hun aanbestedingsprocedures voor de onderwijsroute. Hoe kunnen zij hiermee omgaan?

De beoogde datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021 is op 1 januari 2022, maar gemeenten zullen vóór die datum hun aanbestedingsprocedure willen starten. In overleg met DUO en de Inspectie van het Onderwijs is besloten dat DUO reeds voor die datum aanvragen voor diploma-erkenning informeel in behandeling zal nemen en de aanvragers laat weten of zij een positieve of negatieve beschikking kunnen verwachten. Op die manier hebben potentiële taalschakelaanbieders en gemeenten al voor inwerkingtreding van de wet de benodigde duidelijkheid. De formele beschikkingen zullen vervolgens na inwerkingtreding worden afgegeven. Bij positieve beschikkingen worden de opleidingen uiteindelijk ook opgenomen in het Registratie Instellingen en Opleidingen (RIO).

Indien de aanbestedingsprocedure reeds is afgerond, voordat de informele behandeling door DUO uitsluitsel heeft geboden over de eventuele diploma-erkenning, zijn er ook praktische oplossingen denkbaar. In de overeenkomst tussen gemeente en beoogde taalschakelaanbieder kan het verkrijgen en overleggen van de diploma-erkenning als voorwaarde worden gesteld. Ook kan een wachtkamerovereenkomst worden afgesloten met de nummer 2 voor het geval het de gegunde partij niet lukt de diploma-erkenning te krijgen.

(update 9 februari 2021)

6. Is bij de duur van de aanbesteding voor inburgeringstrajecten rekening gehouden met het feit dat trajecten pas later kunnen starten vanwege huisvesting en opstellen van het PIP?

Het klopt dat voor asielstatushouders geldt dat zij vaak nog een periode bij het COA verblijven en het PIP moet worden opgesteld. Trajecten zullen in veel gevallen dus niet direct op de beoogde datum van inwerkingtreding 1 januari 2022 starten. Desalniettemin is het verstandig om rekening te houden met een duur van circa 8 tot 10 maanden voor een aanbesteding, zoals in de handreiking is toegelicht. De gemeente creëert op deze manier ruimte gedurende het inkoopproces om eventuele vertraging op te kunnen vangen, zodat in alle gevallen tijdig in een aanbod kan worden voorzien voor de inburgeringsplichtige.

(vraag toegevoegd op 3 december 2020)

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Inkoop

Regionale samenwerking

1. Kun je ook buiten de arbeidsmarktregio om regionaal inkopen? Mag je ook kiezen voor andere samenwerkingspartners?

Het relatief beperkte aantal inburgeraars en de noodzakelijke diversiteit van het te realiseren aanbod, betekent voor gemeenten met een kleine groep inburgeringsplichtigen een relatief groot beslag op expertise en (specialistische) capaciteit. Gemeentelijke samenwerking ligt, zeker voor kleinere gemeenten, daarom voor de hand en is wellicht zelfs noodzakelijk om de asielgerechtigde inburgeringsplichtigen tijdig een op het PIP toegesneden aanbod te doen. Gemeentelijke samenwerking kan ook leiden tot lagere uitvoeringskosten, lagere kosten voor inkoop en meer mogelijkheden voor het organiseren van een passend aanbod.

Het staat gemeenten dan ook zeker vrij om met andere gemeenten gezamenlijk in te kopen. Gemeenten kunnen daarbij overwegen om samen te werken met gemeenten waarmee zij op andere (aanpalende) beleidsterreinen reeds samenwerken, zoals bijvoorbeeld het sociaal domein of de WEB.

2. Hoe zit het met de regionale samenwerking en de aanwijzingsbevoegdheid van de minister?

Regionale samenwerking wordt vanuit SZW gestimuleerd. Immers, gemeentelijke samenwerking kan leiden tot lagere uitvoeringskosten, lagere kosten voor inkoop en meer mogelijkheden voor het regelen van passend inburgeringsaanbod. De minister heeft geen aanwijzingsbevoegdheid om regionale samenwerking te verplichten. Maar in het uiterste geval – wanneer er in een gemeente geen inburgeringsaanbod van de grond komt en de belangen van inburgeringsplichtigen in die gemeente in het gedrang komen – kan de minister op grond van de Gemeentewet overgaan tot ‘indeplaatsstelling’. Dat  betekent dat de minister in dat geval de benodigde maatregelen kan nemen om ervoor te zorgen dat het inburgeringsaanbod alsnog tot stand komt.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Inkoop

Onderwijsroute

Q&A onderwijsroute naar aanleiding van Bestuurlijk Overleg op 8 november 2021

Tijdens het bestuurlijk overleg van 8 november 2021 zijn partijen tot overeenstemming gekomen over de oplossing voor de korte en lange termijn. Voor de korte termijn ontvangen centrumgemeenten van arbeidsmarktregio’s extra budget in 2022 en 2023 om er op regionaal niveau voor te zorgen dat het aanbod voor de onderwijsroute tot stand komt. Voor de lange termijn geldt dat binnen afzienbare tijd, maar uiterlijk voorjaar 2022, duidelijkheid komt over hoe het meerjarige budgettaire kader van de onderwijsroute eruitziet, zodat de continuïteit van de onderwijsroute geborgd is.

Partijen hebben tijdens het BO eveneens afgesproken nadere afspraken te maken over mogelijke ondersteuning richting aanbieders en gemeenten. Deze Q&A maken onderdeel uit van deze ondersteuning.

In de Q&A zijn in vier blokken de meest gestelde vragen beantwoord. Dit document zal gelet op de ontwikkelingen en mogelijk nieuwe vragen worden bijgehouden. Daar waar er nog informatie ontbreekt, is dat aangegeven met ‘PM’.

  • Blok 1: Vragen over inkoop van de onderwijsroute
  • Blok 2: Vragen over de groep jongeren die op korte termijn inburgeringsplichtig worden onder de nieuwe Wet inburgering 2021
  • Blok 3: Vragen over de overgangsfase totdat de onderwijsroute gerealiseerd is
  • Blok 4: Overige vragen

Lees ook het nieuwsbericht op divosa.nl

 

Download de Q&A onderwijsroute (pdf, 245 kB | versie 16 november 2021)

1. Kan er in het kader van de onderwijsroute voor toeleiding naar wo en hbo op individuele offertebasis ingekocht worden? Zo ja onder welke voorwaarden?

Afhankelijk van het inkoopbeleid van de gemeente kun je ervoor kiezen om de onderwijsroute voor toeleiding naar wo en hbo enkelvoudig onderhands aan te besteden. Dit is afhankelijk van de grenswaarde die is vastgelegd in het eigen inkoopbeleid van de gemeente.

Voor wat betreft het inkopen van de onderwijsroute geldt natuurlijk wel dat het hier gaat om taal (B1 of hoger), KNM in combinatie met ook andere vakken en vaardigheden, zoals rekenen, Engels, en leervaardigheden en vaardigheden voor opleidings- en beroepskeuze.

2. Kun je de inkoop van de onderwijsroute opsplitsen in verschillende typen trajecten (bijv. mbo en hbo+) en bij verschillende aanbieders inkopen (bijv. in het kader van samenwerking met andere gemeenten bij lage aantallen)?

Ja, dat is mogelijk. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een onderwijsroute die is gericht op instroom in het mbo in te kopen bij een mbo-instelling en een onderwijsroute gericht op het ho bij een hogeschool of universiteit.

Zet bij het inkopen van de onderwijsroute in op meerjarige aanbestedingen en zoek samenwerking met andere gemeenten. Het ontwikkelen van een passend en dekkend aanbod van taalschakeltrajecten vraagt stabiele samenwerking op diverse niveaus en langdurige relaties met aanbieders in de regio. Zo kunnen kwaliteit, herkenbaarheid en continuïteit van taalschakeltrajecten geleverd worden.

(update 23 november 2021)

3. Mag je de onderwijsroute inkopen bij een publieke instelling?

Ja, dat is mogelijk. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een taalschakeltraject gericht op instroom in het mbo in te kopen bij een mbo-instelling en een taalschakeltraject gericht op het ho bij een hogeschool of universiteit. Het aanbieden van taalschakeltrajecten is een marktactiviteit. Dat betekent dat zowel publieke als private instellingen deze mogen aanbieden. In het geval van publieke instellingen gaat het dan om een private activiteit die zij aanbieden. Aanbieders van taalschakeltrajecten moeten diploma-erkenning voor deze trajecten aanvragen en verkrijgen, waardoor de Inspectie van het onderwijs het toezicht op de kwaliteit van deze trajecten kan uitvoeren.

(update 23 november 2021)

4. Is in de nieuwe wet expliciet ruimte gehouden voor het inbesteden van het aanbieden van inburgeringsonderwijs door gemeentes en zo ja, waarom?

Ja, de wet biedt ruimte aan gemeenten om het inburgeringsonderwijs in eigen beheer uit te voeren (inbesteden). Hierbij geldt dat de organisatie (niet de persoon) die de taalcomponent van het inburgeringsaanbod verzorgt in het bezit moet zijn van het Blik op Werk keurmerk of een gelijkwaardig keurmerk.

Als u als gemeente het taalaanbod in eigen beheer zou willen aanbieden, heeft u de volgende mogelijkheden:

  1. Quasi-inbesteden: voor de uitvoering van de taalcomponent richt u een uitvoeringsorganisatie als apart van de gemeente staande juridische entiteit op, die het Blik op Werk (BoW) keurmerk of een gelijkwaardig keurmerk aanvraagt.
  2. Inbesteden: u belegt de uitvoering van de taalcomponent bij een duidelijk afgebakende afdeling van de gemeente, die zodanig is ingericht dat deze controleerbaar is op de Blik op Werk normen. De afdeling kan daarmee het BoW keurmerk of een gelijkwaardig keurmerk verkrijgen.

5. Voor (kleine) gemeenten met weinig asielstatushouders in de onderwijsroute is het belangrijk dat ze ook de mogelijkheid van onderhandse gunning goed kennen en kunnen toepassen. Is dit gebonden aan de zogeheten in-houseregeling?

Gemeenten kunnen gebruikmaken van de (enkelvoudige of meervoudige) onderhandse procedure als de totale geraamde waarde van de opdracht lager is dan de Europese drempelbedragen en als de inkooprichtlijnen van de eigen organisatie dit toestaan. Voor sociale en andere specifieke diensten (SAS-diensten) geldt een Europese drempelwaarde van € 750.000. Onder SAS-diensten vallen bijvoorbeeld diensten op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, administratiediensten voor onderwijs en enkele juridisch diensten. Raadpleeg voor meer informatie over onderhandse procedures de website van PIANOo

Vormen van inbesteden voor het verwerven van diensten liggen minder voor de hand voor de onderwijsroute:

  • Als de gemeente bepaalde diensten in eigen beheer wil uitvoeren kan de gemeente deze inbesteden. De diensten worden dan uitgevoerd door de eigen gemeentelijke organisatie. Inbesteden is alleen mogelijk als de voorziening een eigen gemeentelijke dienst is. Deze aanbestedingsvorm is dus niet te gebruiken voor het organiseren van de onderwijsroute.
  • Daarnaast is er de mogelijkheid van quasi inbesteden (quasi-in house). Een gemeente kan onder bijzondere omstandigheden opdrachten direct, zonder toepassing van de Europese aanbestedingsregels, gunnen aan rechtspersonen die geen deel uitmaken van de gemeente, maar waarbij wel een mate van controle bestaat die lijkt op die van gemeentelijke diensten. Voorwaarde voor quasi-in house is dat de rechtspersonen waaraan de gemeente gunt een zodanige relatie hebben met de gemeente dat ze beschouwd kunnen worden als gemeentelijke dienst, ook al zijn ze dat formeel niet. Die relatie moet de volgende kenmerken hebben:
  1. de gemeente oefent toezicht uit op de rechtspersoon alsof het een eigen gemeentelijke dienst betreft;
  2. de rechtspersoon oefent het merendeel van zijn werkzaamheden uit ten behoeve van de gemeente.

Quasi inbesteden lijkt dus geen geschikte procedure om de onderwijsroute aan te bieden, omdat de bovengenoemde kenmerken niet van toepassing zijn op de relatie tussen de gemeente en de mogelijke uitvoerders van de onderwijsroute.

Tot slot kan de gemeente aan een organisatie die zelf ook een aanbestedende dienst is, een exclusief recht verlenen om bepaalde diensten aan de gemeente te leveren. Dit kan alleen als wordt voldaan aan een aantal strikte voorwaarden. De belangrijkste zijn dat het alleenrecht:

  • bij wettelijke of bestuurlijke bepaling is gevestigd;
  • verenigbaar moet zijn met de beginselen uit het EG-verdrag, met name transparantie, non-discriminatie en objectiviteit;
  • alleen verleend is voor de betreffende activiteit.

Verder moet de gemeente er goed op letten, dat de ontvangende dienst van het alleenrecht over de tijd nog wel een aanbestedende dienst blijft en niet langzaam verandert in een marktpartij. We raden gemeenten aan om gedegen juridisch advies in te winnen voordat de opdrachtverlening door middel van het toekennen van een alleenrecht wordt toegepast. Het toekennen van alleenrecht lijkt op het eerste oog ook geen geschikte procedure voor het organiseren van de onderwijsroute.

6. In hoeverre verhoudt het keurmerk Blik op Werk zich tot het aanbod wat onder het regime van de Inspectie van het Onderwijs valt?

Het keurmerk van Blik op Werk geldt niet voor activiteiten binnen de onderwijsroute. Indien er sprake is van klassen waarbij cursisten uit verschillende routes samen les volgen, zal voor hen aan de eisen van zowel de Inspectie van het Onderwijs als Blik op Werk voldaan moeten worden. Deze partijen zijn met elkaar in gesprek om het toezicht in dit geval zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.

7. Het lijkt niet haalbaar om het aanbod voor de onderwijsroute te spreiden over meerdere aanbieders. Wat kunnen gemeenten in dit geval het beste doen?

Het advies om het onderwijs te spreiden over verschillende aanbieders is bedoeld om uitval van een school gemakkelijk op te kunnen vangen. Uitval kan optreden door het intrekken van het keurmerk, maar ook door faillissement of andere omstandigheden. Er kan zich ook de situatie voordoen dat een aanbieder de afspraken uit het contract niet nakomt en de gemeente het contract wil ontbinden. Voor bepaalde onderdelen van het aanbod is het wellicht niet realistisch om het aanbod te spreiden. In dat geval doen gemeenten er goed aan om vooraf na te denken over de wijze waarop uitval van het aanbod opgevangen gaat worden. Dit zal afhangen van de lokale situatie.

Het afsluiten van een wachtkamerovereenkomst is hiervoor een mogelijkheid. Overleg dit met je inkoper/ de inkooporganisatie in de gemeente.

(update 1 november 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Inkoop

Keurmerk

1. Volgens de aanbestedingswetgeving kan een school die het keurmerk buiten de eigen schuld niet (op tijd) heeft verworven wel mee doen in de aanbesteding. In welke gevallen is sprake van 'buiten de eigen schuld'?

De aanbestedingswetgeving heeft een veel bredere toepassing dan alleen inburgeringsonderwijs. Voor inburgeringsonderwijs ligt het niet in de lijn der verwachting dat scholen buiten hun schuld om geen keurmerk kunnen verwerven. De aanvraagprocedure staat voor iedere school open. Afwijzing van de aanvraag voor het keurmerk, dan wel intrekking van het keurmerk vallen hier vanzelfsprekend niet onder. Op dit moment zijn er nog geen situaties voorzien waarbij dit een rol zal spelen. Indien er een taalschool zich in een aanbestedingsprocedure beroept op deze uitzondering, zal dat per geval beoordeeld moeten worden. In ieder geval is wel van belang dat de school voldoet aan de eisen die gesteld worden door het keurmerk.

2. Volgens de aanbestedingswetgeving moet ook een gelijkwaardig keurmerk worden geaccepteerd. Wie bepaalt of een keurmerk gelijkwaardig is?

Indien een school een ander keurmerk draagt dan het keurmerk van Blik op Werk, zal deze school in eerste instantie moeten aantonen dat dit keurmerk gelijkwaardig is. Een gelijkwaardig keurmerk dient ten minste te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in wet- en regelgeving. De gemeente zal vervolgens in de aanbestedingsprocedure moeten beslissen of dit keurmerk als gelijkwaardig wordt beschouwd.

3. Geldt het keurmerk ook voor de cursussen die gezinsmigranten zelf met behulp van een lening moeten inkopen?

Als gezinsmigranten gebruik willen maken van een lening bij DUO zijn zij verplicht om de lessen te volgen bij een taalschool met een keurmerk. Wanneer er geen aanspraak gemaakt wordt op een lening, staat het de gezinsmigrant vrij om te kiezen op welke wijze en bij welke school hij of zij zich voorbereidt op het examen.

 

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Wat komt kijken bij de uitvoering van de Wet inburgering 2021? In dit hoofdstuk van de Q&A vind je thema's als brede intake en PIP, ontzorgen en informatievoorziening. Ook handhaving en toezicht komen aan bod.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Brede intake / PIP

1. Moet een opstartklas in de intakefase (incl. taal) ook onder het keurmerk van Blik op Werk vallen? 

De wettelijke verplichting van een Blik op Werk Keurmerk geldt voor cursusinstellingen die (na het PIP) het inburgerings-/cursusaanbod verzorgen. Bij een opstartklas in de fase van de brede intake, met als doel o.a. het taalniveau vast te stellen, geldt deze wettelijke verplichting in principe niet.

Echter, om de uren Nederlands als tweede taal die tijdens de brede intake worden gevolgd mee te kunnen tellen voor verschillende urennormen, dient de cursusinstelling die de opstartklas aanbiedt wél over een Blik op Werk Keurmerk te beschikken. Er is namelijk geregeld dat de cursusuren Nederlands als tweede taal tijdens de brede intake kunnen meetellen voor de urennorm van de Z-route. Daarnaast kunnen de cursusuren Nederlands als tweede taal tijdens de brede intake ook in mindering worden gebracht op het aantal uren dat gevolgd moet worden binnen de B1-route, voordat kan worden besloten dat de inburgeringsplichtige examen mag doen op A2-niveau. Voor deze beide opties geldt dat de cursusinstelling die taallessen tijdens de brede intake aanbiedt in dat geval wél een Blik op Werk-keurmerk moet hebben.

(update 8 april 2021)

2. Kan een PIP worden opgesteld gedurende de periode van verblijf in het in AZC?

Ja, dat is zeker mogelijk en dat wil SZW stimuleren met het oog op een snelle start het inburgeringstraject. Dit vraagt van gemeenten en het betreffende AZC goede werkafspraken.

3. Het PIP moet na een termijn van 10 weken klaar zijn, maar wat is de startdatum van deze termijn?

Het PIP moet door gemeenten worden vastgesteld uiterlijk 10 weken na de dag waarop de inburgeringsplichtige in de BRP van de gemeente is ingeschreven. Hierbij geldt dat dit voor de gezinsmigrant het eerste moment van inschrijving in een Nederlandse gemeente betreft en voor de asielstatushouder de inschrijving bij de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestigingswet 2014 is gehuisvest. Na het vaststellen van het PIP gaat de inburgeringstermijn lopen.

4. Betekent het gewijzigde startmoment van de inburgeringstermijn dat ook de 10 weken voor het opstellen van de PIP kan worden losgelaten?

Nee, de termijn van 10 weken kan niet worden losgelaten. De termijn van 10 weken biedt aan de ene kant voldoende tijd om de eerste gesprekken met de inburgeringsplichtige te voeren in het kader van de brede intake, terwijl het aan de andere kant een tijdige start van het inburgeringstraject garandeert.

5. Moeten de gemeenten streven naar het hoogst haalbare taalniveau van de statushouders of naar het taalniveau dat het beste past bij de participatiekansen van de statushouder?

Wanneer het behalen van het taalniveau B1 mogelijk lijkt, moet er alles aan gedaan worden om dit niveau daadwerkelijk te behalen. Dat vraagt van de gemeente kwalitatief goede dienstverlening als het gaat om taallessen en begeleiding en doet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid en inspanning van de inburgeringsplichtige. In het nieuwe stelsel is de B1-leerroute dan ook primair gericht op het behalen van dit taalniveau. De realiteit is echter dat niet alle inburgeringsplichtigen in staat zijn om de examens te halen op dit niveau. Het is daarom onder voorwaarden mogelijk om de taalexamens op niveau A2 af te leggen. 

Voor sommige inburgeringsplichtigen in de B1-route zal niveau B2 haalbaar zijn binnen de inburgeringstermijn. Het vergroot perspectief in werk en studie als dit binnen hun bereik ligt en daarom is het is belangrijk dat gemeenten dit stimuleren als het haalbaar is. Naar verwachting zullen de kosten van een inburgeringstraject in dat geval niet automatisch hoger uitvallen omdat het zal gaan om mensen die in een hoger tempo kunnen leren, er mogelijk al basiskennis aanwezig is en zelfstudie tijdens de inburgering een belangrijke rol spelen.

6. Hoe gaan gemeenten de taalontwikkeling monitoren?

Gemeenten krijgen een belangrijke taak in het nieuwe stelsel. Na de Brede Intake wordt bepaald welke leerroute iemand gaat volgen. Gemeenten leggen dit vast in het PIP. Het is belangrijk dat gemeenten zicht hebben en houden op de voortgang van een inburgeringsplichtige zodat de juiste begeleiding kan worden gegeven en tijdig bijgestuurd kan worden als daar aanleiding toe is. Het gaat dan onder meer om of iemand in het juiste traject zit (is het lestempo goed, de intensiteit, is de combinatie met werk en de thuissituatie haalbaar, is iemand uitgevallen, zijn er andere knelpunten, kan iemand misschien meer/een hoger niveau aan dan aanvankelijk ingeschat?). Het is voor gemeenten belangrijk om daarover signalen te ontvangen van de taalaanbieder en de inburgeraar zelf zodat ook de juiste begeleiding kan worden geboden. Als blijkt dat iemand beter een andere route kan volgen kan dat binnen 1.5 jaar na aanvang worden aangepast in het PIP. Wanneer iemand niet voldoende vorderingen maakt of een traject niet afmaakt, is het voor de handhaving op het PIP ook van belang zicht te hebben op deze zaken zodat kan worden bepaald of er een boete moet worden opgelegd en hoe hoog het boetebedrag moet zijn. Gemeenten maken hierover afspraken met de aanbieders van de leerroutes.

7. Moet de gemeente al starten met het aanbieden van taallessen, als de inburgeraar op een AZC woont in de gemeente waar hij ook aan gekoppeld is, maar waar nog geen woonruimte beschikbaar is?

Een gemeente is verplicht om binnen tien weken een brede intake af te nemen en een PIP op te stellen voor een inburgeringsplichtige die een woonruimte in de gemeente heeft gekregen en zijn/haar intrek daar heeft genomen. In de wet refereren we daarbij aan de datum van inschrijving in de BRP in de gemeente van huisvesting. Op het moment dat de inburgeringsplichtige nog in het AZC verblijft (ook al is dat in diezelfde gemeente), is de gemeente niet verplicht om al aan de slag te gaan met de afname van de brede intake. Dit wordt echter wel aangemoedigd. Door op het AZC in de gemeente al een start te maken met de afname van de brede intake en het opstellen van het PIP, kan een inburgeringsplichtige immers zo vroeg mogelijk beginnen met het volgen van taallessen in het kader van de inburgering.

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Ontzorgen

1. Hoe moet een gemeente straks omgaan met financieel ontzorgen als een asielstatushouder zich in 2022 in het kader van gezinshereniging voegt bij een referent die hier al vóór de nieuwe wet was komen wonen? En wat als de referent eerder al zes maanden is ontzorgd in het kader van de nieuwe Wet inburgering?

In beide gevallen hoeft de asielstatushouder die zich in het kader van gezinshereniging vestigt in Nederland niet financieel ontzorgd te worden. De Participatiewet kent de gehuwdennorm. Gehuwden - of hieraan gelijkgestelden - vormen voor de bijstandsverlening één subject en de uitkering (één bedrag) komt in beginsel hun beiden toe. Aangezien de reeds gevestigde partner buiten de verplichting van de nieuwe wet valt (in de eerste situatie) óf al verplicht financieel ontzorgd is (in de tweede situatie), hoeft het nareizende gezin financieel niet ontzorgd te worden. Het is echter wel van groot maatschappelijk belang dat de nareizigers financieel zelfredzaam worden gemaakt. De gemeente kan als regievoerder de inburgering, de maatschappelijke begeleiding en de begeleiding naar financiële zelfredzaamheid op elkaar afstemmen.

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Informatievoorziening

1. Met welke partijen in de inburgeringsketen moeten gemeenten gegevens uitwisselen?

Gemeenten gaan gegevens uitwisselen met drie landelijke ketenpartijen: DUO, het COA en het CBS. Hoe dat werkt, staat in het document Ketenproces en gegevensuitwisseling VOI en het informatiemodel. Deze documenten vind je online op Documentatie informatievoorziening keten inburgering (Rijksoverheid).

Specifieke taken kunnen, in opdracht van de gemeente, worden uitgevoerd door lokale aanbieders. Bijvoorbeeld door taalscholen en reïntegratiebedrijven. Deze uitwisseling is geen onderdeel van het document over het landelijke ketenproces. Dit document beschrijft wel de minimale set aan gegevens die hierbij moeten worden uitgewisseld. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

2. Mijn gemeente is de informatievoorziening aan het inrichten. Welke ondersteuning is er beschikbaar?

Op Rijksoverheid.nl vind je deze (landelijke) handvatten:

  • Informatie over het ketenproces en gegevensuitwisseling. Namelijk welke organisaties de inburgeringsketen vormen en hoe zij samenwerken.
  • Een informatiemodel met daarin de afspraken over wat we met welke gegevens bedoelen. Het beschrijft de diensten van de ketenpartners, hoe ze met elkaar samenhangen en welke gegevensuitwisseling erbij hoort. Ook is er een gegevenswoordenboek met uitleg over termen.
  • Het Ketenarchitectuur Hoofdlijnendocument (VOI) beschrijft hoe de digitale infrastructuur eruitziet en welke kaders en standaarden er zijn. Het helpt om de vertaling te maken naar jouw informatievoorziening.

VNG Realisatie biedt een aantal handreikingen, specifiek voor gemeenten:

Op www.vng.nl staat een overzicht van alle beschikbare producten als het gaat om informatievoorziening in de Wet inburgering 2021. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

3. Is er berichtenverkeer mogelijk tussen gemeenten en DUO, het CBS en het COA?

Nee. Gegevensuitwisseling verloopt nu via bestaande portalen van DUO, COA en CBS. Gemeenten moeten daarbij handmatig de gegevens ophalen en aanleveren, ongeacht de softwareleverancier van de gemeente. In een later stadium (plateau 2, zie vraag 4) wordt wél berichtenverkeer mogelijk tussen DUO en gemeenten. Daarnaast is het einddoel om een gemeenschappelijke plek te hebben waar alle partijen op kunnen aansluiten. De bestaande portalen blijven echter bestaan, vooral voor kleine gemeenten. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

4. Wat betekent de 'plateauplanning'?

Voor de organisaties die samenwerken om de inburgeringswet goed uit te voeren (zoals COA, DUO en gemeenten), is het van belang dat ICT en werkprocessen op elkaar passen. Om dit te bereiken, zijn globale stappen opgesteld in de ketenarchitectuur inburgering. Dit noemen we plateaus. Belangrijk om te weten: bij de plateaus horen geen concrete planning en middelen. 

De plateaus zijn:

Plateau 1 De verantwoorde start
Beschrijft wat er minimaal nodig is om de wet te kunnen uitvoeren. Hierbij wordt ingezet wordt op hergebruik en waar nodig aanpassen van de huidige middelen. Met dit plateau wordt gestart op 1 januari 2022. 

Plateau 2 Een lerende uitvoering
Na een opstartfase en ervaring met het nieuwe stelsel, is het te verwachten dat er procesoptimalisaties plaatsvinden. Onderlinge afspraken zijn in de praktijk getoetst en worden mogelijk bijgesteld. Tijdens deze stap wordt eraan gewerkt om berichtenverkeer tussen in ieder geval DUO en gemeenten te realiseren, waardoor het gebruik van portalen kan afnemen. 

Plateau 3 Professionaliseren dienstverlening
Het uitgangspunt in deze stap is dat de inburgeraar centraal staat ongeacht welke ketenpartner welke dienst levert. Hiervoor is het gewenste einddoel een centrale voorziening of knooppunt waar iedereen op kan aansluiten. Hoe en in welke verschijningsvorm deze centrale voorziening beschikbaar komt, is volop onderwerp van gesprek. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

5. Hoe werkt de gegevensuitwisseling met het COA?

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) koppelt statushouders aan gemeenten. Het COA stelt een klantprofiel op met informatie over de inburgeraar. Het klantprofiel bevat belangrijke informatie, onder andere over de voortgang en resultaten van de voorinburgering [link]. Denk bijvoorbeeld aan de voortgang binnen de NT2-lessen of KNM-trainingen en de uitkomsten van de begeleidingsgesprekken met de casemanager. De gemeente kan dit inzien via het bestaande Taakstellingvolgsysteem (TVS). De inburgeraar geeft het COA toestemming om gegevens in het kader van de doorgaande lijn voor integratie en participatie te delen met de gemeente. Deze processen zijn ook beschreven in het document Ketenproces en gegevensuitwisseling VOI en het informatiemodel. Deze documenten vind je op Rijksoverheid.nl.

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

6. Hoe werkt de gegevensuitwisseling met DUO?

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is in het nieuwe inburgeringstelsel verantwoordelijk voor:

  • het vaststellen van de inburgeringsplicht, de termijn, vrijstellingen en ontheffingen; 
  • het afnemen van examens;
  • en het beoordelen van de resultaatsverplichting. 

Dit geldt voor zowel gezinsmigranten als asielmigranten. 
DUO en gemeenten hebben gegevens van elkaar nodig om hun taak uit te voeren. In het document Ketenproces en gegevensuitwisseling VOI en het informatiemodel lees je welke gegevens dit zijn. 
Om deze gegevens op te halen en aan te leveren, loggen gemeenten in op het bestaande informatiesysteem inburgering (ISI). Je ontvangt een e-mail wanneer nieuwe informatie beschikbaar is, of wanneer informatie aangevuld moet worden. 
Let op: Per 1 januari 2022 log je op het ISI in met een e-herkenningsmiddel (niveau 3). Vraag dit op tijd aan. Inloggen via Suwinet is dan niet meer mogelijk. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

7. Hoe werkt de gegevensuitwisseling met het CBS?

Monitoren en evalueren is een belangrijk onderdeel van de Wet inburgering 2021. Per 1 januari 2022 wordt er daarom de nieuwe Statistiek Wet Inburgering (SWI) opgezet. Om hier invulling aan te geven, verzamelt het CBS de gegevens van gemeenten. De geldende richtlijnen hierbij staan op www.cbs.nl. Gemeenten zijn verplicht gegevens aan te leveren. Het CBS wil graag per gemeente een contactpersoon in kaart brengen, met wie dit proces afgestemd kan worden. Geef als gemeente (of samenwerkingsverband) de contactpersoon hiervoor op via deze link

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

8. Hoe werkt de gegevensuitwisseling met lokale aanbieders?

Gemeenten gaan ook gegevens uitwisselen met lokale aanbieders. Denk aan taalscholen, reïntegratiebedrijven en werkgevers. Maak hierover goede afspraken met hen. Om welke gegevens het gaat en welke aandachtspunten er zijn, lees je in de handreiking Gegevensuitwisseling gemeenten en ketenpartners.

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

9. Hoe weet ik of mijn softwareleverancier is ingesteld op de nieuwe wet?

Als gemeente ga je, afhankelijk van de inburgeringsopgave, aanpassingen doen in systemen. Bijvoorbeeld om inburgeraars te registreren en hun traject te volgen. Er komt geen landelijk systeem. Gemeenten zijn zelfstandig opdrachtgever richting leveranciers.

Wat moet je met (potentiële) softwareleveranciers bespreken en regelen? Dat lees je in de handreiking Inkoop IV/ICT-diensten. Daar hoort ook een checklist bij. Bekijk ook de handreiking Van beleid naar inkoop.

Welke aanpassingen precies nodig zijn, staat in de handreiking Gemeentelijke gegevensverwerking, het informatiemodel en het document Ketenproces en gegevensuitwisseling VOI.

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

10. Is er een benchmark met gegevens over inburgering?

Cijfers helpen bij het monitoren en evalueren. DUO biedt cijfers over de inburgering van alle gemeenten in Nederland. Gemeenten kunnen ook gebruikmaken van de Benchmark Statushouders van Divosa-BMC-Stimulansz. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

11. Komen er extra middelen voor de financiering de IV opgave bij gemeenten en zo ja wanneer?

Ja, deze worden in de decembercirculaire definitief gemaakt. Op vng.nl is meer informatie te vinden over de middelen voor de Wet inburgering 2021. 

(vraag toegevoegd op 21 september 2021)

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Privacy

1. Voor welke gegevens moet ik een verwerkingsovereenkomst afsluiten?

Zodra er sprake is van levering van persoonsgegevens aan een andere partij, moet een gemeente vaststellen wat de positie is van deze andere partij. Is deze een verwerker, dan moet er een verwerkersovereenkomst komen. Is deze andere partij een zelfstandige verwerkingsverantwoordelijke, dan zijn er geen aanvullende contracten nodig. Als de andere partij een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke is, dan moet de gemeente met deze partij een gegevensleveringsovereenkomst sluiten op grond van art. 26 AVG. Een modelovereenkomst vind je hier

(update 4 november 2021)

2. Gemeenten maken vaak gebruik van verschillende aanbieders voor de uitvoering van hun taken. Hoe zit dat nou precies met de aanbieders van de MAP, PVT en Maatschappelijke Begeleiding met het oog op privacy, en wat is hun rol?

De rol van aanbieders van de MAP, PVT en MB staat niet expliciet in de wet beschreven. Deze aanbieders voeren een gemeentelijke taak uit. Om die reden zijn zij verwerkers. Gemeenten sluiten met deze aanbieders een verwerkersovereenkomst.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

3. Moet ik als gemeente een overeenkomst met DUO afsluiten?

DUO voert namens de minister van SZW bepaalde taken uit voor de uitvoering van de Wet inburgering. DUO is daarmee een verwerker van de minister van SZW en niet van gemeenten. DUO heeft ook een verwerkersovereenkomst met de minister van SZW afgesloten. Gemeenten hoeven dus verder geen contracten (verwerkersovereenkomst) met DUO te sluiten voor de onderlinge gegevenslevering.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

4. Moet ik als gemeente een overeenkomst met het COA afsluiten?

Gemeenten en het COA zijn zelfstandige verwerkingsverantwoordelijken, dus zij sluiten geen verwerkingsovereenkomst met elkaar af.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

5. Mag ik een BSN delen met een cursusinstelling/taalschool of lokale aanbieder? Als zij bijvoorbeeld inloggen bij ons regiesysteem om gegevens door te geven, staat daar een BSN.

Artikel 36 Wet Inburgering bepaalt dat de minister, het college van B&W en andere organisaties die in een wettelijke regeling zijn aangewezen, het Burgerservicenummer (BSN) mogen gebruiken. In het Besluit Inburgering staat in art. 9.4 dat de gemeente het BSN mag gebruiken. Artikel 9.10 Besluit Inburgering bepaalt dat de cursusinstellingen en de aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering het BSN gebruiken bij de uitvoering van hun taken. Gemeenten en de taalaanbieder mogen het BSN daarom gebruiken voor de uitvoering van hun taken.
Andere lokale aanbieders mogen het BSN van de inburgeraar niet gebruiken voor de uitvoering van hun taken, omdat dat nergens in een wettelijke regeling is geregeld.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

6. Mogen we de gegevens van de partner van de inburgeraar ook verwerken?

Alleen in het geval dat de gemeente een actieve rol heeft bij de inburgering van de partner van de inburgeraar, is er een noodzaak om de gegevens van de partner te verwerken. Als de gemeente geen actieve rol heeft bij de inburgering van de partner, is er dus geen reden om de persoonsgegevens te verwerken. De gemeente kan in dat geval volstaan met zeer summiere gegevens, zoals 'de inburgeraar heeft een partner'.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

7. Zijn taalaanbieders zelfstandig verantwoordelijk voor het verwerken van gegevens?

Ja, cursusinstellingen (taalbieders) zijn zelfstandig verwerkingsverantwoordelijken voor de AVG. Dus taalaanbieders hoeven geen verwerkersovereenkomst met de opdrachtgevende gemeente te sluiten.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

8. Zijn er standaardteksten t.b.v. contracten met (lokale) aanbieders op het gebied van privacy en security?

VNG heeft ter ondersteuning van de privacyvraagstukken en de nieuwe Wet inburgering diverse ondersteuningsproducten. Het gaat om een handreiking gegevensverwerking, een standaardverwerkersovereenkomst en een DPIA. Voor meer info zie vng.nl/artikelen/informatievoorziening-in-de-nieuwe-wet-inburgering.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

9. Welke persoonsinformatie mag volgens de AVG met wie uitgewisseld worden?

De AVG zegt niet met wie je welke gegevens mag uitwisselen. Meer informatie is te vinden in de Wet inburgering en aanverwante regelgeving.
NB: Een verwerkersovereenkomst op zichzelf is geen grondslag om persoonsgegevens te mogen delen. In de handreiking Gegevensverwerking in de nieuwe Wet inburgering staat hierover meer informatie. Zie vng.nl/artikelen/informatievoorziening-in-de-nieuwe-wet-inburgering.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

10. Moet ik als gemeente een DPIA uitvoeren als een andere organisatie voor mij een taak uitvoert, bijvoorbeeld MAP, PVT, regie of leerroute?

Je voert als gemeenten alleen een DPIA uit voor de uitvoering van de eigen taken. VNG heeft een DPIA opgesteld. (Voor meer info zie vng.nl/artikelen/informatievoorziening-in-de-nieuwe-wet-inburgering.) Gemeenten kunnen deze gebruiken en aanpassen aan de eigen gemeentelijke situatie.
Als een gemeente een andere organisatie vraagt om een gemeentelijke taak uit te voeren, moet deze organisatie zelf onderzoeken of er een DPIA moet worden uitgevoerd en zo ja, moet deze organisatie dat zelf doen. Waarschijnlijk kan deze organisatie daarbij gebruik maken van de gemeentelijke DPIA.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

11. Hoe zit het met het delen van gegevens tussen mijn gemeentelijke afdelingen huisvesting/participatiewet en inburgering? Moet ik hiervoor een verwerkingsovereenkomst aangaan of mag dit gewoon?

Afdelingen van dezelfde organisatie sluiten geen verwerkersovereenkomst met elkaar af. Wel moeten interne afdelingen zich bij gegevensdeling aan de wettelijke kaders houden: is er voor de gegevensdeling een grondslag, is het noodzakelijk dat er persoonsgegevens worden gedeeld (kan ik zonder persoonsgegevens hetzelfde doel bereiken?) en zijn de gedeelde gegevens ook echt noodzakelijk (kan ik met minder persoonsgegevens hetzelfde doel bereiken?)
NB: Gemeenten mogen ontvangen gegevens voor de uitvoering van de Participatiewet gebruiken voor de uitvoering van de Wet inburgering (art. 35, lid 5 Wet inburgering).

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

12. Is beveiligde mail een voldoende veilige manier om gegevens uit te wisselen met mijn lokale aanbieders?

Ja, beveiligd mailen is een voldoende veilige manier om gegevens uit te wisselen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er veel definities zijn van ‘veilig mailen’. Zie voor een de factsheet en handleiding beveiligd mailen: www.informatiebeveiligingsdienst.nl/product/factsheet-en-toolkit-veilige-e-mail-in-het-zorgdomein.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

13. Als er sprake is van ‘zachte gegevens’: signalen dat een inburgeraar niet goed in zijn vel zit, gezondheidsproblemen heeft en die worden opgemerkt bij een lokale aanbieder. Wat mag ik als gemeente ontvangen en hoe moet/kan ik dit inregelen met mijn aanbieder?

De vraag is waarom je als gemeente deze gegevens zou willen ontvangen. En wat moet je er vervolgens mee?
Soms ziet een lokale partij iets wat van belang is voor de voortgang van de inburgering. Als het van belang is voor de voortgang van de inburgering vraag jezelf dan af of het noodzakelijk dat er persoonsgegevens worden gedeeld (kan ik zonder persoonsgegevens hetzelfde doel bereiken?) en zijn de gedeelde gegevens ook echt noodzakelijk (kan ik met minder persoonsgegevens hetzelfde doel bereiken?)
NB: Leg geen medische gegevens (zoals ziektes, aandoeningen, verslavingen, etc.) en vermoedens vast!

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

14. Is er grondslag om vanaf 1 juli 2021 in de geest van de nieuwe wet te experimenteren met de huidige doelgroep?

Gemeenten worden aangemoedigd om te experimenten in de geest van de nieuwe wet. Echter zijn zij tot 1 januari 2022 wel gebonden aan de grondslagen van de huidige wet- en regelgeving. In het online magazine ‘Werken in de geest van de nieuwe wet’ staan voorbeelden van onderdelen die binnen de huidige kaders al wel in het licht van de Wet inburgering 2021 uitgevoerd kunnen worden.

(vraag toegevoegd op 19 oktober 2021)

 

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Duale trajecten

1. Hoe ziet de regelgeving met betrekking tot duale trajecten er op hoofdlijnen uit?

In het nieuwe inburgeringsstelsel gaat het leren van de taal hand in hand met participeren. De nieuwe Wet inburgering en de Participatiewet sluiten op elkaar aan zodat het leren van de taal en participatie goed kan worden gecombineerd. Zolang een inburgeringsplichtige bijstandsgerechtigd is, kunnen gemeenten ook alle instrumenten uit de Participatiewet inzetten en gelden ook de verplichtingen uit de Participatiewet. Dit betekent concreet dat gemeenten tegelijkertijd en in samenhang kunnen sturen op inburgering en de re-integratie. De afspraken over inburgering en de afspraken op basis van de Participatiewet komen als bijlage samen in het PIP.

In alle leerroutes is activering en participatie een expliciet doel. In de Z-route is het zelfs verplicht om 800 uur te besteden aan participatieactiviteiten. De participatiecomponent kan op verschillende wijzen worden ingevuld. Een deel van de inburgeringsplichtigen kan snel instromen op de arbeidsmarkt, voor anderen leveren het opdoen van werkervaring, stage, vrijwilligerswerk, arbeidsmarktoriëntatie en het volgen van trainingen en opleidingen een belangrijke bijdrage aan het vergroten van het vinden van (betaald) werk.

(vraag toegevoegd op 18 maart 2021)

2. Hoe kan ik een passend inburgeringsaanbod voor duale trajecten in de B1-route realiseren?

Het realiseren van aanbod voor duale trajecten vergt maatwerk. De keuze voor het inburgeringsaanbod dat het meest aansluit bij de B1-route ligt bij de gemeente. Om het mogelijk te maken dat de meeste inburgeraars zo snel mogelijk, maar maximaal binnen drie jaar, taalniveau B1 behalen en om hun perspectief op de arbeidsmarkt vergroten, is het van belang dat het leren van de taal gecombineerd wordt met (vrijwilligers)werk, re-integratie/voorbereiding op werk of onderwijs. Vanwege de diversiteit van de groep inburgeringsplichtigen die de B1-route in het nieuwe stelsel gaat volgen, is het van belang dat een gemeente de mogelijkheid biedt om de route met verschillende intensiteit te volgen.

In de pilots van het Pilotprogramma Veranderopgave Inburgering (VOI) is door een aantal gemeenten al ervaringen opgedaan met duale trajecten. Een van de pilotthema’s is de pilot B1‐route. In de tussenrapportage uit juni 2020 wordt stilgestaan bij wat goed werkt, wat werkt minder goed, voor welke  doelgroepen, hoe werkt het en onder welke voorwaarden? De handreiking Van beleid naar inkoop staat stil bij de kenmerken van de verschillende instrumenten van inkoop en geeft voorbeelden van aanbestedingen van duale trajecten.

(vraag toegevoegd op 18 maart 2021)

3. Kunnen sociale werkvoorzieningen of gemeentelijke leerwerkbedrijven worden ingeschakeld voor duale trajecten?

Maatwerk is van groot belang in het nieuwe stelsel. Omdat gemeenten het beste in staat zijn om dit maatwerk te bieden en de verbinding te leggen tussen inburgering en de overige onderdelen van het sociaal domein, krijgen gemeenten in het nieuwe stelsel de regie over de uitvoering. Het nieuwe stelsel biedt voor gemeenten voldoende aanknopingspunten en ruimte om inburgeringstrajecten zodanig in te richten dat (taal)onderwijs zoveel mogelijk wordt gecombineerd met participatieactiviteiten. Gemeenten kunnen hierover afspraken maken met taalscholen, maar ook met werkgevers of sociale werkbedrijven in de regio. De ene inburgeraar zal meer gebaat zijn bij intensief taalonderwijs, terwijl de ander meer heeft aan participatieactiviteiten om al doende de taal te leren en tegelijkertijd vaardigheden op te doen die van pas komen bij het vinden van een baan, vrijwilligerswerk of helpen bij het zelfredzaam worden.

Het is echter wel van groot belang dat de participatieactiviteiten zo veel als mogelijk aansluiten bij de beroepskansen en beroepswensen van de inburgeringsplichtige. Dat biedt de inburgeringsplichtige inzicht in diens capaciteiten en leer- en ontwikkelpunten met betrekking tot het gewenste beroep en de kans om een relevant netwerk op te bouwen. Bovendien is het van belang dat deze werkervaring wordt opgedaan op een taalrijke werkplek. Dat wil zeggen: een werkplek waar de Nederlandse taal gevoerd wordt en dus kan worden geoefend.

(vraag toegevoegd op 18 maart 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

DUO

1. Wat is de rol van DUO in het nieuwe inburgeringsstelsel?

DUO heeft verschillende taken en verantwoordelijkheden in het nieuwe inburgeringsstelsel. Hieronder volgt een opsomming van al deze rollen.

Vaststellen van de inburgeringsplicht 

Net zoals in het huidige inburgeringsstelsel, zal DUO vaststellen of iemand inburgeringsplichtig is op basis van gegevens van de IND over de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen. In dat kader stelt DUO ook vast of de vreemdeling geheel of gedeeltelijk is vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Op die manier wordt gewaarborgd dat deze vaststelling op een uniforme wijze plaatsvindt. Wanneer de inburgeringsplichtige aan (alle onderdelen van) de inburgeringsplicht heeft voldaan, ontvangt hij van DUO een inburgeringsdiploma (B1-route of onderwijsroute) of een certificaat (Z-route).

Lening voor gezinsmigranten en overige migranten

Evenals nu het geval is, betalen gezinsmigranten en overige migranten zelf het inburgerings-onderwijs voor taal en KNM (de invulling van de verschillende leerroutes). Het is mogelijk om op basis van een inkomenstoets gebruik te maken van een lening bij DUO.

Afname examens

De examens worden, net zoals in de huidige situatie, afgenomen door DUO. Er zijn examens voor Lezen, Luisteren, Schrijven, Spreken en Kennis van de Maatschappij (KNM). In totaal moeten inburgeringsplichtigen dus voor 5 vaardigheden examens afleggen. DUO beschikt over verschillende examenlocaties verspreid over Nederland. De aanmelding voor examens verloopt digitaal waarbij deelnemers zelf een moment kunnen kiezen. Voor de Staatsexamens Nt2 op B1 en B2 niveau gelden vaste afnamedagen (momenteel worden de vaardigheden 8x per jaar afgenomen). Deze afnames vinden plaats op dezelfde locaties als de examens KNM en de taalexamens op niveau A2. 

Vastellen inburgeringstermijn en eventuele verlenging(en) van de termijn 

DUO stelt, net zoals in het huidige inburgeringsstelsel, vast wanneer de inburgeringstermijn aanvangt en behandelt ook aanvragen om verlenging van deze termijn. Bij of krachtens amvb zullen regels worden gesteld over de situaties waarin DUO de termijn kan verlengen. 

Handhaving op de inburgeringsplicht

DUO heeft de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om boetes op te leggen als de inburgeringsplichtige verwijtbaar niet binnen de termijn aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. 

(Gedeeltelijke) ontheffing van de inburgeringsplicht

De wijze waarop de (gedeeltelijke) ontheffing op grond van een psychische of lichamelijke belemmering of een verstandelijke beperking moet worden aangevraagd blijft hetzelfde als in het huidige inburgerings-stelsel: de inburgeringsplichtige vraagt de ontheffing aan en overlegt bij de aanvraag een medisch advies (afgegeven door een door de Minister aangewezen onafhankelijke arts). Op basis van dit advies besluit DUO op de aanvraag.

2. Op welke manier kunnen gemeenten gegevens uitwisselen met DUO?

Gemeenten kunnen gegevens met DUO uitwisselen via het portaal inburgering. Via het portaal hebben gemeenten toegang het informatiesysteem inburgering (ISI) van DUO. Op dit moment betreft dat vooral gegevens over de inburgeringsplicht en over het PVT. Met de nieuwe wet wordt deze gegevensuitwisseling intensiever. Het portaal inburgering wordt dan ook aangepast aan de nieuwe wet.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Handhaving

1. Welke sancties kunnen opgelegd worden als een inburgeraar niet voldoet aan de afspraken uit het PIP?

Uitgangspunt van het nieuwe stelsel is dat gemeenten de regie krijgen over de uitvoering van de inburgering, waaronder de verantwoordelijkheid om toe te zien op de voortgang van het inburgeringstraject. Bij deze rol past dan ook dat gemeenten gedurende het inburgeringstraject de regie krijgen over de handhaving. Gemeenten krijgen daarom de bevoegdheid om aan inburgeringsplichtigen een bestuurlijke boete op te leggen gedurende het inburgeringstraject, als zij verwijtbaar niet meewerken aan hun inburgering.

In het wetsvoorstel is vastgelegd in welke gevallen gemeenten een boete dienen op te leggen. De gemeente zal een boete opleggen als een inburgeringsplichtige, zonder dat daar een geldige reden voor bestaat, niet verschijnt bij de brede intake, bij de voortgangsgesprekken met de gemeente of andere activiteiten waaraan hij conform het PIP moet deelnemen. Een inburgeringsplichtige kan dus door de gemeente op meerdere momenten gedurende het inburgeringstraject worden beboet.

In het specifieke geval van asielstatushouders kan de gemeente ook een boete opleggen als betrokkene zonder goede reden (langdurig of regelmatig) niet verschijnt bij de taallessen. Gezinsmigranten en overige migranten bepalen zelf welke inburgeringscursus zij volgen en bekostigen deze ook zelf. Daarom kan een gemeente gezinsmigranten en overige migranten niet beboeten als zij niet verschijnen bij hun taalcursus.

Net zoals in het huidige stelsel blijft de minister van SZW verantwoordelijk voor het gehele inburgeringsstelsel. Bij deze verantwoordelijkheid past ook het vaststellen van wie inburgeringsplichtig is, het vaststellen van de inburgeringstermijnen, de verlenging daarvan en de handhaving van de inburgeringsplicht aan het einde van het inburgeringstraject. DUO voert deze taken in het huidige stelsel namens de minister van SZW uit en zal dit ook in het nieuwe stelsel blijven doen. Door al deze taken door één centrale organisatie te laten uitvoeren, wordt gewaarborgd dat dit voor alle inburgeringsplichtigen zoveel mogelijk op uniforme wijze gebeurt.

In de lagere regelgeving worden nadere kaders uitgewerkt voor de handhaving door gemeenten en DUO. Denk hierbij aan de manier waarop de gemeente een boete kan ophogen bij herhaaldelijke overtredingen en aan de manier waarop DUO een boete lager kan vaststellen op basis van de geleverde inspanning door de inburgeraar.

2. Mag een gemeente boetebepalingen van de Wet inburgering opnemen in de verordening Participatiewet over het hoofdstuk maatregelen? Dit om duidelijk het verschil te laten zien wanneer een boete geldt en wanneer een maatregel?

Het ligt voor de hand dat gemeenten in een gemeentelijke verordening opnemen in welke gevallen zij het instrumentarium uit de Wet inburgering 2021 inzetten en in welke gevallen die uit Participatiewet. Hierbij ligt het in de rede dat het instrumentarium uit de Participatiewet, waaronder het korten op de bijstandsuitkering, zal worden ingezet wanneer een inburgeringsplichtige zich niet houdt aan de afspraken die worden gemaakt in het kader van de Participatiewet. Het handhavingsinstrumentarium uit de Participatiewet kan immers enkel worden ingezet als de verplichting ook voortvloeit uit deze wet. Gedacht kan worden aan activiteiten die, buiten het aanbod van de MAP om, worden ingezet om de afstand van de inburgeringsplichtige tot de arbeidsmarkt te verkleinen. De regering vindt het belangrijk dat gemeenten hier maatwerk in kunnen toepassen.

(vraag toegevoegd op 25 november 2021)

3. Hoe kan een gemeente vorderingen van de Wet inburgering innen? Is er een executoriale titel?

Titel 4.4 van de Awb ziet op bestuursrechtelijke geldschulden, waaronder ook schulden uit bestuursrechtelijke boetes vallen. Afdeling 4.4.4 ziet op de aanmaning en invordering bij dwangbevel. Artikel 4:116 Awb bepaalt dat een dwangbevel een executoriale titel oplevert, die met de toepassing van de bepalingen uit het BW kan worden tenuitvoergelegd.

(vraag toegevoegd op 25 november 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Uitvoering

Toezicht

1. Welke gevolgen heeft de door de minister toegezegde verkenning op het toezicht in het nieuwe stelsel?

In het nieuwe stelsel is toezicht op het onderwijs voor de onderwijsroute belegd bij de Inspectie van Onderwijs. Dit heeft te maken met het feit dat in de onderwijsroute niet enkel sprake is van inburgeringsonderwijs maar ook van regulier onderwijs. Gelet hierop is de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing en is de Inspectie van Onderwijs de aangewezen instelling voor het toezicht.

Tijdens de wetsbehandeling is een motie aangenomen die vraagt om te verkennen of de kwaliteit van het inburgeringscursusaanbod beter door of in samenwerking met een publieke toezichthouder kan worden gecontroleerd. Het is de bedoeling deze verkenning met een open en brede blik uit te voeren, zonder toe te werken naar een gewenste uitkomst. De bij het dossier betrokken partners worden bij deze verkenning betrokken. De verkenning zal rond de jaarwisseling worden afgerond. Op basis van de uitkomsten van de verkenning, wordt bekeken of er wijzigingen in het toezichtstelsel Inburgering moeten worden doorgevoerd. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

1. Is het voor de financiering nodig dat gemeenten verantwoording afleggen over het verloop van de leerroutes?

Nee, gemeenten ontvangen een budget dat grotendeels gebaseerd is op gerealiseerde aantallen inburgeraars. Het prestatiedeel van de financiering is gebaseerd op afgeronde inburgeringstrajecten. Er wordt voor de bekostiging niet gekeken naar het verloop van de inburgeringstrajecten of de snelheid waarmee ze zijn afgerond. Enkel het feit dat ze zijn afgerond is relevant voor de bekostiging.

2. Hoe bepaalt een gemeente de raming van het volume per leerroute?

SZW heeft een inschatting gemaakt van de verdeling van de inburgeringsplichtigen over de drie leerroutes (zie vraag 3). Dit is een inschatting bij benadering. Dit is immers afhankelijk van de asielinstroom, de achtergrondkenmerken van de inburgeringsplichtigen en de verdeling van de inburgeringsplichtigen over gemeenten. Daarmee kan de verdeling van de inburgeringsplichtigen over de drie leerroutes fluctueren en afwijken van de gegeven inschatting. De door SZW gemaakte inschatting geeft dus richting aan gemeenten. Gemeenten kunnen echter deze volumeraming per leerroute aanpassen op de lokale situatie, als daar aanleiding toe is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de gemeente een zeer specifieke doelgroep huisvest, die gemiddeld een lagere of hogere leerbaarheid hebben.

3. Hoe zijn de inburgeringsplichtigen, naar verwachting, verdeeld over de drie leerroutes?

SZW heeft een inschatting gemaakt van de verdeling van de inburgeringsplichtigen over de drie leerroutes. Om te komen tot een zo’n goed mogelijke inschatting is er als eerste gekeken naar de verwachte instroom in de Z-route en de Onderwijsroute. Die instroom is namelijk het beste in te schatten op basis van huidige cijfers van DUO. De overige inburgeringsplichtigen komen dan in aanmerking voor de B1-route (inclusief de mogelijkheid om na anderhalf jaar indien nodig af te schalen naar A2). Bij deze schatting gaat het om een landelijk beeld en is gebruik gemaakt van cohorten onder de huidige Wet inburgering. 

Er moet wel een belangrijke kanttekening worden gemaakt bij deze inschatting. De schatting van de verdeling van de inburgeringsplichtigen over de drie leerroutes is er namelijk één bij benadering. Dit is immers afhankelijk van de asielinstroom en achtergrondkenmerken van de inburgeringsplichtigen en de verdeling van de inburgeringsplichtigen over gemeenten. Daarmee kan de verdeling van de inburgeringsplichtigen over de drie leerroutes fluctueren en afwijken van onderstaande inschatting.

   Asielstatushouders  Gezins- en overige migranten 
Z-route  15% 3%
Onderwijsroute 25% 14%
B1-route 60% 83%

4. De verdeling van aantallen inburgeraars in de verschillende leerroutes kan fluctueren over gemeenten. Worden ook de kostenverschillen die hierdoor mogelijk ontstaan gemonitord?

Bij zowel de macroraming als de verdeling van de SPUK-middelen wordt uitgegaan van één gemiddelde prijs per leerroute van € 10.000. Er wordt in de financiering dus geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende leerroutes. Uit de evaluatie na 3 jaar zal blijken of er wezenlijke kostenverschillen zijn tussen de leerroutes en of dit zorgt voor problemen voor gemeenten.

5. Hoe ga ik zorgen dat statushouders B1 halen, waar ze het nu al lastig vinden om A2 te halen?

Niveau B1 is het uitgangspunt in het nieuwe stelsel. Dit helpt mensen in hun werk en bij het meedoen in de samenleving. Het leren van de taal tijdens de inburgering is een investering. Daarvoor zijn goede lessen nodig en daarbij is de combinatie met participatie via werk en in de samenleving belangrijk: om een taal te leren moet je hem gebruiken. Naar verwachting is het niet voor alle inburgeringsplichtigen haalbaar om het inburgeringsexamen op B1-niveau af te ronden.

Er zijn in het nieuwe stelsel drie leerroutes, waarbinnen inburgeringsplichtigen op het voor hen hoogst haalbare niveau aan de inburgeringsplicht kunnen voldoen: de B1-route, de onderwijsroute (gericht op B1- of B2-niveau en uitstroom naar het mbo of naar het hoger onderwijs) en de zelfredzaamheidsroute (Z-route) voor de groep die naar verwachting rond A1-niveau zal uitkomen. Op basis van de brede intake, inclusief de leerbaarheidstoets die inzicht moet verschaffen in de snelheid waarmee de inburgeringsplichtige de Nederlandse taal kan leren, wordt vastgesteld welke leerroute het beste past bij de inburgeringsplichtige. De te volgen leerroute en de wijze waarop de inburgeringsplichtige gedurende het inburgeringstraject door de gemeente wordt begeleid, wordt vastgelegd in het PIP.

Wanneer B1 niet haalbaar blijkt tijdens het volgen van de B1-route en dit goed is onderbouwd, kan worden afgesproken dat (een of meerdere) taalonderdelen op A2-niveau worden afgelegd. Daarnaast krijgen gemeenten met de regierol de mogelijkheid via inkoop van leerroutes, combinatie met participatie en het bieden van de juiste begeleiding de effectiviteit van inburgering te vergroten.

6. Is het mogelijk om tussentijds te veranderen van leerroute?

Schakelen tussen leerroutes is mogelijk in het nieuwe stelsel, daarvoor moet wel het PIP worden aangepast en er moet onderbouwing voor zijn. Het kan zijn dat een inburgeraar in de Z-route toch meer kan of dat de vorderingen van de inburgeraar in de B1-route sterk achterblijven. De termijn, waarbinnen geschakeld kan worden tussen de leerroutes, wordt 1,5 jaar en zal in de lagere regelgeving worden vastgelegd. Er is voor deze termijn gekozen om te voorkomen dat mensen bijvoorbeeld door het ontbreken van de juiste begeleiding te lang in een route lessen blijven volgen die niet voldoende aansluiten.

7. Is het mogelijk om binnen de leerroutes taalvaardigheden op verschillende niveaus te halen?

Met het stelsel wordt ingezet op een zo hoog mogelijk taalniveau en op maatwerk. Het uitgangspunt daarvoor zijn de drie leerroutes en de brede intake. Het is in principe mogelijk om verschillende examenniveaus te combineren voor de taalonderdelen. Een inburgeraar legt dan bijvoorbeeld het examenonderdeel lezen af op een hoger niveau dan schrijven (op B2 in plaats van B1). B2-niveau valt binnen de doelstelling van de nieuwe wet waarbij B1 het uitgangspunt is.

Voor het afleggen van examenonderdelen op A2-niveau moet voldaan worden aan bepaalde voorwaarden, het PIP moet daarvoor ook worden aangepast. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt nog vastgelegd hoe dit in de praktijk wordt uitgevoerd en wanneer er sprake is van ‘aanzienlijke inspanningen’ van de inburgeringsplichtige. In een dergelijke situatie waarin examinering op A2-niveau mag plaatsvinden, voldoet iemand dus aan de inburgeringsplicht als alle examenonderdelen op ten minste A2-niveau zijn behaald. Dit betekent ook dat niets er aan in de weg staat dat de inburgeringsplichtige op onderdelen alsnog wordt geëxamineerd op B1-niveau.

Afschalen naar A2-niveau is niet mogelijk binnen de onderwijsroute. Schakelen van de onderwijsroute naar de B1-route (en dan onder de daarvoor geldende voorwaarden afschalen naar A2-niveau) kan gedurende het hele inburgeringstraject. 
Het taalschakeltraject binnen de onderwijsroute wordt zodanig ingericht dat het goed aansluit op de beoogde vervolgopleiding. Vervolgopleidingen vragen vaak minimaal B2-niveau. Indien een inburgeringsplichtige in de onderwijsroute examenonderdelen op B2-niveau kan afleggen, dan dient dit gestimuleerd te worden door de gemeente. Het behalen van een hoger taalniveau, doet in dat geval recht aan de capaciteiten van de inburgeringsplichtige en vergroot tevens de kansen van de inburgeringsplichtige op het behalen van een diploma in het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt.

De Z-route is bedoeld voor inburgeringsplichtigen bij wie tijdens de brede intake wordt vastgesteld dat zij veel moeite zullen hebben met het leren van de Nederlandse taal en voor wie A2-niveau niet haalbaar is. De Z-route is een intensief traject met activiteiten die aansluiten bij de persoonlijke capaciteiten van de inburgeringsplichtige. Er wordt gestreefd naar kennis van de Nederlandse taal op ten minste niveau A1, zelfredzaamheid in de samenleving, activering en participatie. In die gevallen dat het mogelijk is dat iemand in de Z-route alsnog examenonderdelen op A2-niveau kan behalen, dient dit gestimuleerd te worden door de gemeente.

(update 14 januari 2021)

8. Als een inburgeringsplichtige in de B1-route start, en er kan één keer tussen routes worden gewisseld, kan deze persoon dan nooit in de Z-route komen?

Er is een onderscheid tussen afschalen naar niveau A2 in de B1-route en schakelen tussen routes, bijvoorbeeld van B1 naar de Z-route.

Wanneer B1 niet haalbaar blijkt tijdens het volgen van de B1-route en dit goed is onderbouwd, kan worden afgesproken dat (een of meerdere) taalonderdelen op A2-niveau worden afgelegd (afschalen). Iemand kan, nadat dit in het PIP is vastgelegd, examens op niveau A2 doen om te voldoen aan de inburgeringsplicht. Op het diploma komt te staan op welk niveau de examens zijn behaald.

Als een route echt niet passend blijkt (niveau is bijvoorbeeld te hoog of te laag) is schakelen tussen leerroutes aan de orde. Iemand gaat dan een andere leerroute volgen en het PIP moet daarop worden aangepast. Daarvoor moet voldoende onderbouwing zijn. In het geval van schakelen van de B1-route naar de Z-route moet blijken dat de vordering van de inburgeraar in de B1-route sterk achterblijft bij de verwachtingen uit de brede intake en dat ook A2 niet haalbaar is. De termijn waarbinnen geschakeld kan worden naar een andere leerroute wordt vastgesteld op 1,5 jaar na de start en zal in de lagere regelgeving worden vastgelegd.

 

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Leerbaarheidstoets

Infographic leerbaarheidstoets

Welke rol krijgen gemeenten bij het afnemen van de leerbaarheidstoets? Welke stappen moeten zij hierbij zetten? En waarvoor zijn zij verantwoordelijk? Informatie hierover vind je op de infographic Leerbaarheidstoets (november 2021).

 

Bekijk de infographic (VNG, november 2021)

1. Wat meet de leerbaarheidstoets?

De leerbaarheidstoets heeft als doel om inzicht te geven in het niveau van de Nederlandse taal dat een inburgeringsplichtige kan bereiken gedurende de inburgeringstermijn, en geeft enkel antwoord op de vraag: “Is het niveau van de Nederlandse taal dat nodig is voor de B1-route haalbaar binnen de inburgeringstermijn van 3 jaar?”. Wordt iemand in de B1-route geplaatst dan is er ook de afschaalmogelijkheid naar taalniveau A2. De leerbaarheidstoets geeft géén indicatie van het actuele taalniveau, of andere capaciteiten en vaardigheden. Ook wordt de leerbaarheidstoets niet ingezet als instrument om voortgang of ontwikkeling te monitoren. De uitkomst van de toets is een belangrijke indicator voor het vaststellen van de leerroute van de inburgeringsplichtige door de gemeente.

(update antwoord op 7 september 2021)

2. Hoe wordt deze toets ontwikkeld?

De leerbaarheidstoets wordt ontwikkeld door Bureau ICE. Bureau ICE heeft een jarenlange ervaring in het ontwikkelen van examens en toetsen op het gebied van inburgering. Het resultaat van de leerbaarheidstoets geeft uitsluitsel via een ja/nee uitspraak. Deze uitslag geeft dus aan of het B1- of A2-niveau haalbaar is binnen een driejarig traject en biedt daarmee de juiste handvatten voor de gemeenten

De inhoud van de leerbaarheidstoets wordt bepaald door inhoudsdeskundigen die ruime ervaring hebben op het gebied van cognitiewetenschappen en psychologie maar die ook deskundig zijn op het gebied van NT2 en meertaligheid, onderwijs, toetsen en toetsontwikkeling, beleid en projectmanagement. Zij dragen zorg voor een leerbaarheidstoets die onafhankelijk, objectief en cultuurvrij is met gelijke kansen voor iedere inburgeringsplichtige. Tijdens het ontwikkelproces wordt voortdurend input verkregen van meerdere externe deskundigen op het gebied van taalleerbaarheidstoetsen en ook mensen uit andere culturen en landen die beoordelen of de toetsitems geschikt zijn. Alle toetsitems worden in meerdere fases in pretests beoordeeld op geschiktheid en hun voorspellende waarde bij het bepalen van de uiteindelijke resultaten.

De leerbaarheidstoets, vergt geen kennis van de Nederlandse taal, maar kijkt naar factoren die iets zeggen over leerbaarheid en dan met name de taalleerbaarheid.

(vraag toegevoegd op 7 september 2021)

3. Welke rol krijgen gemeenten bij de leerbaarheidstoets?

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets. Op deze manier wordt de leerbaarheidstoets gepositioneerd als integraal onderdeel van de brede intake. Concreet betekent dit dat gemeenten verantwoordelijk worden voor het inplannen van de afspraken met de kandidaten voor de afname van de leerbaarheidstoets, het beschikbaar stellen van afnamelocaties en de begeleiding bij de afname van de toets. De toetsbegeleiders zullen getraind en gecertificeerd worden door de ontwikkelaar van de leerbaarheidstoets. Gemeenten hebben geen rol bij de verwerking of beoordeling van de leerbaarheidstoets.

(vraag toegevoegd op 7 september 2021)

4. Als uit de leerbaarheidstoets blijkt dat B1-taalniveau niet haalbaar is, komt de inburgeraar dan direct in de Z-route terecht?

Als uit de leerbaarheidstoets blijkt dat de B1-route, inclusief afschaling naar taalniveau A2, niet haalbaar is voor een inburgeraar, dan lijkt een keuze voor de Z-route voor de hand te liggen. De gemeente bepaalt echter op basis van alle informatie uit de brede intake welke leerroute het meest passend is voor de inburgeraar. Het is dus mogelijk om, bij zwaarwegende redenen, af te wijken van de uitslag van de leerbaarheidstoets. Indien een gemeente beslist om af te wijken van de uitslag van de leerbaarheidstoets, dan dient de gemeente dat transparant en begrijpelijk vast te leggen in het PIP.  

(update antwoord op 7 september 2021)

5. Moet de leerbaarheidstoets tijdens de brede intake worden afgenomen of kan dat ook later?

Nee, omdat de leerbaarheidstoets onderdeel is van de brede intake, kan de leerbaarheidstoets niet later worden afgenomen. Op grond van de leerbaarheidstoets en de overige informatie die is opgehaald in de brede intake komt de gemeente tot een integraal oordeel over de meest passende leerroute en het daarbij behorende inburgeringstraject.  

6. Op welke manier worden gemeenten geacht het actuele taalniveau vast te stellen?

Tijdens de brede intake dient de gemeente o.a. informatie in te winnen over het taalniveau van de inburgeringsplichtige. Het betreft een inschatting van het taalniveau, waarbij geen erkende toets gebruikt hoeft te worden. Gemeenten kunnen bij de inschatting uiteraard informatie gebruiken vanuit het COA (zoals hun inschatting van de taalvaardigheid en de gemaakte voortgang tijdens voorinburgering) of de expertise van taalscholen aanwenden, bijvoorbeeld door hen onderdeel te maken van een multidisciplinair team voor de afname van de brede intake.  

(vraag toegevoegd op 3 mei 2021)

7. Welke keuzes moeten gemeenten maken in de voorbereiding op hun rol bij de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets?

De gemeente staat voor enkele belangrijke keuzes voordat de leerbaarheidstoets kan worden uitgevoerd. Het is noodzakelijk om daar zo snel mogelijk mee aan de slag te gaan. Aangezien de leerbaarheidstoets onderdeel is van de brede intake ligt het voor de hand om aansluiting te zoeken bij de keuzes die al zijn genomen in het kader van de uitvoering van de brede intake. 

De volgende keuzes moeten vroegtijdig worden gemaakt: 

  • Wordt de toets lokaal of regionaal afgenomen?
  • Wordt de toets individueel of klassikaal afgenomen?
  • Gaat de gemeente de taak zelf uitvoeren of wordt deze uitbesteed aan een andere partij?
  • Op welk moment in de brede intake wordt de toets wordt afgenomen? 

Het lijkt voor de hand liggend dat dit wordt gedaan aan het eind van de brede intake, zodat de inburgeringsplichtige zover mogelijk gevestigd is in de gemeente. Deze keuzes worden ook benoemd en uitgewerkt in de Impactanalyse Leerbaarheidstoets van de VNG.

Het is belangrijk om deze keuzes tijdig te maken. Dit is onder andere noodzakelijk voor de keuze van de toetsbegeleider in verband met de te volgen training bij Bureau ICE. Daarnaast zal de gemeente ook tijdig faciliteiten moeten regelen, zoals toetslocaties en devices. 

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

8. Is de leerbaarheidstoets ook toegankelijk voor niet-digivaardigen en analfabeten? 

De toets is zo ingericht dat deze ook te maken is voor niet- of minder digivaardigen en analfabeten. Voor niet-digivaardige deelnemers is een device met touchscreen noodzakelijk. 

De instructie over de leerbaarheidstoets is zowel geschreven als in audio beschikbaar in 29 verschillende talen. Daarnaast kan de toetsbegeleider zo nodig aanvullende uitleg geven over het gebruik van het device. Het beantwoorden van de vragen van de leerbaarheidstoets vraagt verder geen talen of -digitale kennis.

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

9. Is de leerbaarheidstoets ook geschikt voor mensen met auditieve en visuele beperkingen?

Voor inburgeringsplichtigen met een visuele en/of auditieve beperking wordt op dit moment door de VNG en het ministerie van SZW naar een passende uitvoering gezocht. 

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

10. Wat houdt het in om toetsbegeleider te zijn bij de afname van de leerbaarheidstoets? 

Als toetsbegeleider faciliteer je de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets waardoor de inburgeringsplichtige deze toets kan maken. Dit betekent dat je de inburgeringplichtige naar zijn of haar plek brengt, eventueel uitleg geeft over het doel van de toets en het device, dat je de toets opstart, en ook weer afsluit wanneer die is afgerond. Om als toetsbegeleider aan de slag te gaan is het belangrijk dat je beschikt over de volgende vaardigheden: 

  • goede communicatieve en sociale vaardigheden
  • goede communicatieve vaardigheden met mensen die weinig Nederlands spreken
  • goede administratieve en computervaardigheden
  • stevige doch vriendelijke, geduldige persoonlijkheid
  • culturele sensitiviteit 

Voordat je aan het werk kunt als toetsbegeleider moet je eerst de zelfstudiemodule voor Optimum doornemen en de online training (1 dagdeel) van Bureau ICE hebben gevolgd. Vanaf 8 november 2021 verzorgt Bureau ICE de trainingen. In eerste instantie (tot 1 januari 2022) staat de inschrijving voor deze training open voor één toetsbegeleider per gemeente. Vanaf 1 januari tot en met 1 april 2022 kunnen er nog tot drie toetsbegeleiders per gemeente worden getraind. De inschatting van VNG Realisatie is dat er gemiddeld 2-4 getrainde toetsbegeleiders per gemeente nodig zijn. Het is echter goed mogelijk dat de grote gemeenten, met meer dan 250 inburgeringsplichtigen op jaarbasis, in januari al twee getrainde toetsbegeleiders wenselijk vinden. Gemeenten kunnen dit melden via inburgering@vng.nl. Dan kijken we samen wat de mogelijkheden zijn. 

Aanmelden voor de online training gaat via de website van Bureau ICE.

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

11. Hoe ontvangt de gemeente het resultaat van de leerbaarheidstoets? 

De uitslag van de leerbaarheidstoets is binnen 48 uur beschikbaar. De gemeente kan de uitslag van de toets ophalen in het Portaal Inburgering. Let op: de gemeente heeft alleen inzicht in de uitslag van de inburgeringsplichtige die in de eigen gemeente woonachtig is.

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

12. Ontvangen gemeenten ook middelen voor hun rol bij de afname bij de leerbaarheidstoets? 

Er worden structurele middelen beschikbaar gesteld. De middelen volgen het verwachte aantal inburgeraars per jaar.

2022 2023 2024 2025 en verder
€ 6,2 miljoen € 5,7 miljoen € 5,6 miljoen € 5,5 miljoen

Deze bedragen zijn inclusief btw en omvatten kosten voor toetsbegeleiders (incl. tijd voor training), inplannen van afspraken met inburgeraars, eventuele tolkenkosten en de prijs voor afnamelocaties en devices. Voor verdeling van deze middelen wordt aansluiting gezocht bij middelen die gemeenten ontvangen voor de brede intake. De middelen worden toegekend in de meicirculaire 2022.

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

13. Moeten deelnemers zich vooraf voorbereiden op de leerbaarheidstoets?

Nee, dit is juist niet de bedoeling. Het betreft een leerbaarheidstoets en geen examen. De toets is zo ingericht dat de vraag: “Is het niveau van de Nederlandse taal dat nodig is voor de B1-route haalbaar binnen de inburgeringstermijn van 3 jaar?” beantwoord kan worden. Hiervoor wordt gekeken naar de leerbaarheid van de inburgeringsplichtige op dat moment zonder voorbereiding. Het is de taak van de klantmanager om vooraf de juiste verwachtingen te wekken tijdens de gesprekken die worden gevoerd in het kader van de brede intake. 

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

14. Op welke manier kan de leerbaarheidstoets worden afgenomen als de inburgeringsplichtige nog op een azc woont? 

De begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets is een taak van de gemeente. De gemeente draagt zorg voor de toetsbegeleiders bij de afname, de afnamelocatie en de benodigde devices. Indien de gemeente ervoor kiest om te starten met de brede intake op het moment dat de inburgeringsplichtige nog op het azc woont, zal de kandidaat voor de afname van de leerbaarheidstoets naar de gemeentelijke locatie moeten reizen. Hiervoor kan de gemeente afspraken maken met de gekoppelde inburgeringsplichtige. 

Ondersteuning vanuit het azc bij de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets, bijvoorbeeld in de vorm van personele capaciteit of beschikbare ruimtes of locaties, is niet aan de orde.

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

15. Mag er bij het afnemen van de leerbaarheidstoets een tolk aanwezig zijn?

De instructie voor de leerbaarheidstoets is, zowel schriftelijk als in audiofragmenten in 29 talen beschikbaar. 

Indien de gemeenten het daarnaast nodig of wenselijk vindt, kunnen tolken ingezet worden voor aanvang van de leerbaarheidstoets. Tolken kunnen in de eigen taal van de inburgeringsplichtige het proces van de leerbaarheidstoets en de afname toelichten, bijvoorbeeld door een uitleg te geven over de werking van het device. De tolken mogen, net als de toetsbegeleiders, geen inhoudelijke hulp of ondersteuning bieden bij het maken van de toets. De aanwezigheid van tolken gedurende de afname van de toets is niet nodig. 

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

16. Is het mogelijk om de leerbaarheidstoets af te laten nemen door een derde partij? 

Het staat de gemeenten vrij om de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets door een derde partij uit te laten voeren. Het heeft echter wel de voorkeur om hier terughoudend mee te zijn, omdat de gemeente integraal eindverantwoordelijk blijft voor de kwaliteit en objectiviteit van de begeleiding van de afname ook ingeval van het uitbesteden van deze taak. Bovendien mag er geen sprake zijn van onwenselijke belangenverstrengeling, in relatie tot het aanbieden van het taalaanbod in de betreffende gemeente.

(vraag toegevoegd op 25 oktober 2021)

17. Blijft het COA ook een leerbaarheidstoets afnemen?

Voorafgaand aan de start van de NT2-lessen binnen het programma Voorinburgering neemt het COA bij alle deelnemers een toets taalleerbaarheid af. De toets taalleerbaarheid geeft inzicht of iemand een snelle, gemiddelde of langzame leerling is. Op basis van de resultaten van de toets kan de taaldocent de statushouder in één van de drie niveaugroepen plaatsen (analfabeten, laagopgeleiden en middelbaar/hoogopgeleiden) en daarmee een voor hem/haar zo passend mogelijk taaltraject uitzetten. Deze toets taalleerbaarheid heeft enkel betrekking op de NT2-lessen bij het COA en houdt geen verband met de leerbaarheidstoets die zal worden afgenomen om de leerroute binnen de reguliere inburgering te bepalen. Het resultaat van de toets taalleerbaarheid is ook zichtbaar op het klantprofiel dat met de gemeente wordt gedeeld.

(vraag toegevoegd op 4 november 2021)

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Alfabetisering

1. Hoe wordt de alfabetisering van inburgeringsplichtigen gefinancierd?

Alfabetisering is een integraal onderdeel van de leerroute die de inburgeringsplichtige volgt. Gemeenten kunnen budget uit de leerroute gebruiken voor alfabetiseringsonderwijs. Gezinsmigranten moeten hun onderwijs zelf betalen en kunnen indien nodig gebruikmaken van de DUO lening.

Let op: Alfabetisering kan onderdeel zijn van alle leerroutes; de B1-route en de Onderwijsroute indien de inburgeringsplichtige voldoende leerbaar is, en de Z-route indien de leerbaarheid van de inburgeringsplichtige beperkter is.

2. Hoeveel uur kan een inburgeringsplichtige maximaal besteden aan alfabetisering? Wat gebeurt er als een inburgeringsplichtige na afloop van deze uren nog steeds niet gealfabetiseerd is?

Er is geen maximaal aantal uren vastgelegd voor alfabetiseringsonderwijs. Het kan voorkomen dat iemand alfabetiseringsonderwijs in het kader van de B1-route of de Onderwijsroute volgt, maar hier minder vooruitgang in boekt dan vooraf werd verwacht. In dit geval kan onderbouwd besloten worden om te schakelen naar een andere route of, in het geval van de B1-route, af te schalen naar een lager taalniveau (A2). Schakelen naar een andere route kan tot maximaal anderhalf jaar na de start van de inburgeringstermijn. Afschalen naar taalniveau A2 kan na ‘aanzienlijke inspanningen’, de invulling hiervan wordt verder uitgewerkt in de lagere regelgeving. Gedacht wordt aan een vastgesteld aantal gevolgde lesuren, waar ook de uren die besteed zijn aan alfabetiseringsonderwijs onder vallen.

3. Hoe verhouden de uren alfabetiseringsonderwijs in de Z-route zich tot de urenverplichting in de Z-route?

Zowel voor asielstatushouders als voor gezins- en overige migranten geldt in de Z-route een urenverplichting voor Nt2-les en KNM van 800 uren. De uren alfabetiseringsonderwijs die door de inburgeringsplichtige worden gevolgd tellen mee voor de urenverplichting voor taal. Voor asielstatushouders geldt daarnaast een urenverplichting voor participatie. De uren die zijn besteed in het kader van de MAP en het PVT maken daar onderdeel van uit.

4. Mag een inburgeringsplichtige die alfabetiseringsonderwijs volgt in de Z-route ook al uren maken voor het onderdeel participatie?

Ja, dit kan. Er is geen sprake van volgordelijkheid in de Z-route.

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

B1-route

1. In het advies van de Raad van State staat dat zij niet voor afschaling naar niveau A2 zijn, als vanaf het begin duidelijk is dat iemand niet hoger zal uitkomen. Wat heeft het ministerie met dit advies gedaan? Waarom is er bijvoorbeeld geen aparte A2-route ingericht?

Er wordt gekozen om geen aparte A2 route in te richten omdat dit de ambitie om meer mensen op een hoger taalniveau te laten komen kan belemmeren. Om goed mee te kunnen doen op de arbeidsmarkt en in de samenleving is beheersing van de Nederlandse taal belangrijk. Niveau B1 staat voor ‘onafhankelijk gebruiker’: daarmee is iemand in staat om bijvoorbeeld op de werkvloer te communiceren over situaties of ervaringen. Op de lagere niveaus (basisgebruiker van een taal, niveau A1 en A2) is de taalvaardigheid meer basaal: het beantwoorden van vragen en beschrijven van alledaagse handelingen. Wanneer het behalen van het taalniveau B1 mogelijk lijkt, moet er alles aan gedaan worden om dit niveau daadwerkelijk te behalen, dit vraagt om passende trajecten, ook binnen de B1-route zodat ook mensen die minder snel in staat zijn de taal te leren, toch het juiste aanbod krijgen om zo ver mogelijk te komen. Dat vraagt van de gemeente kwalitatief goede dienstverlening als het gaat om taallessen en begeleiding en doet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid en inspanning van de inburgeringsplichtige. De realiteit is echter dat niet alle inburgeringsplichtigen in staat zijn om de examens te halen op dit niveau. Het is daarom onder voorwaarden mogelijk om de taalexamens op niveau A2 af te leggen. Dit kan pas nadat de inburgeringsplichtige een aanzienlijke inspanning van om de taal te leren, heeft laten zien.

2. Tellen de uren aan participatieactiviteiten in de B1-route mee in het bepalen van de (hoogte van de) boete door DUO?

Als een inburgeringsplichtige verwijtbaar niet tijdig voldoet aan diens inburgeringsverplichting, dan legt DUO een boete op. Bij het vaststellen van de hoogte hiervan houdt DUO rekening met de door de inburgeringsplichtige geleverde inspanningen. Dit doen zij voor inburgeraars in de B1-route onder andere door te kijken naar het aantal daadwerkelijk gevolgde uren taalles en cursusuren KNM, afgezet tegen het totaal vastgesteld aantal uren in het PIP.

In de B1-route maken participatieactiviteiten in beginsel geen deel uit van deze weging. Tenzij er sprake is van uren waarbij een zeer nadrukkelijk verband valt te leggen met het leren van de Nederlandse taal, of de ondersteuning daarvan. Dat wil zeggen: wanneer in de B1-route de lessen Nt2 en KNM zijn ‘verweven’ met participatieactiviteiten die uitsluitend zijn bedoeld voor het leren van de Nederlandse taal, deze eveneens kunnen worden beschouwd als gevolgde cursusuren Nt2 en KNM. De voorwaarde is wel dat de uren, net als de ‘zuivere’ uren Nt2 en KNM, moeten zijn gevolgd bij een instelling met een Blik op Werk-keurmerk of een daarmee gelijk te stellen keurmerk. Dan kunnen deze uren worden meegeteld als gevolgde uren cursus Nederlands.

(vraag toegevoegd op 18 maart 2021)

3. Geldt het Blik op Werk-keurmerk ook voor instellingen die participatieactiviteiten verzorgen binnen de B1-route?

Bij participatieactiviteiten, met als doel om perspectief op de arbeidsmarkt te vergroten en de taal in de praktijk te leren in het kader van de Participatiewet, geldt deze verplichting niet.

Formeel gezien tellen de uren die tijdens participatieactiviteiten worden gemaakt niet mee voor de inburgeringsplicht. Het is echter mogelijk om (een deel van) deze uren wel mee te laten tellen voor de boetematiging van DUO, indien de inburgeringsplichtige verwijtbaar niet tijdig aan diens inburgeringsverplichting heeft voldaan. Daarvoor geldt een aantal voorwaarden (zie antwoord op vraag 2).

(vraag toegevoegd op 18 maart 2021)

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Onderwijsroute

Actueel

Ga snel naar de Q&A onderwijsroute naar aanleiding van het Bestuurlijk Overleg op 8 november 2021. Met onder meer vragen en antwoorden over de inkoop van de onderwijsroute.

1. In hoeverre is het mogelijk om af te wijken van de duur van de onderwijsroute?

De termijn om aan de inburgeringsplicht te voldoen, blijft in het nieuwe stelsel drie jaar. Een taalschakeltraject binnen de onderwijsroute is een intensief traject dat naar verwachting gemiddeld anderhalf jaar zal duren, gericht op instroom in een vervolgopleiding. Dit betreft een gemiddelde duur. Een langere of kortere duur van een taalschakeltraject is mogelijk.

Inburgeringsplichtigen kunnen gedurende het gehele inburgeringstraject (dus zowel tijdens de initiële inburgeringstermijn, de verlengde termijn als de vastgestelde nieuwe termijn) overstappen van de onderwijsroute naar de B1-route. Specifiek voor inburgeringsplichtigen in de onderwijsroute wordt een uitzondering gemaakt op de termijn van anderhalf jaar voor het wijzigen van leerroute. Mocht taal op B1-niveau niet haalbaar blijken, hebben zij hierdoor (in de B1-route) alsnog de mogelijkheid om af te schalen en zodoende taalexamenonderdelen op het niveau A2 af te leggen, zodat zij uiteindelijk kunnen voldoen aan hun inburgeringsplicht.

(update 14 januari 2021)

2. Is voor de Onderwijsroute ook een Blik op Werk-keurmerk vereist of alleen WEB-erkend waarbij de Inspectie voor Onderwijs toeziet op de kwaliteit van het onderwijs?

Er is in beginsel geen Blik op Werk-keurmerk benodigd (zie ook vraag 3). Aanbieders van deze taalschakeltrajecten moeten diploma-erkenning voor deze trajecten aanvragen en verkrijgen, waardoor de Inspectie van het onderwijs het toezicht op de kwaliteit van deze trajecten uitvoert.

3. Mag ik als gemeente naast diploma-erkenning voor de Onderwijsroute ook een Blik op Werk Keurmerk vragen?

De wet- en lagere regelgeving sluiten niet uit dat in een aanbesteding voor de onderwijsroute naast de verplichte (wettelijke) eis van diploma-erkenning óók een BoW-keurmerk wordt geëist. Dit wordt echter onwenselijk geacht: er is namelijk bewust voor gekozen om per leerroute slechts één specifieke vorm van toezicht op de kwaliteit in de wetgeving vast te leggen, omdat daarmee de kwaliteit voldoende wordt geborgd. Door zowel een diploma-erkenning, alsmede een BoW-keurmerk te eisen dienen cursusinstellingen te voldoen aan twee verschillende sets kwaliteitscriteria, welke niet per definitie overlappend zijn. Daarbij komt kijken dat er eveneens sprake is van twee verschillende vormen van toezicht met de daarbij behorende toezichthouders. Dit zou een zware administratieve belasting voor de cursusinstelling kunnen opleveren.

Dit laat overigens onverlet dat gemeenten wel andere nadere kwaliteitseisen kunnen stellen. Zie hiertoe de voorbeelden in de handreiking Van beleid naar inkoop in de inburgering (paragraaf 2.9). En voor aanbieders die zowel de onderwijsroute als andere leerroutes willen kunnen aanbieden, geldt natuurlijk wel dat zij aan beide eisen moeten voldoen.

(vraag toegevoegd 22 april 2021)

4. Mag iemand die ouder is dan 28 straks altijd naar de onderwijsroute? Is aansluitend regulier onderwijs volgen met behoud van uitkering dan mogelijk?

Hoewel de onderwijsroute in beginsel is bedoeld voor jonge inburgeringsplichtigen, geldt er voor deze route geen leeftijdsgrens zodat de toegankelijkheid van de onderwijsroute ongeacht de leeftijd is geborgd. Echter, voor inburgeringsplichtigen gelden dezelfde voorwaarden als voor niet-inburgeraars om een beroep te kunnen doen op studiefinanciering en het volgen van een reguliere opleiding met behoud van uitkering. Is er recht op studiefinanciering, dan is er geen recht op een bijstandsuitkering. Wie na zijn 30-ste instroomt in het onderwijs, komt niet in aanmerking voor studiefinanciering. De gemeente kan, na afronding van de onderwijsroute, het volgen van een opleiding met behoud van uitkering toestaan, maar is daartoe niet verplicht. De gemeente maakt in samenspraak met de individuele inburgeringsplichtige de keuze voor de meest geschikte leerroute op grond van de informatie uit de brede intake. De verwachting is dat gemeenten de onderwijsroute slechts voor een beperkte groep oudere inburgeringsplichtigen in zullen zetten.

5. Hoe kunnen deelnemers van de onderwijsroute in hun levensonderhoud voorzien. Moeten ze dan niet een bijstandsuitkering aanvragen? En zo ja, gaan de verplichtingen van de Participatiewet dan niet knellen ten opzichte van inburgerplicht?

Voor inburgeringsplichtigen gelden dezelfde voorwaarden als voor niet-inburgeraars om een beroep te kunnen doen op een bijstandsuitkering om in hun levensonderhoud te voorzien. Van gemeenten wordt verwacht dat zij hun regierol op de uitvoering van inburgering mede zullen gebruiken om inburgering te verbinden met andere relevante onderdelen van het sociaal domein, met name de Participatiewet. Een aanzienlijk deel van de inburgeringsplichtigen, met name asielstatushouders, is tevens bijstandsgerechtigd. Om die reden is bepaald dat beschikkingen die de gemeente neemt op basis van de Participatiewet onderdeel uitmaken van het PIP. Als een inburgeringsplichtige bijstandsgerechtigd is en de verplichtingen op grond van de Participatiewet niet nakomt, beschikken gemeenten derhalve (ook) over het instrumentarium van de Participatiewet om te kunnen handhaven.

6. Hoe financieren we de onderwijsroute voor de mensen die niet in aanmerking komen voor stufi, bijstandsuitkering laten doorlopen, budget P-wet?

Gemeenten ontvangen een inburgeringsbudget dat mag worden besteed aan voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht. Het gaat daarbij onder meer om de kosten van de invulling van de leerroutes, waaronder de onderwijsroute. Voor alle leerroutes is rekening gehouden met een gemiddelde vergoeding van €10.000 per traject (raming). Daarnaast gelden voor inburgeringsplichtigen dezelfde voorwaarden als voor niet-inburgeraars om een beroep te kunnen doen op een bijstandsuitkering om in hun levensonderhoud te voorzien.

7. Waaruit bestaat de onderwijsroute? Maakt een duale component hier onderdeel van uit?

De onderwijsroute bestaat uit een taalschakeltraject waarin de inburgeringsplichtige onder andere de Nederlandse taal leert op minimaal B1-niveau. Ook KNM maakt hier onderdeel van uit. Verder worden in het traject vakdeficiënties weggewerkt en krijgt de deelnemer leervaardigheden onderwezen evenals vaardigheden voor opleidings- en beroepskeuze. Tot slot dient de inburgeringsplichtige die de onderwijsroute volgt tevens het PVT te volgen.

Een taalschakeltraject binnen de onderwijsroute is een intensief traject dat naar verwachting gemiddeld anderhalf jaar zal duren. Dit betreft een gemiddelde duur. Een langere of kortere duur van een taalschakeltraject is mogelijk. De duur en exacte inhoud van het taalschakeltraject hangen af van de uitgangspositie van de inburgeringsplichtige en diens gewenste vervolgopleiding.

De onderwijsroute bevat geen duale component. Aangezien de onderwijsroute een intensief traject is gericht op zo snel mogelijke instroom in het reguliere onderwijs, maken praktijkuren hier geen onderdeel van uit. Wel kunnen in het taalschakeltraject een snuffelstage of meeloopdagen ed. worden opgenomen met oog op de opleidings- en beroepskeuze.

8. Waarom geeft het diploma voor het taalschakeltraject geen toelatingsrecht tot een vervolgopleiding?

Bij toelatingsrecht zou het diploma van het taalschakeltraject gelijkgesteld moeten worden aan een diploma van een volledige vooropleiding. Hier wordt niet voor gekozen. Het staat de vervolgopleidingen wel vrij om zelf de toelating te garanderen.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Taalschakeltraject

Deze paragraaf bestaat uit een document met vragen en antwoorden voor aanbieders van het taalschakeltraject binnen de onderwijsroute. De tekst is ingebracht door het ministerie van OCW, die verantwoordelijk is voor de taalschakelroute.

Vragen

De vragen voor aanbieders van het taalschakeltraject in het document gaan over:

  • Documenten die nodig zijn voor diploma-erkenning
  • Duur aanvraagprocedure diploma-erkenning
  • Overig procedureel
  • Toezicht en gegevensuitwisseling
  • Onderwijs en examinering
  • Opschaling, afschaling en vervolgopleiding
  • Taalschakeltraject overige vragen
  • Vragen van taalschakelinstellingen over gemeenten

Eventuele (aanvullende) vragen kun je sturen naar Divosa

Download

FAQ's Onderwijsroute taalschakeltraject (pdf, 321 kB), aangepaste versie 12 november 2021

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Z-route

1. Wat wordt er bij de Z-route van de nieuwkomer verwacht?

De Z-route is een intensieve route in het inburgeringsstelsel, waarin inburgering en participatie stevig worden gecombineerd. Deze route is erop gericht dat ook inburgeringsplichtigen die niet of nauwelijks een opleiding hebben gehad, met een zeer lage leerbaarheid en/of analfabeet zijn een passend aanbod krijgen. Het doel is om de inburgeraars in deze route zo goed mogelijk voor te bereiden op een toekomst in Nederland door ze op een voor hen zo hoog mogelijk niveau de Nederlandse taal te laten leren en ze voldoende handvatten mee te geven om in Nederland zelfstandig hun weg te vinden.

In het PIP wordt een nadere invulling van het traject vastgelegd, waarbij aandacht is voor de urennorm van 1600 uur. Minimaal 800 uur moet worden ingezet op het leren van de Nederlandse taal en KNM waarbij het streefniveau op de vier taalonderdelen (lezen, luisteren, schrijven en spreken) minimaal op niveau A1 ligt. De overige 800 uur moet onder andere worden besteed aan activering en participatie en de overige onderdelen van de inburgeringsplicht (PVT en MAP). Het PVT en de MAP dienen (succesvol) afgerond te worden. De invulling van deze 800 uur is maatwerk en moet worden afgestemd op de capaciteiten en behoeften van de inburgeringsplichtige.

Het streefniveau op de vier taalonderdelen (lezen, luisteren, schrijven en spreken) is (ten minste) het niveau A1. Het belang van daadwerkelijk leren lezen en schrijven voor deze doelgroep mag niet worden onderschat. Deelnemers moeten voldoende worden toegerust om in het dagelijks leven om te kunnen gaan met de geschreven taal. Contextrijk onderwijs dat zich enkel richt op spreken en luisteren is hiervoor niet toereikend. Indien een inburgeringsplichtige, gedurende het traject, toch in staat blijkt om (op een of meerdere) onderdelen een examen op niveau A2 te doen, wordt dit door de betrokken partijen gestimuleerd.

De gemeente heeft de taak om de vorderingen van de inburgeringsplichtige goed bij te houden, om zodoende te kunnen bepalen of betrokkene aan het PIP heeft voldaan. Ter afsluiting van de Z-route vindt een verplicht eindgesprek plaats. Dit gesprek wordt door de gemeente georganiseerd. Dit eindgesprek is nodig. In dit gesprek wordt bepaald of de deelnemer heeft voldaan aan de inburgeringsplicht (in tegenstelling tot de andere routes, waarin de examenverplichting geldt).

2. Hoort iemand die moet alfabetiseren standaard in de Z-route? Is alfabetiseren ook onderdeel van de leerroute, of is dat een apart onderdeel?

Analfabeten en anders-gealfabetiseerden krijgen niet automatisch een advies voor de Z-route. De gemeente bepaalt de meest passende leerroute op basis van een integraal oordeel op grond van alle informatie uit de brede intake. Het advies voor een leerroute is afhankelijk van de leerbaarheid van de inburgeringsplichtige. Om daar zicht op te krijgen wordt tijdens de brede intake een leerbaarheidstoets afgenomen.

Voor veel analfabeten zal de Z-route aansluiten bij hun leerbaarheid en niveau van zelfredzaamheid. Indien uit de leerbaarheidstoets en informatie opgehaald uit de brede intake blijkt dat analfabete inburgeraars een hoger niveau kunnen behalen, krijgen zij een advies voor het volgen van de B1-route of de onderwijsroute, waarbij zij indien nodig starten met een alfabetiseringstraject.

3. Staat de urenverplichting voor de Z-route vast? Moet de inburgeringsplichtige ook 1600 uur volgen indien uitstroom naar werk eerder mogelijk is?

Ja, de urenverplichting voor de Z-route staat vast. Voor gezinsmigranten geldt de urenverplichting op taal en KNM van 800 uur, daarnaast moeten zij het PVT en de MAP volgen. Voor asielstatushouders geldt een urenverplichting voor taal en KNM van 800 uur en voor participatie van 800 uur, de MAP en het PVT maken daar onderdeel van uit. Indien een asielstatushouder in de Z-route kan uitstromen naar werk voordat hij of zij heeft voldaan aan de urenverplichting voor participatie van 800 uur is dit geen probleem. Immers de uren die hij werkt, zijn een vorm van participatie en tellen mee voor de urenverplichting.

Let op: indien een inburgeringsplichtige in de Z-route meer vooruitgang boekt dan verwacht, meer leerbaar is en ook succesvol kan uitstromen naar werk, kan schakelen naar de B1-route ook worden overwogen. 

4. Komt er een landelijke checklist voor eindgesprek Z-route? 

Nee. Gemeenten kunnen dit zelf vormgeven. Het doel van het eindgesprek is het vaststellen dat aan de Z-route is voldaan, omdat in deze route geen examens hoeven te worden afgelegd. Logischerwijs vindt het gesprek dus pas plaats nadat aan de urenverplichting is voldaan.

5. Welke uren mogen meetellen voor de participatiecomponent in de Z-route?

Ofwel: mogen de uren voor de maatschappelijke begeleiding, begeleiding bij financiële zelfredzaamheid en begeleidings- en voortgangsgesprekken in het kader van het PIP ook meetellen voor de urenverplichting voor de participatiecomponent in de Z-route?

De Z-route heeft naast taal ook een stevige focus op participatie. Zoveel als mogelijk is daarbij aandacht voor betaald werk, vrijwilligerswerk, stage, arbeidsoriëntatie en –toeleiding, scholing en (deel)certificering. Daarnaast kan ook worden ingezet op activiteiten in andere domeinen zoals financiën, gezondheid en sociaal netwerk.

Belangrijk bij de invulling van de participatiecomponent is dat moet worden voldaan aan de eisen dat deze in een Nederlandstalige omgeving plaatsvindt en dat de activiteiten niet in isolement plaatsvinden. Daarnaast is het van belang dat de activiteiten aansluiten bij de ontwikkelmogelijkheden van de deelnemer, een actieve inzet vergen en een directe bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van de inburgeringsplichtige.

  • In het geval activiteiten van het aanbod maatschappelijke begeleiding van de betreffende gemeente aansluiten bij de eisen en uitgangspunten voor de participatiecomponent van de Z-route, kan de gemeente ervoor kiezen om deze uren mee te laten tellen voor de urenverplichting. Dat geldt ook voor activiteiten van een begeleidingstraject financiële zelfredzaamheid.
  • Begeleidings- en voortgangsgesprekken in het kader van het PIP hebben tot doel om de voortgang van de inburgeringsplichtige te bespreken en te verwerken; een activiteit van de gemeente. De uren die meetellen voor de urenverplichting moeten activiteiten betreffen die een actieve inzet van de inburgeringsplichtige vergen. De uren in het kader van begeleidings- en voortgangsgesprekken tellen daarom niet mee voor de urenverplichting in de Z-route.

(vraag toegevoegd op 11 maart 2021)

6. Hoe kunnen gemeenten uit het budget voor de Z-route naast 800 uur taal ook participatie bekostigen?

Gemiddeld ontvangt de gemeente per inburgeringsplichtige een bedrag van €10.000,- voor de leerroute (exclusief examens, MAP, MB etc.). Dit is dus nadrukkelijk geen normbedrag, maar een gemiddelde voor de drie leerroutes. Per leerroute en per inburgeraar kunnen de daadwerkelijke kosten verschillen. De gemeenten ontvangen op basis van de Wet inburgering 2021 een totaalbudget voor het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen, waaronder de leerroutes. Zij kopen daarvoor inburgeringstrajecten in en bepalen daarmee voor welk bedrag de opdracht voor elk van de leerroutes in de markt wordt gezet. Bij de onderwijsroute gaat dat dan bijvoorbeeld om het taalschakeltraject inclusief alle onderdelen die daarbij komen kijken, voor de Z-route is hier inderdaad ook de participatiecomponent onderdeel van. Het is denkbaar dat een Z-routetraject duurder uitkomt dan een B1-routetraject, dat hangt ook af van de aanbesteding. Een gemeente kan er daarnaast voor kiezen om ook Participatiebudget in te zetten, maar dit hoeft niet.

(vraag toegevoegd op 3 mei 2021)

7. Wanneer een asielstatushouder in de Z-route incidenteel niet aan zijn uren komt (taal of participatie) bijvoorbeeld door ziekte, hoe moet een gemeente hier dan mee omgaan?

Inburgeraars die de Z-route volgen, hebben een verplichting voor 1.600 uur, waarvan 800 uur Nt2-onderwijs en KNM en 800 uur participatieactiviteiten. Niet-gevolgde uren moeten in beginsel worden ingehaald. Er kunnen zich incidenteel situaties voordoen, waarin het niet aan de inburgeringsplichtige te wijten is dat er een uurtje wordt gemist, bijvoorbeeld door ziekte of andere onvoorziene omstandigheden. Het is aan de gemeente om op basis van de omstandigheden en context te besluiten welke afspraken met de inburgeringsplichtige in dit geval passend zijn. Dat is uiteraard anders als dit vaker gebeurt en het wel aan de inburgeringsplichtige te wijten is dat hij lessen heeft gemist: dan is handhaving (opleggen boete) aan de orde.

(vraag toegevoegd op 16 augustus 2021)

Meer informatie

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Examinering

1. Welke examens moet iemand doen om te voldoen aan de inburgeringsplicht?

B1-route: Iedereen die de B1-route volgt moet examens doen waarmee beheersing van de Nederlandse taal wordt aangetoond en moet daarnaast het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) doen. De examinering voor taal bestaat uit vier deelexamens voor de vier taalvaardigheden Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken. In de B1-route is het doel dat mensen een zo hoog mogelijk taalniveau bereiken. Mocht iemand niet in staat zijn om B1-niveau te halen voor deze onderdelen dan kan onder voorwaarden worden afgeschaald naar de A2-examens. Ook kan iemand de examens op een hoger niveau (niveau B2) afleggen.

Het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij is ontwikkeld op basis van eindtermen die zijn vastgelegd in de Wet inburgering. Die eindtermen gaan over thema’s die belangrijk zijn voor mensen die in Nederland wonen, denk aan het onderwijssysteem zoals onderwijsniveaus en de leerplicht, de rechtsstaat, feestdagen, de arbeidsmarkt, belastingen, de taak van de gemeente, de politie etc.

Onderwijsroute: Ook de deelnemers aan de Onderwijsroute moeten de taalonderdelen behalen (op niveau B1 of B2) en het examen KNM. Dit zijn dezelfde examens als in de B1-route. Naast deze centrale examens zijn er voor deelnemers aan de Onderwijsroute nog andere vakken die onderdeel uitmaken van hun programma. Die onderdelen worden door de aanbieder van het taalschakeltraject geëxamineerd. Dit verschilt per traject, je kunt dan denken aan Engels, Loopbaanoriëntatie of Rekenen. Met deze vaardigheden bereiden deelnemers aan de Onderwijsroute zich voor op instroom in het reguliere middelbaar beroepsonderwijs of hoger onderwijs.

Z-route: Deelnemers aan de Z-route leggen in beginsel geen centrale examens af omdat het verwachte taalniveau onder niveau A2 ligt. Mocht iemand toch zo veel progressie boeken dat het A2-niveau is bereikt, dan is het mogelijk deel te nemen aan een of meerdere A2-examens. Dat moet door de gemeente dan wel in het PIP worden vastgelegd zodat DUO dit goed kan verwerken bij aanmelding. Als het A2-niveau voor een of meerdere vaardigheden is behaald door het examen bij DUO af te leggen, dan wordt dit vermeld op het Z-routecertificaat.

(vraag toegevoegd op 6 mei 2021)

2. Hoe worden de examens afgenomen?

De examens voor de taalvaardigheden en KNM worden op de computer afgenomen op zes verschillende locaties in Nederland, de aanmelding en ook de afname wordt door DUO georganiseerd. Op de examenlocaties vinden zowel de examens op niveau A2, B1, B2 en KNM plaats, de planning en aanmelding kan wel per onderdeel verschillen, voor de B1 en B2 examens geldt dat er vaste dagen worden gepland waarop de onderdelen worden geëxamineerd. Voor de onderdelen op A2 niveau en KNM kan een deelnemer door een andere afnamewijze flexibeler kiezen en soms ook meerdere onderdelen op 1 dag inplannen. De examens voor de taalvaardigheden (op niveau A2, B1 en B2) zijn gebaseerd op het Europees Referentiekader (ERK) dat wereldwijd wordt gebruikt voor het aanleren van een vreemde taal. Meer informatie over de examens is te vinden op:

Er zijn informatiefilms en oefenexamens beschikbaar via deze websites, handig voor de inburgeraar ter voorbereiding op een examen maar ook nuttig voor iemand bij een gemeente, een taalschool of taalvrijwilliger die meer zicht wil krijgen op de examinering en de taalniveaus.

(vraag toegevoegd op 6 mei 2021)

3. Hoe gaat de aanmelding voor de examens?

Aanmelden voor de examenonderdelen verloopt digitaal via een aanmeldportaal van DUO. Inburgeraars melden zich als zij daar klaar voor zijn, zelf aan en kiezen data waarop zij de examenonderdelen willen afleggen. Daarin geven zij ook aan hoe wordt betaald voor de onderdelen. De examenkosten bedragen vanaf 1 januari 2022 € 50 per onderdeel. Asielstatushouders hebben per vaardigheid in het nieuwe stelsel recht op twee kosteloze examenpogingen. Gezinsmigranten en overige migranten betalen het zelf, eventueel uit de DUO-lening. 

Momenteel zijn er twee verschillende aanmeldportalen.

DUO werkt aan een nieuwe aanmeldapplicatie waarmee er voor inburgeraars 1 aanmeldportaal ontstaat voor alle onderdelen. Daarin wordt ook de betaalmodule verwerkt en wordt verwerkt op welk niveau iemand examens aflegt zoals vastgelegd in het PIP. Examens op niveau A2 worden daarin alleen als kosteloze poging geregistreerd als iemand is afgeschaald naar niveau A2. Gemeenten geven deze beslissing (als is voldaan aan de in de wet gestelde criteria voor afschalen) door aan DUO. 

(vraag toegevoegd op 6 mei 2021)

4. Wat is het verschil tussen A2 en B1?

De taalexamens voor Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken zijn beschikbaar op verschillende niveaus. Onder de oude wet was niveau A2 voor inburgeraars het uitgangspunt. Onder de nieuwe wet wordt dat niveau B1 omdat een hoger taalniveau mensen betere kansen geeft om mee te doen, in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Voor nieuwkomers die willen studeren in het hoger onderwijs (hbo, universiteit en ook voor instroom in mbo niveau 4) is beheersing van de Nederlandse taal op niveau B2 van belang.

A2-niveau geldt als basisniveau. Beheerst iemand niveau B1, dan staat dat voor ‘onafhankelijk gebruiker’ van een taal. De taalniveaus zijn uitgebreid beschreven in het Europees Referentiekader voor moderne vreemde talen (ERK) dat is ontwikkeld in opdracht van de Raad van Europa voor de beschrijving van vaardigheidsniveaus voor de verschillende Europese talen. Het Raamwerk NT2 is de standaard om vorderingen te meten. In een tabel is samengevat wat de kennis en vaardigheden per niveau zijn. Taalmethodes die door taalscholen worden gebruikt zullen dit ook als uitgangspunt gebruiken.

(vraag toegevoegd op 6 mei 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Leerroutes en onderwijs

Onderwijs overig

1. Binnen welke leerroute kan entreeonderwijs een plek krijgen?

Een combinatie van een inburgeringstraject en het volgen van een entreeopleiding is mogelijk, maatwerk zou daarbij het uitgangspunt moeten zijn. Entree-onderwijs kan bijvoorbeeld gecombineerd worden met de B1-route en zou aan de orde kunnen zijn bij jongeren die, voordat zij inburgeringsplichtig werden, ISK-onderwijs hebben gevolgd. Omdat diploma’s op mbo-niveau 2 of hoger gelden als een startkwalificatie waarmee de kansen op de arbeidsmarkt het hoogst zijn, verdient het de voorkeur dat een inburgeringsplichtige na het behalen van het taalschakeltraject (Onderwijsroute) doorstroomt naar een opleiding op minimaal mbo-niveau 2. Hier geldt dat het niet is uitgesloten om na het behalen van het taalschakeltraject alsnog een entree-opleiding te volgen. Een combinatie van de Z-route en het volgen van een entreeopleiding wordt ook niet uitgesloten maar ligt minder voor de hand gelet op het taalniveau en de leerbaarheid van de doelgroep in de Z-route.

2. Hoe zit het met de startmomenten van een schakeltraject? Moeten scholen straks flexibele instroom garanderen?

Over de startmomenten van een taalschakeltraject moeten afspraken gemaakt worden met gemeenten. Zij kopen de trajecten in. Een onderdeel van de set van afspraken die gemaakt gaan worden tussen gemeenten een aanbieders van taalschakeltrajecten kan zijn op welke momenten er verwacht wordt dat er met taalschakeltrajecten wordt gestart per jaar.

Voor zover de vraag is hoe om te gaan met instroom in vervolgonderwijs, dan wordt er - zoals ook voor andere studenten geldt - aangesloten bij de vaste instroommomenten per jaar.

3. Op de website van Blik op Werk krijgen taalscholen een beoordeling via sterren. Wat zegt dit over de kwaliteit van een taalschool?

De sterren van het BoW keurmerk geven aan hoe het gesteld is met de kwaliteit van het onderwijs / de cursussen. Daarbij wordt gekeken naar:

  • toezicht in de klas;
  • slagingspercentage;
  • transparantie afspraken;
  • tevredenheid klanten - gemiddelde cijfer.

Elk onderdeel wordt gewogen in een vaste formule en daar komen dan sterren uit. Slagingsgarantie wordt gebruikt in de afronding. De sterren worden toegekend opdat we het de zoeker makkelijker maken. Voor de professionele inkoper verwijst Blik op Werk altijd naar onderliggende rapporten, zodat de inkoper zijn eigen mening kan vormen.

4. Mogen laptops voor asielstatushouders ingezet worden als leermiddel onder het nieuwe inburgeringsstelsel?

In het nieuwe stelsel zal er voor asielstatushouders niet meer met een leningenstelsel worden gewerkt. In het kader van een contract tussen gemeenten en taalaanbieders kan onder het nieuwe stelsel inburgering worden afgesproken dat er laptops ter beschikking worden gesteld als leermiddel aan asielstatushouders.

5. Naar aanleiding van het coronavirus zijn de voorwaarden voor afstandsleren versoepeld. Is afstandsleren in het nieuwe inburgeringsstelsel ook mogelijk?

Ja. Ook in het nieuwe inburgeringsstelsel is afstandsleren mogelijk en is het mogelijk om combinaties te maken van afstandsleren en klassikaal leren. 

6. Op welke manier wordt de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) aangepast? En wat heeft dit voor gevolgen voor de uitvoering?

Om de kwaliteit van het onderwijs in de onderwijsroute te waarborgen, worden taalschakeltrajecten toegevoegd aan de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) als een vorm van educatie. Verder wordt het voor aanbieders van deze trajecten mogelijk gemaakt om diploma-erkenning voor deze trajecten aan te vragen en te verkrijgen, waardoor de Inspectie van het Onderwijs het toezicht op de kwaliteit van deze trajecten kan gaan uitvoeren. Er zijn twee redenen om te kiezen voor deze wijze van kwaliteitsborging: 

Taalschakeltrajecten bestaan, anders dan inburgeringscursussen binnen de B1-route en de Z-route, uit meer elementen dan alleen het leren van de Nederlandse taal en KNM.
Deze trajecten zijn specifiek gericht op instroom in het beroeps- en wetenschappelijk onderwijs waarop de Inspectie van het Onderwijs ook toezicht houdt. 

Wet inburgering in vraag en antwoord

Overige inburgeringsvoorzieningen

Dit hoofdstuk van de Q&A besteedt aandacht aan de inburgeringsvoorzieningen Model Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en de maatschappelijke begeleiding.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Overige inburgeringsvoorzieningen

Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP)

1. Kan er al iets meer worden gezegd over de uitwerking van de MAP in lagere regelgeving?

De MAP wordt in het nieuwe inburgeringsstelsel een decentraal onderdeel, dat betekent dat dit onderdeel door de gemeente wordt uitgevoerd en niet centraal wordt getoetst. Daarom is SZW terughoudend met het vastleggen van kaders over de invulling van de MAP. De gemeente moet voldoende ruimte hebben om een traject te ontwikkelen dat aansluit bij de capaciteiten en ontwikkelbehoeften van de inburgeraar, en bij de lokale arbeidsmarkt. Bovendien wil SZW gemeenten de mogelijkheid geven om – voor uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen – een goede aansluiting te creëren met de uitvoering van de Participatiewet.

In de lagere regelgeving zal in ieder geval worden opgenomen dat de MAP een praktisch element moet bevatten, waardoor de inburgeringsplichtige werkervaring kan opdoen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Deze werkervaring moet zo veel als mogelijk aansluiten bij de capaciteiten en ambities van de inburgeraar. Daarnaast worden er acht inhoudelijke thema’s vastgelegd, waar binnen de MAP in ieder geval aandacht aan moet worden besteed. Dit zal grotendeels overeenkomen met de inhoudelijke thema’s van het huidige examenonderdeel ONA.

Wet inburgering in vraag en antwoord

Overige inburgeringsvoorzieningen

Maatschappelijke begeleiding

1. Wordt in de nieuwe inburgeringswet het budget voor de maatschappelijke begeleiding geoormerkt, of maakt het onderdeel uit van een groter bedrag en is het aan de gemeente om de hoogte te bepalen?

Op basis van het wetsvoorstel worden de middelen voor de maatschappelijke begeleiding niet geoormerkt. De inburgeringsvoorzieningen, waaronder de maatschappelijke begeleiding, worden bekostigd vanuit één specifieke uitkering. Dit betreft de trajectkosten. De kosten voor de inkoop van de maatschappelijke begeleiding kunnen worden gefinancierd uit het budget voor de uitvoeringskosten in het gemeentefonds.

2. Is er bij de berekening van de bijdrage voor gezinsmigranten ruimte voor een aanbod maatschappelijke begeleiding voor deze groep?

In het nieuwe stelsel is er ook voor gezinsmigranten meer ondersteuning; gemeenten nemen een brede intake af, geven een advies over te volgen leerroute en er vindt begeleiding plaats over de voortgang van de inburgering.

Gezinsmigranten hebben een wezenlijk andere positie dan asielstatushouders. Gezinsmigranten hebben steun aan de referent bij wie zij zich voegen, een aanbod maatschappelijke begeleiding is daarmee niet nodig. Hier is in de raming van het budget daarom ook geen rekening mee gehouden.

Uiteraard staat het een gemeente vrij om, indien nodig, meer maatwerk en aanvullende begeleiding te bieden. Hiertoe heeft de gemeente ook binnen het sociaal domein andere instrumenten om deze inburgeraars op weg te helpen, zonder dat direct een beroep hoeft te worden gedaan op de inburgeringsmiddelen.

3. Statushouders die AOW-gerechtigd zijn, hebben geen inburgeringsplicht. Maar hoe zit het met de financiering van de maatschappelijke begeleiding voor deze groep?

De rekentool van het rijk maakt duidelijk dat aan de voorkant middelen verstrekt worden op grond van een inschatting en dat aan de achterkant afgerekend wordt op basis van het werkelijk aantal inburgeringsplichtigen. Immers, niet iedereen die zich huisvest, heeft inburgeringsplicht en moet de diensten krijgen die de gemeente geld kost. Asielstatushouders die pas na het bereiken van de AOW-leeftijd deze status verkrijgen worden nooit inburgeringsplichtig. Dat betekent dat gemeenten voor deze personen geen middelen ontvangen voor maatschappelijke begeleiding. Dit is immers gekoppeld aan de inburgeringsplicht. Voor de groep inburgeringsplichtigen die binnen de inburgeringstermijn de AOW-leeftijd bereiken geldt dat gemeenten in de jaren dat deze personen nog inburgeringsplichtig zijn, de daarbij behorende financiële middelen ontvangen.

(vraag toegevoegd op 16 november 2021)

Wet inburgering in vraag en antwoord

Kinderopvangtoeslag

1. Wanneer heeft een inburgeraar recht op kinderopvangtoeslag (KOT)?

Ouders kunnen Kinderopvangtoeslag ontvangen als hun kind deelneemt aan een in het Landelijk register Kinderopvang (LRK) geregistreerde kinderopvang. Binnen de Wet kinderopvang zijn inburgeringsplichtige ouders een aparte doelgroep (Artikel 1.6.g). Een inburgeringsplichtige ouder heeft recht op kinderopvangtoeslag. De toeslag kan alleen aangevraagd worden indien beide ouders (of toeslagpartners indien meerdere volwassenen een huishouden vormen) voldoen aan de voorwaarden voor KOT. Beide ouders (of toeslagpartners) moeten werken, studeren, re-integreren of een verplicht inburgeringstraject volgen dat is aangeboden door de gemeente of bij een cursusinstelling met een Blik op Werk keurmerk. Indien een van de ouders nog in het buitenland buiten de EU/EER verblijft (bijvoorbeeld in het land van herkomst), is er geen recht op KOT voor de inburgeringsplichtige ouder in Nederland. Om een indicatie te krijgen van de hoogte van de KOT kan op toeslagen.nl een rekentool worden ingevuld. De vergoeding per uur kinderopvang zal bij een laag inkomen heel hoog zijn maar is nooit 100%, er is altijd een eigen bijdrage voor ouders. Er geldt een maximum aantal uren waarop recht bestaat. Ook dit is in de rekentool opgenomen. Als het recht op KOT eindigt omdat iemand niet meer inburgeringsplichtig is, kan gedurende het kalenderjaar nog gebruik worden gemaakt van de niet-gebruikte uren van het maximum. Er is geen uitlooptermijn zoals bij mensen die werkloos worden, dus er worden geen extra rechturen meer opgebouwd.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

2. Wanneer heeft een inburgeraar geen recht op KOT?

Er is geen recht op KOT indien:

  • De inburgeringsplichtige kiest voor zelfstudie of om lessen te volgen bij een taalschool zonder Blik op Werk keurmerk.
  • De inburgeraar een toeslagpartner (dat kan ook een huisgenoot zijn) heeft en deze (toeslag)partner niet aan de KOT-eisen voldoet omdat hij of zij bijvoorbeeld niet werkt, niet verplicht inburgert, niet re-integreert en geen opleiding volgt (zie voor een volledig overzicht toeslagen.nl).
  • De inburgeraar getrouwd is en deze partner (de partner wordt gezien als toeslagpartner) in een land buiten de EU/EER verblijft.
  • Als de inburgeringsplicht vervalt of hieraan is voldaan.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

3. Waar moeten gemeenten en inburgeraars op letten bij het adviseren van inburgeraars?

  • Als de toeslagpartner buiten de EU/EER verblijft, is er geen recht op KOT. Het komt voor dat de inburgeringsplichtige ouder bij het aanvragen van de toeslag aangeeft dat er geen toeslagpartner is (want die is niet in Nederland/EU/EER). De toeslag wordt toegekend, maar na enige tijd komt de partner zelfstandig of middels gezinshereniging naar Nederland. Indien dit tijdens een controle naar voren komt, zal de eerder toegekende toeslag als onrechtmatig worden bezien en zal de Belastingdienst/Toeslagen de eerder toegekende toeslag terugvorderen. Bij een huwelijk is namelijk altijd sprake van toeslagpartnerschap, ongeacht van waar de partner verblijft. Door de relatief hoge bedragen die worden uitgekeerd bij de KOT, kunnen deze bedragen hoog oplopen.  
  • Ook bij inburgeringsplichtigen wordt er voor de kinderopvangtoeslag een beroep gedaan op de zelfredzaamheid van ouders. Ook als zij die de taal nog niet volledig machtig zijn. Wanneer er wijzigingen zijn in de situatie -zowel vanuit de kinderopvangorganisatie als de ouders- moeten deze wijzigingen door de ouders zelf, of door een gemachtigde, worden doorgevoerd op toeslagen.nl of via de App Kinderopvangtoeslag. Het kan hier gaan om de jaarlijkse verhoging van de uurtarieven van de kinderopvang, een wijziging in het aantal opvanguren of van opvanglocatie maar ook een verandering in inkomen of gezinssamenstelling van de inburgeringsplichtige ouders. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de hoogte van de KOT die ouders ontvangen en bij correctie achteraf kan dit tot vorderingen of nabetalingen leiden. Dit geldt voor alle ouders die KOT ontvangen maar bij de doelgroep inburgeraars is er een groter risico doordat mensen kort in Nederland zijn en de taal nog niet voldoende machtig zijn.
  • Het is van groot belang dat wijzigingen tijdig worden doorgeven door de ouder. Dan sluit de toeslag aan bij de actuele situatie. Zodra de aan de inburgeringsplicht is voldaan moet dit worden doorgegeven aan Belastingdienst/Toeslagen.
  • Naast Kinderopvang is er ook deelname aan voorschoolse educatie (VE) mogelijk voor kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar. Indicatiestelling loopt via het consultatiebureau. Dit wordt ook besproken in de brede intake voor de inburgering die door de gemeente wordt gedaan bij aanvang van de inburgeringstermijn.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

4. De inburgeraar maakt gebruik van de Z-route of de Onderwijsroute. Is er recht op KOT?

Ja, deelnemers aan alle leerroutes binnen de Wet inburgering 2021 hebben indien zij een cursus volgen die voldoet aan de eisen in beginsel recht op KOT. Het is daarbij wel van belang dat de ouder en eventueel diens toeslagpartner aan de overige eisen voldoet (zie vraag 1).

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

5. Hoeveel uur mag iemand zijn kinderen naar de opvang brengen?

Een inburgeringsplichtige ouder heeft, indien wordt voldaan aan alle eisen, recht op maximaal 230 uur KOT per maand (5 hele dagen per week). De hoogte van de KOT is gebaseerd op o.a. het aantal uren dat het kind naar de opvang gaat en het inkomen van de ouder(s). Het aantal uren KOT is dus niet afhankelijk van het aantal uren inburgering dat er wordt gevolgd.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

6.  De inburgeraar heeft alleen les in de ochtend. De opvang hanteert hele dagen. Krijgt hij de hele dag vergoed?

Ja, de inburgeraar kan KOT krijgen over vijf hele dagen kinderopvang per week (maximaal 230 uur per maand). Het aantal lesuren en/of de lestijd is daarbij niet relevant, uitgangspunt voor de hoogte van de KOT is het aantal opvanguren waarvoor aan de kinderopvangorganisatie wordt betaald en het inkomen van het huishouden.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

7. De Z-route bestaat uit een taaldeel en een participatiedeel. Kan voor beide delen KOT worden aangevraagd?

Ja, indien de ouder (en eventuele partner) aan de voorwaarden voor de KOT en inburgeringstraject voldoet, bestaat er zowel voor een taaldeel als een participatiedeel aanspraak op KOT.  

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

8. Kan er ook KOT worden aangevraagd voor het participatieverklaringstraject (PVT) en voor de MAP?

Indien bij de inburgeringsplichtige ouder de inburgeringsplicht is opgelegd en de inburgeringsplichtige is gestart met het volgen van lessen of, in het geval van de Z-route begonnen aan het participatiedeel, dan biedt (conform alle overige eisen bij het aanvragen van KOT) deelname aan de PVT en de MAP ook recht op KOT.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

9. Wanneer gaat het recht op KOT in?

Vanaf het moment dat de inburgeringsplicht is ingegaan en de inburgeringsplichtige is gestart met het volgen van lessen, en ook de kinderopvang is aangevangen.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

10.  Moet de inburgeringsplichtige bewijzen opsturen naar de Belastingdienst/Toeslagen om aan te tonen dat er recht is op KOT?

Nee, dit gebeurt automatisch. De Belastingdienst vraagt ter controle de benodigde gegevens op bij DUO. In het uitzonderlijke geval dat DUO deze gegevens niet heeft, zal de Belastingdienst/Toeslagen de inburgeringsplichtige vragen om informatie op te sturen. De inburgeringsplichtige zal hierover een brief ontvangen van de Belastingdienst/Toeslagen.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

11. Wat heeft de voorkeur; de voorschoolse educatie of de reguliere kinderopvang bij inburgeringsplichtigen?

De overheid ziet graag dat ouders hun kind een goede start geven in Nederland en dat ze zo vroeg mogelijk bekend worden gemaakt met de Nederlandse taal en onderdeel uitmaken van de samenleving. De voorschoolse educatie geeft jonge kinderen extra aandacht en ondersteuning op het gebied van taal. De meeste kinderen van inburgeringsplichtigen zullen voldoen aan de criteria van gemeenten die gehanteerd worden voor de indicatie voor voorschoolse educatie. Ook voor kinderen van gezinnen waarbij 1 ouder van Nederlandse afkomst is, is het van belang om extra aandacht te geven aan de Nederlandse taal. Er kunnen praktische redenen zijn om te kiezen voor reguliere kinderopvang, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd van de kinderen of de openingstijden. Ook kan het soms worden gecombineerd.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

12. Is een inburgeringsplichtige ouder verplicht om gebruik te maken van de voorschoolse educatie voor zijn of haar kind?

Nee, hiertoe is men niet verplicht. Gemeenten zijn wel verplicht om voorschoolse educatie aan te bieden door bijv. tijdens de intake te vragen of zijn hun kind naar de voorschoolse opvang willen sturen. Hierbij kan uitleg gegeven worden over de voordelen van de VE voor het kind en de ouders. De gemeente is verplicht om de keuze van de ouders vast te leggen in het Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP). Hiermee wordt het bespreken van het onderwerp geborgd tijdens de intake. Desondanks zijn ouders vrij om geen gebruik te maken van de voorschoolse educatie.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

13. Wat kan een gemeente betekenen voor een inburgeraar waarvan de toeslagpartner verblijft in het buitenland?

Er kan voortvloeiend uit de wet geen aanspraak gemaakt worden op KOT als een toeslagpartner in een land buiten de EU verblijft (binnen de EU/EER kan dit wel). Dit kan bij inburgeringsplichtigen spelen als een van de ouders met kinderen naar Nederland is gekomen en de partner nog in het land van herkomst is. Er is dan geen recht op KOT. Gemeenten kunnen deze ouders voor de bekostiging van kinderopvang ondersteunen vanuit de SMI-regeling van gemeenten voor gezinnen die geen recht hebben op KOT, op basis van een zogeheten sociaal medische indicatie. Dit is wel vaak tijdelijk en betreft maatwerk door de betreffende gemeente. Ook kunnen kinderen met een indicatie voor voorschoolse educatie of kortdurend peuteraanbod (peuterspeelzaal) via de gemeente een tegemoetkoming in de kosten krijgen. Er moet net als bij de kinderopvang nog een kleine eigen bijdrage worden betaald. Voor VE geldt wel dat kinderen een indicatie moeten hebben, dat verloopt via het consultatiebureau en is nadrukkelijk bedoeld voor kinderen die de Nederlandse taal nog niet voldoende machtig zijn.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

14. Iemand is inburgeringsplichtig en krijgt bijstand. Onder welke titel moet er KOT aangevraagd worden? De Participatiewet of de Wet inburgering?

Als een ouder onder meerdere titels aanspraak kan maken op KOT, dan geldt dat hij/zij dit kan aanvragen onder de wet waarbij hij/zij recht heeft op de meeste uren KOT. Voor inburgeringsplichtigen is dit de Wet Inburgering 2021.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

15. Als iemand inburgeringsplichtig is en een inburgeringscursus volgt en zijn bijstandsuitkering wordt gestopt ivm werk, is er dan nog recht op KOT? Moet iemand dan alles opnieuw aanvragen?

Opnieuw aanvragen hoeft niet maar het is van groot belang de wijzigingen direct door te geven aan de Belastingdienst/Toeslagen om te zorgen dat de gegevens correct en actueel zijn en om terugvordering te voorkomen bijv. omdat het inkomen hoger is dan de bijstand. De inburgeringsplicht geeft recht op KOT indien aan alle overige eisen wordt voldaan (zie vraag 1). Het recht op KOT blijft bestaan als de inburgeraar inkomen uit werk heeft ipv een bijstandsuitkering. De hoogte van de KOT zal waarschijnlijk veranderen door het nieuwe inkomen (KOT zal bij een hoger inkomen dalen en de eigen bijdrage zal daardoor stijgen).

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

16. Als iemand niet meer inburgeringsplichtig is, maar nu een re-integratietraject doet bij zijn gemeente, is er dan recht op KOT? Hoe vraagt hij dit aan?

Als iemand heeft voldaan aan de inburgeringplicht is er op die grond geen recht meer op KOT. Er kan dan wel recht op KOT bestaan op grond van deelname aan een re-integratietraject onder de Participatiewet. Het is belangrijk dat deze wijzingen meteen worden doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen; dit vergt een aanpassing van de huidige KOT-gegevens en dus geen nieuwe aanvraag.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

17. Als iemand tijdens zijn inburgeringstraject tijdelijk een baan heeft, is er dan nog recht op KOT? Wat moet er worden gedaan?

Ja, als iemand tijdens het inburgeringstraject gaat werken blijft er recht bestaan. Het is wel belangrijk dat deze wijziging meteen doorgegeven wordt aan de Belastingdienst/Toeslagen om terugvordering te voorkomen. Het recht op KOT blijft als de inburgeraar inkomen uit werk heeft ipv een bijstandsuitkering. Wel kan door het nieuwe inkomen, ook al is dat tijdelijk, de hoogte van de KOT mogelijk veranderen. Ook kan het nodig zijn de opvanguren aan te passen.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

18. Indien er geen recht bestaat op KOT vanwege een toeslagpartner in het buitenland en de ouder wil na de inburgeringsplicht aan het werk. Is er dan nog steeds geen recht op KOT?

Met een toeslagpartner in een land buiten de EU/EER kan er geen aanspraak gemaakt worden op KOT, zowel tijdens een inburgeringstraject als wanneer de ouder werkt. Wel is er mogelijk recht op financiering van de kinderopvang via de SMI-regeling van de gemeente.

(vraag toegevoegd op 13 september 2021)

Meer informatie

Colofon

Divosa

Koningin Wilhelminalaan 5 | 3527 LA Utrecht
Postbus 2758 | 3500 GT Utrecht
030 - 233 23 37
info@divosa.nl
www.divosa.nl

Bijdragen

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (over taalschakeltraject)
VNG

Tekstredactie

Caroline Huisman (Divosa)

Webredactie

Caroline Huisman (Divosa)
Jasja van Moorsel (Divosa)

Versie

december 2020
laatste wijziging: 25 november 2021