Overslaan en naar de inhoud gaan

7. Maatwerk binnen de inlichtingenplicht

7.1 Wettelijk kader

De inlichtingenplicht staat in artikel 17, eerste lid, Pw, en houdt het volgende in: 

De bijstandsgerechtigde moet aan het college mededeling doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op bijstand. De inlichtingenplicht geldt ook voor jongeren in een kwetsbare positie .

Om bijstand te kunnen verlenen is het nodig om de woon- en leefsituatie van de persoon die in aanmerking voor bijstand wilt komen, duidelijk te hebben. Vraagt een dakloze jongere bijstand aan? Dan zal hij hierover (ook) inlichtingen moeten geven. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan worden gevraagd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2025:95.

Een bijstandsgerechtigde moet aangeven waar hij feitelijk verblijft of opgave doen van zijn verblijfsadressen. Het college moet namelijk de feitelijke woon- en verblijfsituatie kunnen controleren. Bij tijdelijk verblijf is inschrijven in de BRP niet noodzakelijk. Zie hierover ook de Handreiking briefadressen.

Om de last van de inlichtingenplicht te verlichten voor een jongeren in een kwetsbare positie , kan het aantal inlichtingenmomenten voor de re-integratie worden beperkt. De inlichtingenplicht kan zo worden ingericht dat het college van de gemeente de jongere alleen aan het begin en aan het eind van het jaartraject spreekt, tenzij tussentijdse signalen om een nieuw gesprek vragen. Zie Kamerstukken II 2024–2025, 36 582, nr. 69, p. 2-3.

Dit ziet uitdrukkelijk op inlichtingen omtrent de re-integratie. De algemene inlichtingenplicht, zoals het melden van inkomsten, blijft gelden.

Inhoud