Overslaan en naar de inhoud gaan

4. Kostendelersnorm

4.2 Achtergrond kostendelersnorm, hoofdverblijf en tijdelijk verblijf

Een persoon is alleen een kostendelende medebewoner als hij zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de bijstandsgerechtigde. Woont iemand slechts tijdelijk bij de bijstandsgerechtigde en verplaatst hij zijn hoofdverblijf niet? Dan is hij geen kostendelende medebewoner.

De kostendelersnorm gaat ervan uit dat mensen die samen op één adres wonen, kosten kunnen delen. Dit is een veronderstelling. Daarom heeft toenmalige staatssecretaris Klijnsma gemeenten opgeroepen om waar nodig bij vooropgezet tijdelijk verblijf door afstemming maatwerk toe te passen (via toepassing van artikel 18, eerste lid, Pw) of via bijzondere bijstand extra kosten te dekken. 

Klijnsma noemde expliciet als voorbeelden waarbij de kostendelersnorm vanwege het niet hebben van het hoofdverblijf op hetzelfde adres aan de orde is: tijdelijk verblijf in de vrouwenopvang en bij een begeleid wonen traject (1). Later werden daar mensen in een crisissituatie, (ex-)daklozen en vergunningshouders die gebruik maken van het zelfzorgarrangement en tijdelijk bij iemand inwonen, als voorbeeld toegevoegd. Zie Verzamelbrief 2015-2.

Speelt vooropgezet tijdelijk verblijf, dan is het aan diegene die tijdelijk op het adres verblijft, of aan de bijstandsgerechtigde bij wie diegene inwoont, bij de gemeente (of SVB) aan te geven dat er sprake is van tijdelijk verblijf. De vraag of er (nog) sprake is van een tijdelijk verblijf en de kostendelersnorm buiten toepassing blijft, moet vervolgens beantwoord worden aan de hand van de door betrokkene aangereikte concrete feiten en omstandigheden.

Tijdelijk verblijf kan aan de orde zijn bij situaties waarbinnen betrokkene door persoonlijke omstandigheden (echtscheiding, dreigende dakloosheid, vlucht) huis en haard achter zich heeft moeten laten of in het geheel niet over huis en haard beschikte (dakloos) en met slechts een beperkt aantal bezittingen gebruik maakt van het aangeboden adres. Blijkt betrokkene na enkele maanden nog steeds gebruik te maken van het adres, dan kan het initieel als tijdelijk bedoelde adres alsnog een hoofdverblijf zijn geworden.

Bij een verblijf langer dan zes maanden, kan in beginsel er vanuit worden gegaan dat het eerdere tijdelijke verblijf het karakter van een hoofdverblijf heeft gekregen. Maar de feiten en omstandigheden kunnen naar het oordeel van het college ook zodanig zijn dat toch nog sprake is van tijdelijk verblijf.

Verblijft iemand echt tijdelijk vanwege een crisissituatie bij iemand in, dan kan de plek waar iemand feitelijk verblijft als hoofdverblijf worden aangenomen. Daarbij moet het college nagaan of de kostendelersnorm in principe van toepassing is, en of de omstandigheden maken dat de kostendelersnorm tijdelijk niet hoeft te worden toegepast.

Intentie

Uit het voorgaande blijkt dat de intentie van een persoon vaak doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van tijdelijk verblijf of van hoofdverblijf op een adres. Het is aan het college om te bepalen in hoeverre de intenties van een betrokkene worden onderzocht. Het college kan bijvoorbeeld bij een beslissing ervoor kiezen uit te gaan van de door de betrokkenen uitgesproken intenties en geen verder onderzoek te doen, tenzij omstandigheden aanleiding geven voor een verder onderzoek.

Inhoud