Overslaan en naar de inhoud gaan

Bouwsteen 1 Structuur, inrichting en proces

Wat zien we in de lerende praktijken?

In de lerende praktijken van Dwars door domeinen – en bij andere gemeenten die we spraken – hebben we gezien dat gemeenten hun dienstverlening op uiteenlopende manieren organiseren. Dit leidt tot verschillende vormen van governance en structuur.

Zo voeren sommige gemeenten delen van de dienstverlening gezamenlijk uit (via een GR) en/of besteden ze deze uit (sociale wijkteams en specialistische ondersteuning). Andere gemeenten doen het juist grotendeels zelf, soms inclusief de taken van de wijkteams (1). Die keuzes hebben gevolgen. Zo zijn de gemeenschappelijke regelingen die in eerste instantie wilden meedoen als lerende praktijk, uiteindelijk allemaal afgevallen. Dit kwam doordat een gedeelde analyse van en kijk op het vraagstuk – tussen gemeenten en de GR – ontbrak.

De gemeenten en de GR worstelen met drie afstemmingsvraagstukken:

  1. Tussen deelnemende gemeenten: vraagstukken over de aard en afbakening van de dienstverlening van de GR.
  2. Vraagstukken over de relatie tussen de regionale en lokale uitvoering.
  3. Vraagstukken over de afstemming tussen opdrachten die de gemeenten aan verschillende uitvoeringsorganisaties verstrekken (de GR en de sociale wijkteams). 

Overigens zien we dat de druk om een Gemeenschappelijke Regeling te vormen soms groot is. Dit komt door een gebrek aan capaciteit en expertise bij (vaak kleinere) gemeenten, of doordat landelijke regelingen deze vorm voorschrijven (bijvoorbeeld bij de inkoop van specifieke vormen van jeugdhulp).

Zelf uitvoeren

Gemeenten die gedecentraliseerde wetten zelfstandig uitvoeren (met uitzondering van specifieke zorgtaken, maar inclusief lokale teams), kennen die knelpunten niet. Wel zien we afstemmingsproblemen tussen afdelingen die verschillende wetten uitvoeren. Verschillen in cultuur en gedrag bemoeilijken deze afstemming. We zien dit vooral bij de afdelingen Werk & Inkomen enerzijds en Wmo & Jeugd anderzijds.

Brede programmabegroting

Gemeenten die brede taken zelf uitvoeren (inclusief de sociale wijkteams), lijken dus minder afstemmingsproblemen te hebben. Dit effect is nog sterker wanneer de opdracht samengaat met een financieringsvorm die ruimte biedt aan de uitvoering. Zo kunnen afdelingen onderbouwd schuiven tussen preventie, individuele hulp en groepsaanpakken. Deze financieringsvorm bestaat dan uit een brede programmabegroting. 

Dit lijkt eenvoudiger wanneer de gemeente erin slaagt om kennis, expertise en werkwijzen (zoals casusoverleggen) uit het zorg- en welzijnsdomein naar binnen te halen. Misschien is dat zelfs een voorwaarde.

Kleine gemeenten

Kleine gemeenten hebben moeite om samenhangende dienstverlening te bieden, omdat zij maar beperkt invloed hebben op uitbestede diensten en producten. Vaak zijn zij slechts één van de vele gemeenten die samen de inkoop en aanbesteding organiseren. Dat beperkt dus ook de samenwerking tussen beleid, inkoop en contractmanagement.

Afstemmingsproblemen en organisatievormen

Samenvattend kunnen we bovenstaande als volgt weergeven: 

Voor- en nadelen van verschillende organisatievormen van dienstverlening
Voetnoot
  1. Met 'zelf doen' bedoelen we hier dat de gemeentelijke organisatie een uitvoerende rol heeft. Bijvoorbeeld het bieden van re-integratiedienstverlening, (lichte vormen van) begeleiding of (jeugd)hulp, of schulddienstverlening. Een aantal specialistische taken voeren gemeenten overigens nooit uit. Daarbij gaat het vooral om zorgverlening. 

Inhoud