Overslaan en naar de inhoud gaan

Bouwsteen 8 Belangen

Wat weten we?

Samenwerken is meer dan samen aan tafel zitten en standpunten uitwisselen. Samenwerken betekent gezamenlijk resultaten boeken die een specifiek doel dichterbij brengen. In de praktijk blijkt dit vaak ingewikkeld.

Waarom is dat zo? We noemen drie oorzaken:

  1. In elke organisatie zijn veel actoren actief met elk hun eigen ideeën over wat 'goed' en 'waar' is. Bovendien weten zij vaak niet precies van elkaar wat ze doen. (1)
  2. Bestuur en beleid vertellen de uitvoering wat er moet gebeuren, maar zien nauwelijks wat er dicht bij de inwoner aan de hand is. Er is sprake van 'verticale informatieasymmetrie'. 
  3. In verschillende kolommen (zoals Wmo en Werk & Inkomen) wordt op heel uiteenlopende manieren naar dezelfde inwoner gekeken.

Daardoor ontstaan twee soorten spanning:

  1. Horizontale spanning tussen medewerkers uit verschillende kolommen. 
  2. Verticale spanning tussen beleid en uitvoering. Het beleid bepaalt waar middelen naartoe gaan en welke doelgroepen prioriteit krijgen ('beleid prioriteert'). De uitvoering richt zich op het bieden van de beste ondersteuning aan individuele inwoners ('de uitvoering optimaliseert').

Samenwerking is hierdoor niet vanzelfsprekend. Sterker nog, samenwerking komt alleen van de grond als een actor er het nut van inziet: het moet duidelijk zijn wat de ander te bieden heeft én het moet voor beide partijen duidelijk zijn dat de samenwerking iets oplevert.

Bovendien is samenwerking niet dé oplossing wanneer je werkt aan complexe vraagstukken zonder consensus over het einddoel. En laat dat nu vaak hét kenmerk zijn van het sociaal domein. Het is cruciaal om dit te onderkennen, omdat het direct van invloed is op de manier waarop gemeentelijke organisaties worden bestuurd en ingericht. In onderstaande tabel zie je dat er momenteel nog geen sturingsvorm is die volledig aansluit bij de dynamiek van het sociaal domein:

Schematische weergave afstemmingsmechanismen

Toelichting

  • Wanneer een probleem simpel is en de actoren het met elkaar eens zijn, is een eenvoudig sturingsmodel voldoende. De leidinggevende kan dan immers het 'wat' (het doel) én het 'hoe' (de werkwijze) bepalen. Een voorbeeld is de AOW: het doel is helder (inwoners vanaf hun pensioenleeftijd een inkomen bieden) en de uitvoering is eenvoudig (de leeftijd en het bankrekeningnummer opvragen).
     
  • Is een probleem simpel, maar zijn de actoren het niet met elkaar eens? Dan kan de leidinggevende wel het doel ('wat') vastleggen, maar niet de werkwijze ('hoe'). Sturing kan in dat geval plaatsvinden door diensten in te kopen, waarbij de uitvoerder zelf bepaalt hoe het doel wordt bereikt. Een voorbeeld hiervan is een afgebakende dienst zoals huishoudelijke hulp binnen de Wmo.
     
  • Bij een complex probleem is de leidinggevende niet meer in staat om het doel strak te formuleren; dit kan hooguit nog globaal of open. De feitelijke invulling van het doel komt daardoor bij de uitvoerders te liggen. Zolang de uitvoerders het onderling eens zijn (bijvoorbeeld wanneer er binnen één kolom wordt gewerkt), kan deze vorm van sturing prima functioneren.
     
  • Is het probleem echter complex én zijn de actoren het niet met elkaar eens, dan ontstaat de meest ingewikkelde situatie. De meeste vraagstukken in het sociaal domein vallen in deze categorie: 'het vakje rechtsonder'.

Wat nu? 

Hoe kunnen professionals in deze complexe situaties met botsende belangen dan tóch succesvol samenwerken? Wat zijn de handelingsopties? Het antwoord schuilt in 'duiden en verbinden', of: 'empathisch positioneren'. Hans Bosselaar en Duco Bannink lichten dit toe in mini-college 3 op divosa.nl/complex. Hieronder volgt een korte samenvatting.

Duiden en verbinden

Het uitgangspunt bij 'duiden en verbinden' is dat je altijd vertrekt vanuit je eigen positie: er is niet vanzelfsprekend een 'wij', dat 'wij' moet je samen bouwen. Je handelt vanuit jouw eigen positie, die mede gevormd wordt door de kaders van je eigen organisatie, harde randvoorwaarden (zoals wet- en regelgeving en financiële grenzen) en je externe (werk)omgeving. Je samenwerkingspartner opereert net als jij vanuit een eigen context: een eigen interne organisatie, specifieke randvoorwaarden en een externe omgeving, die deels afwijkt van de jouwe.

Schematisch kun je dit als volgt weergeven:

Schematische weergave empathisch positioneren

In de overlap tussen jouw externe omgeving en die van je samenwerkingspartner ontmoet je elkaar. Vanwege jullie verschillende achtergronden bekijken jullie het vraagstuk beiden vanuit een ander perspectief. Hier komt 'duiden en verbinden' om de hoek kijken: 

  • Vanuit je eigen visie bekijk je wat jij te bieden hebt en duid je dit in termen van wat de ander nodig heeft. 
  • Omgekeerd duid je de wensen van de ander in termen van jouw eigen aanbod. 

Op deze manier zoek je naar een betekenisvolle verbinding, gebaseerd op jouw professionele kijk op het probleem.

Door zo te werken kun je veel bereiken: je brengt je eigen doelen dichterbij, óók in relatie tot de doelen van de ander. Je accepteert daarbij dat je je eigen doelen misschien niet voor de volle honderd procent verwezenlijkt, maar dat je samen wél wezenlijke stappen zet. Daarbij helpt het als je die verbinding aangaat vanuit een heldere visie op het vraagstuk én op de manier waarop je dat wilt oplossen. (2)

De kern van de oplossing zit in de acceptatie dat je de problemen niet volledig en definitief kunt oplossen

- Duco Bannink en Hans Bosselaar

Om te oefenen met deze manier van werken, hebben Divosa, Duco Bannink en Hans Bosselaar het spel COMPLEX! ontwikkeld. Daarmee kun je in de vorm van een rollenspel empathisch positioneren direct in de praktijk brengen.

Voetnoten
  1. Horizontale informatieasymmetrie
  2. Zie ook bouwsteen 4: Uitbesteding, inkoop en relaties met partners en bouwsteen 6: Visie 

Inhoud