Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden • Jaarrapportage 2025
De jaarrapportage 2025 van de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden geeft een landelijk beeld van de ervaringen en resultaten van vroegsignalering binnen gemeenten in 2025.
Om problematische schuldsituaties zoveel mogelijk te voorkomen en schuldsituaties in een zo vroeg mogelijk stadium te signaleren, geven alle drinkwaterbedrijven, energieleveranciers, woningverhuurders en zorgverzekeraars sinds 1 januari 2021 signalen van betalingsachterstanden door aan gemeenten.
Dit doen zij nadat ze zelf eerst een sociaal incassotraject voeren. Gemeenten zijn vervolgens verplicht om de betreffende inwoner een hulpaanbod te doen. De gemeenten bepalen zelf hoe zij de signalen behandelen. Hun werkwijze leggen ze in een (beleids)plan vast. Deze jaarrapportage 2025 van de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden schetst een beeld van de werkwijzen en uitvoering van de vroegsignalering in 2025.
Inhoud
Contactpersoon
Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden • Jaarrapportage 2025
Laatste update: 13 april 2026Samenvatting
De jaarrapportage 2025 van de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden geeft een landelijk beeld van de ervaringen en resultaten van vroegsignalering binnen gemeenten in 2025. Ook laat de rapportage zien hoe het staat met de doelstellingen uit de voorgenomen bestuurlijke afspraken en de daaraan gekoppelde verbetermaatregelen.
De cijfers in de jaarrapportage zijn afkomstig van:
- data uit softwareapplicaties VPS en xxllnc Vroegsignalering van de aan de monitor deelnemende gemeenten (308 in januari oplopend naar 316 in december 2025). De deelnemende gemeenten vertegenwoordigen 97 procent van de Nederlandse bevolking.
- een uitvraag onder gemeenten in september 2025 naar hun werkwijze en ervaringen met ontwikkelingen binnen de vroegsignalering. In totaal vulden 168 gemeenten deze vragenlijst in. Zij vertegenwoordigen 54 procent van de Nederlandse bevolking.
In 2025: Lichte toename aantal vroegsignalen ten opzichte van 2024
Gemiddeld ontvingen de deelnemende gemeenten in 2025 4,5 vroegsignalen per 1000 inwoners per maand van vastelastenpartners, gemiddeld 3 procent meer dan het jaar ervoor. Dit was in 2024 op 4,4 en in 2023 op 4,0 vroegsignalen per 1.000 inwoners per maand.
Naast vroegsignalen ontvangen gemeenten ook eindeleveringssignalen energie. Met deze signalen erbij krijgt een gemeente gemiddeld 4,9 signalen per 1.000 inwoners per maand. Omgerekend naar heel Nederland leidt dit tot de conclusie dat er meer dan 1 miljoen signalen van betalingsachterstanden naar de gemeenten zijn gestuurd in 2025 (1.060.000 signalen).
10 procent meer energie- en huursignalen
Er zijn meer signalen van huurachterstanden en achterstanden op de energierekening. Dit kan komen door aanpassingen in het werkproces van deze vastelastenpartners, waardoor ze eerder of meer melden. Ook zijn er opnieuw 550 verhuurders bijgekomen die eerder nog geen signalen verstuurden. Energiemaatschappijen zagen in 2025 het aantal klanten met betalingsachterstanden gelijk blijven. Het lijkt er dus niet op dat het gestegen aantal energiesignalen het gevolg is van meer mensen die moeite hebben om de energierekening te betalen.
Zorgverzekeraars blijven, net als de voorgaande jaren, de meeste vroegsignalen aanleveren; 40 procent van de signalen is afkomstig van zorgverzekeraars. Dit hoge aandeel wordt onder andere verklaard doordat iedereen in Nederland van 18 jaar en ouder verplicht is een zorgverzekering te hebben, die op persoonsniveau wordt afgesloten. Daarnaast is de zorgverzekering vaak één van de eerste rekeningen die niet meer wordt betaald bij beginnende betalingsachterstanden. De energiemaatschappijen zijn goed voor 23 procent van alle vroegsignalen en de verhuurders leveren 21 procent van de signalen.
Aantal niet-opgepakte signalen blijft gelijk
Eén van de doelstellingen uit de bestuurlijke afspraken is het toewerken naar het halveren van het percentage signalen dat niet wordt opgepakt vanwege onvoldoende kwaliteit of ongewenste (Basis Registratie Personen − BRP-) uitval in 2029.
In 2025 is nog geen afname te zien in het aantal niet-opgepakte signalen. Het aandeel niet-opgepakte signalen is met 17 procent gelijk aan het aandeel in 2024. De overige 83 procent van de signalen is onderdeel van een melding en wordt opgepakt.
De voornaamste redenen waarom een signaal niet wordt opgepakt zijn:
- dat de gemeente het als een onterecht signaal beoordeelt, vaak omdat de hoogte van de betalingsachterstand te laag is (29 procent).
- dat het om een herhaalde melding gaat (23 procent).
- omdat iemand niet bekend is in de BRP (21 procent).
Meldingen en hulpaanbod
Per 1.000 inwoners zijn er 3,4 meldingen per maand geweest, waarbij één melding uit één of meerdere signalen kan bestaan. Daarbovenop komen de meldingen van eindeleveringssignalen nog bovenop. In totaal hebben − omgerekend voor heel Nederland − zo’n 814.000 adressen in 2025 een hulpaanbod ontvangen vanwege een betalingsachterstand. Dit zijn geen unieke adressen; bij 49 procent van de meldingen was er in de voorafgaande zes maanden al eerder een melding op hetzelfde adres. Bij één op de tien meldingen gaat het om meerdere signalen op hetzelfde adres in dezelfde maand.
Bij een meerderheid van 56 procent van de meldingen gaat het om een betalingsachterstand tussen de 250 en 1.000 euro; dit is vergelijkbaar met 2024.
Meer contactgegevens beschikbaar
De afgelopen jaren hebben gemeenten steeds vaker niet alleen een adres, maar ook een telefoonnummer en/of e-mailadres tot hun beschikking om contact te leggen. In 2022 gold dit nog voor 81 procent van de meldingen, inmiddels is dit gestegen naar 96 procent. Dat betekent overigens niet automatisch dat de aangeleverde gegevens ook kloppen. Driekwart van de gemeenten zet vijf of meer verschillende manieren in om inwoners te bereiken, zoals telefoon, huisbezoek, e-mail, sms/WhatsApp, brief of kaart.
Helft gemeenten doet twee contactpogingen
In de bestuurlijke afspraken is vastgelegd dat kwalitatief goede signalen zo veel mogelijk via persoonlijk contact worden opgepakt, met meerdere contactpogingen per melding. In de praktijk zijn e-mail en brief de meest gebruikte middelen (respectievelijk 36 procent en 29 procent van alle contactpogingen), gevolgd door telefonisch contact (21 procent). Bij bijna de helft van de meldingen (46 procent) worden twee contactpogingen gedaan. Bij een derde van de meldingen blijft het bij één poging.
Gelijkblijvend bereik: bij één op de vijf meldingen daadwerkelijk contact met inwoner
Vanuit de bestuurlijke afspraken is de doelstelling om het bereik van vroegsignalering te verdubbelen naar 40 procent, uitgaande van een gelijkblijvend aantal opgepakte meldingen.
In 2025 is bij één op de vijf meldingen daadwerkelijk contact gelegd met de inwoner. Dat wil zeggen: een inwoner heeft gereageerd op een brief of e-mail, de deur geopend en/of de telefoon opgenomen. Dit percentage is gelijk aan 2024. In absolute aantallen zijn wel meer inwoners bereikt, doordat meer inwoners zijn benaderd vanuit de vroegsignalering. Het gaat om ongeveer 163.600 inwoners, 4 procent meer dan in 2024.
Hoewel het gemiddelde bereik van 40 procent nog niet wordt behaald, zijn er situaties waarin het bereikpercentage duidelijk hoger ligt:
- Meldingen met minimaal één laatsignaal: 32 procent.
- Meldingen: 28 procent.
- Meldingen met een betalingsachterstand van 500 euro of meer: bij bedragen tussen 500 en 1.000 euro ligt het bereik op 24 procent; bij 1.000 euro of meer op 31 procent.
- Meldingen van verhuurders en energiemaatschappijen: respectievelijk 30 en 22 procent.
- Meldingen waarbij telefonisch contact is gezocht of een huisbezoek is afgelegd: bij meldingen met minimaal één telefonische poging ligt de slaagkans op 60 procent, bij huisbezoeken op 48 procent.
- Meldingen met drie of meer contactpogingen: 28 procent bereik bij drie pogingen, 39 procent bij vier of meer.
Van alle inwoners met wie contact is geweest, heeft 35 procent de aangeboden hulp geaccepteerd. Bijna twee derde van de geboden hulp bestaat uit (budget)advies en/of een quick-fix. Bij één op de zes wordt financiële vervolghulp aangeboden, zoals schuldhulpverlening of een budgetcoach.
Bij meldingen met uitsluitend vroegsignalen ligt de hulpacceptatie lager dan bij de meldingen met een laatsignaal: 32 om 46 procent. Ten opzichte van 2024 ligt de hulpacceptatie lager. Dit kan komen door striktere registratie van hulpacceptatie bij gemeenten. Of minder inwoners hebben behoefte aan hulp. Er is geen verband tussen het bereik en de mate van hulpacceptatie.
Op dit moment is in de modelovereenkomst bij het Landelijk Convenant Vroegsignalering opgenomen dat wanneer een inwoner hulp accepteert, de vastelastenpartner het incassoproces voor maximaal 30 dagen opschort. De vraag is of deze automatische koppeling tussen hulpacceptatie en 30 dagen uitstel van betaling nog passend is. Diverse vastelastenpartners twijfelen hieraan, omdat ze regelmatig merken dat de betalingsachterstand niet verandert, ondanks de hulpacceptatie. De uitvraag onder 168 gemeenten laat zien dat de reacties uiteen lopen; er is geen eenduidige voorkeur voor afschaffing of behoud van de huidige koppeling.
Inleiding
De afgelopen jaren zijn twee onderzoeken gedaan naar de werking en het effect van vroegsignalering. Dit mondde uit in het Ombudsman-rapport ‘Hoe eerder, hoe beter’ (februari 2024). In juni 2025 is het eindrapport van de Wetsevaluatie Vroegsignalering in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Panteia, Bureau Bartels en Hogeschool Utrecht) gepubliceerd.
Uit de wetsevaluatie blijkt dat vroegsignalering bijdraagt aan het bereiken van de doelen van de Wgs (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening), namelijk het voorkomen en verminderen van problematische schulden. Toch zien de onderzoekers ook dat er nog verbeteringen mogelijk zijn. Zo constateren zowel de Nationale Ombudsman als de onderzoekers van de wetsevaluatie dat er duidelijke verschillen tussen gemeenten bestaan. De inzet op vroegsignalering verschilt per gemeente, omdat de schuldhulpverlening gedecentraliseerd is en gemeenten beleidsvrijheid hebben. En ook bij vastelastenpartners zijn er grote verschillen in hoe zij sociaal incasseren voorafgaand aan signalering, door verschillen in de context en de vereisten die in de materiewetten aan inspanningsverplichtingen zijn gesteld.
Beide onderzoeken zijn mede aanleiding geweest om de werking van vroegsignalering als geheel, en de samenwerking hiertoe in de keten te verbeteren. Het is een gezamenlijke uitdaging én verantwoordelijkheid − van vastelastenpartners, gemeenten, het Rijk en andere betrokken stakeholders − om de effectiviteit van vroegsignalering te verbeteren. Hiervoor zijn bestuurlijke afspraken opgesteld die alle koepels van vastelastenpartners, gemeenten en het ministerie van Sociale Zaken binnenkort gaan tekenen, met daarin concrete doelstellingen die zich hebben vertaald in ruim zestig uiteenlopende verbetermaatregelen.
In deze jaarrapportage laten we aan de hand van de doelstellingen uit de bestuurlijke afspraken zien hoe de vroegsignalering er in 2025 voor stond. Dit is de vijfde jaarrapportage van de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden.
Doel
Deze rapportage geeft een landelijk beeld van de werking en resultaten van vroegsignalering binnen gemeenten in 2025 en biedt daarnaast inzicht in de ervaringen van gemeenten met deze aanpak. Ook laat het zien hoe het staat met de doelstellingen uit de voorgenomen bestuurlijke afspraken en de daaraan gekoppelde verbetermaatregelen. Daarmee biedt de rapportage gemeenten en andere betrokken partijen concrete handvatten om de aanpak van vroegsignalering verder te versterken en door te ontwikkelen.
Leeswijzer
Deze rapportage neemt je stapsgewijs mee door het proces van vroegsignalering bij gemeenten: van het ontvangen van signalen tot het registreren van het hulpaanbod. Hoofdstuk een, twee en drie richten zich op de ontvangen signalen, hoofdstuk 4 richt zich op de uitvoering en hoofdstukken 5 en 6 op de behaalde resultaten. Hoofdstuk 7 biedt de metholodogische verantwoording.
Elk hoofdstuk start met een doelstelling uit de bestuurlijke afspraken en/of de bijbehorende verbetermaatregelen voor vroegsignalering en geeft inzicht in de huidige stand van zaken.
Waar zijn de inzichten op gebaseerd?
De inzichten in deze jaarrapportage zijn gebaseerd op data uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden en een uitvraag onder gemeenten. De data uit de monitor zijn afkomstig uit de softwareapplicaties VPS en xxllnc Vroegsignalering. Er nemen 316 Nederlandse gemeenten deel aan de monitor. De uitvraag uit september 2025 geeft inzicht in de werkwijze en ervaringen van gemeenten met vroegsignalering. De vragenlijst is voor 168 gemeenten ingevuld.
Focus op de signalen voor alle gemeenten
In de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden kijken we naar vier groepen vastelastenpartners die vroegsignalen aanleveren aan gemeenten:
- woningverhuurders ( woningbouwcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders),
- zorgverzekeraars,
- drinkwaterbedrijven,
- energiebedrijven.
Daarnaast lopen er diverse experimenten, zoals met signalen van achterstanden op hypotheken, studiefinanciering (DUO), de eigen bijdragen Wmo en Wlz en een experiment met de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Omdat deze experimenten slechts een beperkt aantal gemeenten omvatten, laten we ze buiten beschouwing.
Focus op vroegsignalen
Gemeenten ontvangen ook eindeleveringssignalen van energiemaatschappijen. Wij beschouwen dit als ‘laat’-signalen, niet als ‘vroeg’-signalen. In deze jaarrapportage richten we ons daarom hoofdzakelijk op vroegsignalen, zodat we kunnen vergelijken met eerdere jaren. Waar relevant vermelden we ook wat de eindeleveringssignalen toevoegen.
Focus op relatieve aantallen
Om uitspraken te doen over landelijke ontwikkelingen, kijken we naar het aantal signalen per 1.000 of 10.000 inwoners − niet naar absolute aantallen. Dat laatste is minder zinvol, omdat het aantal deelnemende gemeenten aan de Divosa Monitor Vroegsignalering is gegroeid met acht nieuwe gemeenten.
Eerdere publicaties over vroegsignalering
- De gemeentelijke vroegsignaleringsaanpak onder de loep 2025 (Divosa • september 2025)
- De Leidraad Vroegsignalering (VNG/Divosa)(VNG • september 2025)
Deze leidraad geeft gemeenten, naast algemene informatie over vroegsignalering, handvatten bij het monitoren en evalueren van het proces van vroegsignalering en aanbevelingen voor eenduidige registratie. - Monitor Vroegsignalering Schulden: jaarrapportage 2024 (Divosa • april 2025)
- De vroegsignaleringsaanpak van gemeenten onder de loep • 'Kunnen we je helpen?'(Divosa • april 2025)
- Signaalreis vroegsignalering • Uitwisseling van de werkwijzen van gemeenten en vastelastenpartners (Divosa • juli 2024)
- Publicatie over de ontwikkelingen en ervaringen binnen de vroegsignalering (Divosa • november 2023)
1. Het ontvangen van signalen
Doelstelling uit de bestuurlijke afspraken
Het bewerkstelligen van een duidelijke norm voor kwaliteit van verstuurde signalen, onder andere door inspannings- en aanleververplichtingen van vastelastenpartners zoveel mogelijk te harmoniseren.
Aanleiding hiervoor is de constatering dat er grote verschillen zijn in de materiewetten en context van vastelastenpartners. Dit leidt tot verschillen in hoe sociaal incasseren voorafgaand aan (vroeg)signalering wordt vormgegeven en in de vereisten die de materiewetten stellen aan inspanningsverplichtingen. Het uitgangspunt is dat een hogere kwaliteit van signalen gemeenten in staat stelt hun inzet effectiever te maken.
1.1. De frequentie en het moment van aanlevering
In de modelovereenkomst bij het Landelijk Convenant Vroegsignalering (LCV) is afgesproken dat de vroegsignalen maandelijks worden aangeleverd, zonder dat daarbij een specifieke datum of tijdsperiode is vastgelegd. In de praktijk is het aanlevermoment tussen de 20e en 25e van de maand komen te liggen. De modelovereenkomst is een model; een gemeente en vastelastenpartner mogen in onderling overleg besluiten om hiervan af te wijken. Zo leveren vastelastenpartners aan de gemeente Amsterdam vaker dan één keer per maand aan.
Tijdens de Wetsevaluatie Vroegsignalering (p. 75) gaven energieleveranciers aan dat de maandelijkse aanlevering een belangrijk knelpunt is. Er leeft een breed gedragen behoefte om signalen vaker te kunnen aanleveren, bij voorkeur dagelijks of wekelijks. Dit speelt vooral omdat klanten bij de meeste energieleveranciers zelf kunnen aangeven op welke datum van de maand de energielasten worden geïncasseerd. Volgens enkele geraadpleegde energieleveranciers heeft de ‘wachtperiode’ voor inwoners met een betalingsachterstand die nog niet gemeld kunnen worden, meerdere ongewenste effecten: onnodige schuldenopbouw, een vroegsignaal kort op eindeleveringssignaal, een eindeleveringssignaal zonder voorafgaand vroegsignaal, ophoping van vervolgstappen na vroegsignalering en extra kosten door langere onbetaalde levering.
Verhuurders hebben niet zozeer bezwaar tegen de frequentie, maar wel tegen het aanlevermoment. In de meeste huurovereenkomsten moet de huur uiterlijk op de eerste van de maand betaald zijn. Na het voldoen aan de sociale incassoverplichtingen (zie Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening artikel 2) kan een verhuurder pas 30 dagen na het ontstaan van de achterstand een signaal doorgeven. Met een aanlevermoment tussen de 20e en 25e, betekent dit dat de gemeente het signaal ontvangt bij bijna twee maanden huurachterstand.
Er is dan ook bij meerdere typen vastelastenpartners een grote behoefte om de frequentie en aanlevermoment aan te passen. Bij continue aanlevering − waarbij vastelastenpartners zelf bepalen wanneer zij aanleveren − vervalt het probleem van het vaste aanlevermoment volledig. We hebben gemeenten gevraagd hoe zij aankijken tegen deze verandering.
Frequentie van aanlevering
We hebben respondenten niet vooraf geïnformeerd over de discussie die hierover speelt. We benoemden alleen dat vroegsignalen nu maandelijks worden aangeleverd en vroegen vervolgens: ‘Wat vind je ervan als de vastelastenpartners de vroegsignalen vaker aanleveren? Welke frequentie wil jij?’
Net als in 20231 wil een ruime meerderheid van de gemeenten vasthouden aan de maandelijkse aanlevercyclus. We hebben niet gevraagd waarom − dit is een gemiste kans. Tijdens een online bijeenkomst met gemeenten en vastelastenpartners zijn we hier dieper op ingegaan. Gemeenten gaven aan dat een frequentere aanlevering gevolgen heeft voor:
- de planning en werkverdeling;
- de samenwerkingsafspraken met externe partners;
- de prioritering van signalen en daarmee de inrichting van ‘de bakjes’;
- de matching en het contact leggen met inwoners.
Uit onderstaande tabel blijkt dat gemeenten met minder dan 25.000 inwoners vaker willen vasthouden aan de maandelijkse aanlevercyclus dan gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.
| Gemeentegrootte |
Percentage gemeenten voor behoud maandelijkse aanlevering |
| 0-25.000 (n=45) | 78 procent |
| 25.000-50.000 (n=66) | 73 procent |
| 50.000-100.000 (n=37) | 70 procent |
| 100.000 of meer (n=20) | 60 procent |
| Totaal (n=168) | 72 procent |
Uit de toelichtingen bij ‘anders’ komt een genuanceerd beeld naar voren.
Gemeenten ervaren een spanning tussen wat inhoudelijk wenselijk is en wat praktisch haalbaar is. Vaker of eerder aanleveren heeft voordelen: je zit korter op de signalen waardoor je sneller kan handelen, en beter inspelen op crisissituaties of dreigende afsluitingen. Maar organisatorisch en qua capaciteit is het niet vanzelfsprekend haalbaar.
‘Dat ligt eraan hoe wij het als gemeente verder gaan inrichten. Nu is vroegsignalering een taak erbij met een enorme piek één keer per maand na matching. Wij zijn aan het kijken of we mensen vrij kunnen maken om zich alleen bezig te houden met de vroegsignalering, dan kan aanlevering vaker dan één keer per maand misschien interessant zijn.’
Ook de beperkte uitvoeringscapaciteit komt herhaaldelijk terug in de reacties. Vroegsignalering wordt vaak uitgevoerd naast andere taken en kent een piekbelasting rond de maandelijkse matching. Vaker aanleveren is alleen haalbaar als de interne werkwijze hierop is ingericht − bijvoorbeeld door capaciteit vrij te maken of fundamenteel anders te werken, zoals met een doorlopend systeem. Zonder die aanpassingen wekt een hogere aanleverfrequentie verwachtingen die de uitvoering niet kan waarmaken.
‘Eerder, vaker aanleveren mag, maar er moet niet een verwachting ontstaan dat signalen dan eerder verwerkt gaan worden door 'de uitvoering'.’
Enkele gemeenten geven aan dat de gewenste frequentie afhangt van het type vastelastenpartner. Signalen van verhuurders en energiemaatschappijen willen ze wel vaker ontvangen en die van zorgverzekeraars en drinkwaterbedrijven één keer per maand.
Voetnoot
1Deze vraag is alleen in 2023 en 2025 aan gemeenten gesteld. We hebben geen inzicht hoe gemeenten hier in 2024 naar keken.
Het moment van ontvangen van signalen
Bij de vragen over het aanlevermoment introduceerden we de situatie als volgt:
'Vanuit verhuurders horen we terug dat ze vinden dat gemeenten signalen van huurachterstanden te laat kunnen oppakken. De huur moet meestal vóór de eerste van de maand worden betaald. Na 30 dagen kunnen verhuurders een signaal naar de gemeente sturen, dat vervolgens circa 25 dagen later (rond de 25e) wordt gematcht.'
Vervolgens hebben we de respondenten gevraagd:
- of zij in de praktijk zien dat de huurachterstand bij huursignalen meestal al meer dan één maand bedraagt.
- in hoeverre zij de kritiek van verhuurders delen dat signalen te laat worden aangeleverd en opgepakt.
Meer dan één maand huurachterstand
Vier op de tien gemeenten heeft regelmatig te maken met huurachterstanden van meer dan één maand.
8 procent van de respondenten heeft met woningcorporaties specifieke afspraken gemaakt om huursignalen sneller op te volgen en oplopende huurachterstanden te voorkomen. Die afspraken richten zich vooral op het vroegtijdig melden van achterstanden. Gemeenten maken daarbij gebruik van extra matchingsmomenten − bijvoorbeeld aan het begin van de maand of via tussentijdse matches − om de tijd tussen aanlevering en opvolging te verkleinen.
Daarnaast noemen respondenten structureel overleg en direct contact met woningcorporaties: tweewekelijks contact, huurdersoverleggen en korte lijnen buiten de reguliere systemen. Zo kunnen signalen sneller worden opgepakt en beoordelen gemeente en corporatie samen of achterstanden nog actueel zijn.
Bij ‘anders’ geven respondenten aan dat de hoogte van de huurachterstand sterk verschilt. Ze benoemen drie zaken:
- De omvang van de achterstand hangt af van de werkwijze en aanlevermomenten van verhuurders. Bij verhuurders die later of niet conform afspraken melden, is de huurachterstand vaak meer dan één maand. Te vroege meldingen leiden er daarentegen toe dat de achterstand inmiddels al is ingelopen of slechts tijdelijk heeft bestaan.
‘We hebben te maken met twee grote verhuurders die ieder hun eigen werkwijze hanteren. Eentje doet al snel een melding. De andere verhuurder heeft het eigen interne proces zo ingericht dat de achterstand al meteen fors is bij de eerste melding. Onze voorkeur is de eerste optie.’
- Een deel van de signalen betreft achterstanden van één maand, terwijl bij een ander deel de achterstand al verder is opgelopen.
'Het is vaak een beetje 50/50. De ene helft heeft vaak alsnog de huur wel betaald − maar dus te laat − en bij de andere helft is de achterstand inderdaad al meer dan één maand.’
- Corporaties melden over het algemeen eerder dan particuliere verhuurders.
Erkenning van kritiek van verhuurders
Onderstaande figuur laat een verdeeld beeld zien. Drie op de tien gemeenten deelt de kritiek van verhuurders dat huursignalen te laat worden aangeleverd en opgepakt; 44 procent niet.
Aan degenen die de kritiek niet (volledig) deelden, neutraal waren of geen mening hadden, is gevraagd of het aanlevermoment van de huursignalen aangepast moet worden. Het beeld is wisselend: vier op de tien vindt van wel, drie op de tien niet en een derde weet het niet omdat zij de consequenties niet kunnen overzien.
De 29 procent die aangeeft dat het aanlevermoment niet hoeft te veranderen, ervaart de huidige werkwijze in de praktijk als goed werkend. Zij noemen daarbij het volgende:
- Vaste aanlever- en matchmomenten zorgen voor overzicht, voorkomen versnippering van signalen en maken het mogelijk om huursignalen te combineren met andere vroegsignalen. Zo ontstaat een vollediger beeld van de situatie van de inwoner en kan beter worden geprioriteerd.
- Een zekere tijd tussen het ontstaan van een achterstand en de opvolging is wenselijk. Zo krijgen inwoners eerst zelf de kans om een tijdelijke achterstand op te lossen, waardoor eenmalige of lichte betalingsproblemen niet onnodig worden opgepakt.
- De huidige afspraken voorkomen het lopen op ‘slepers’, wat de werkdruk beperkt.
- In crisissituaties of bij dreigende ontruiming wordt ook nu al sneller en afzonderlijk gehandeld.
Alternatief aanlevermoment
Aan twee groepen is gevraagd wat een beter aanlevermoment zou zijn: de gemeenten die de kritiek van de verhuurders deelden (30 procent van alle gemeenten, n=49) én de gemeenten die voorstander zijn van een ander aanlevermoment (39 procent van degenen die neutraal zijn, het niet eens waren of geen mening hebben, n=47). Zij kregen een aantal opties voorgelegd waaruit zij er één konden kiezen. Onderstaande figuren tonen de reacties voor beide groepen afzonderlijk1.
Bij beide groepen zijn de twee meest genoemde voorstellen:
- Het matchingsmoment van alle signalen verschuiven naar het begin van de maand in plaats van rond de 25e, conform de aanleverkalenders van xxllnc en BKR.
- Verhuurders toestaan om ook binnen 30 dagen na het ontstaan van een huurachterstand een signaal aan te leveren, mits zij voldoen aan de eisen rondom maatschappelijk verantwoorde incasso.
Voetnoot
1Omdat de vraagstelling aan beide groepen licht verschilt, hebben we de antwoorden in twee afzonderlijke figuren weergegeven en niet samengevoegd.
1.2. Slepers
Gemeenten kunnen te maken hebben met huursignalen van zogenaamde ‘slepers’: signalen van huurachterstanden voor dezelfde inwoner, omdat de inwoner structureel de huur te laat betaalt (zie kader).
Aandeel slepers
De respondenten kregen de vraag welk deel van de huursignalen binnen hun organisatie afkomstig is van deze slepers. Dit aandeel hangt deels af van de inwoners en hun betaalgedrag, maar naar verwachting vooral van de werkwijze van lokale verhuurders en hun keuzes over welke signalen zij al dan niet aanleveren bij de gemeente.
De uitkomsten laten zien dat het aandeel slepers voor veel gemeenten lastig in te schatten is. Degenen die wel een inschatting maken, verwachten veelal dat dit minder dan 5 procent van alle huursignalen is (22 procent), of tussen de 5 en 25 procent.
Wat zijn slepers?
Dit zijn huurders waarbij huurachterstanden zich structureel herhalen zonder daadwerkelijk op te lopen, of waarin inwoners bewust of uit gewoonte later betalen. Dit betreft bijvoorbeeld inwoners die:
- elke maand (net) te laat betalen;
- de huur aan het einde van de maand voldoen in plaats van aan het begin;
- telkens één à twee maanden achterlopen maar dit steeds weer bijtrekken.
Het gevolg is dat er verhuurders zijn die (bijna) elke maand een signaal sturen voor dezelfde inwoner, omdat deze maandelijks de huur te laat betaalt.
Wenselijkheid van signalen van slepers
Gemeenten zijn duidelijk verdeeld over de wenselijkheid van huursignalen van slepers. 37 procent vindt dit (heel) wenselijk, een vergelijkbaar aandeel − 33 procent − vindt het (heel) onwenselijk. Drie op de tien neemt een neutrale positie in.
Uit de toelichtingen blijkt dat een deel van de respondenten huursignalen van slepers waardevol vindt als monitoringsinstrument: een manier om inwoners in beeld te houden, zicht te krijgen op structureel laat betaalgedrag en beginnende financiële kwetsbaarheid tijdig te signaleren − niet zozeer om standaard actief op te volgen. Veel gemeenten willen deze signalen ontvangen om zicht te houden op ontwikkelingen en plots gewijzigd betaalgedrag, maar pleiten voor duidelijke afspraken met verhuurders over wanneer en hoe vaak slepers worden gemeld. Bijvoorbeeld dat het aantal meldingen per inwoner begrensd is, of dat een dergelijk signaal alleen wordt opgevolgd bij oplopende achterstanden of aanvullende signalen.
'Een sleper kan toch in de risicozone zitten. Er hoeft dan maar weinig te gebeuren en je hebt zo drie maanden achterstand, als je al een maand achterloopt door te laat te betalen.'
Aan de andere kant benadrukt een deel van de respondenten dat slepen niet automatisch duidt op schuldenproblematiek. Inwoners betalen de huur uiteindelijk vaak wel, bijvoorbeeld omdat het inkomen of de uitkering later in de maand binnenkomt, of omdat zij bewust achteraf betalen. In die situaties leidt het structureel opvolgen van slepers tot extra administratieve lasten, frustratie bij inwoners en soms boosheid of verminderde bereidheid om met de gemeente in gesprek te gaan. Het gevoel ontstaat dat de gemeente optreedt als incassobureau, wat respondenten als onwenselijk ervaren.
'Omdat die mensen wel de huur betalen. Dat ze te laat betalen betekent niet dat ze hulp nodig hebben; dit hoort bij sociaal incasseren door de verhuurder.'
Voorkomen van signalen van slepers
Een derde van de gemeenten die terugkerende signalen voor steeds dezelfde huurders onwenselijk vindt, noemt diverse oplossingen:
- Betere filtering en/of labeling van slepers − bijvoorbeeld een filter waarbij slepers alleen worden doorgezet wanneer het gaat om een meervoudige melding.
- Duidelijke afspraken tussen gemeente en verhuurder.
- Een actievere rol van verhuurders: meer toepassing van sociale incasso en meer maatwerkafspraken, zoals een aangepaste betaaldatum wanneer het inkomen later in de maand binnenkomt.
- Huursignalen later melden; niet binnen 30 dagen.
'De woningcorporatie moet eerst zelf met de huurder in gesprek en pas melden wanneer blijkt dat er meer speelt dan alleen te laat betalen.'
1.3. Herhaalmeldingen
Ontvangt een gemeente opnieuw een signaal van een vastelastenpartner over dezelfde betalingsachterstand en inwoner, dan hoeft dit niet te worden opgevolgd.
In de praktijk komt het voor dat verhuurders meerdere signalen sturen over een betalingsachterstand voor dezelfde maand en inwoner. Gezien de verschillende geluiden die we hoorden ten aanzien van slepers, waren we benieuwd hoe gemeenten tegen dergelijke ‘herhaalmeldingen’ aankijken. Onderstaande figuur geeft het weer.
De meeste gemeenten zijn voorstander van het ontvangen van herhaalmeldingen in specificieke gevallen, namelijk:
- wanneer de betalingsachterstand is toegenomen (65 procent); en/of
- voordat een verhuurder een ontruimingsprocedure start (60 procent).
1.4. Signaal voorafgaand aan ontbinding en ontruiming
Deurwaarders zijn verplicht om een geplande ontruiming tijdig aan de gemeente te melden. Verhuurders hebben geen wettelijke grondslag om de gemeente te informeren over een aankomende ontruiming, al gebeurt dit in de praktijk soms wel.
Uit de grafiek uit paragraaf 1.3. Herhaalmeldingen blijkt al dat die behoefte hieraan er wel is. Bij expliciete navraag hiernaar, geeft 86 procent van de gemeenten aan dat zij een signaal van verhuurders willen ontvangen bij een dreigende huisuitzetting, zodat zij nog kunnen acteren voordat de deurwaarder de ontruiming aankondigt.
Zo’n signaal biedt gemeenten een laatste mogelijkheid om in actie te komen, bijvoorbeeld door opnieuw contact te zoeken met de inwoner, aanvullende interventies te starten of samen met de verhuurder en andere maatschappelijke partners naar een oplossing te zoeken.
'Huisuitzetting is een vergaand middel dat we altijd willen voorkomen; een extra signaal geeft ons de tijd om alsnog te handelen.'
Gemeenten die niet expliciet voorstander zijn van een extra signaal voorafgaand aan de ontruimingsaankondiging, vinden het wel belangrijk om geïnformeerd te worden over dreigende huisuitzettingen, maar plaatsen kanttekeningen bij de route en het moment van melden. Veel gemeenten vinden dat een dreigende ontruiming geen onderdeel (meer) is van vroegsignalering; er is dan sprake van laatsignalering en vaak al van een problematische schuldensituatie. Volgens hen ligt de regie eerder bij schuldhulpverlening of maatschappelijk werk dan bij het team vroegsignalering.
'Communicatie over dreigende huisuitzetting hoort thuis in een ‘protocol voorkomen huisuitzettingen’; vroegsignalering is in deze fase een te licht middel.'
1.5. Extra signalen voor medehuurders
Uit rechterlijke uitspraken in 2025 blijkt dat verhuurders verplicht zijn voor alle huurders op het contract − ook medehuurder(s) − een signaal naar de gemeente te sturen. De vraag is hoe dit in de praktijk loopt en hoe gemeenten hiermee omgaan.
Zes op de tien gemeenten hebben tot nu toe weinig tot geen signalen ontvangen voor verschillende huurders op hetzelfde adres. Bijna één op de vijf gemeenten is hiervan niet op de hoogte.
Bij ‘anders’ geven een aantal respondenten aan dat signalen voor verschillende huurders op hetzelfde adres eerder incidenteel voorkwamen, maar recent vaker voorkomen.
Gemeenten die signalen ontvangen van meerdere huurders op hetzelfde adres, krijgen dit óf als twee afzonderlijke signalen (45 procent van de gemeenten) óf als één signaal met de contactgegevens van beide huurders (23 procent).
Zeven op de tien gemeenten pakt meerdere huursignalen voor hetzelfde adres op als één melding. Uit de reacties bij ‘anders’ blijkt dat sommige gemeenten nog zoeken naar de beste aanpak. Een gemeente geeft aan:
‘Wij worstelen hier nog wel mee. Het is vooral systeemtechnisch onhandig, omdat er matches worden gemaakt, terwijl het om één achterstand gaat. Haal je het uit elkaar, dan is het ook weer onhandig omdat je dan meerdere dossiers hebt op één adres. Het geeft ook een vertekend beeld in de cijfers, omdat de achterstand dus als het ware dubbel binnenkomt, terwijl het om één achterstand gaat. En als je persoon A gesproken hebt en die geeft aan dat het geregeld wordt, ga je dan ook nog persoon B benaderen?’
2. De binnengekomen signalen
Het gemiddelde aantal vroegsignalen per 1000 inwoners per maand is met 3 procent toegenomen ten opzichte van 2024. De deelnemende gemeenten ontvingen in 2025 gemiddeld 4,5 vroegsignalen per 1000 inwoners per maand, tegen 4,4 in 2024. Omgerekend naar heel Nederland komt dit uit op zo’n 975.000 vroegsignalen in 2025.
Een van de grote zorgverzekeraars heeft door een systeemmigratie in november en december nagenoeg geen signalen kunnen aanleveren. Dit is terug te zien in het aantal signalen in deze maanden. Als we november en december buiten beschouwing laten, komen we uit op gemiddeld 4,7 vroegsignalen per 1000 inwoners per maand.
2.1. Signalen per type vastelastenpartner
Zoals elk jaar is het aandeel zorgsignalen van zorgverzekeraars het hoogst: 40 procent van alle vroegsignalen. Het absolute aantal verstuurde zorgsignalen is vergelijkbaar met vorig jaar. Dit hadden er meer moeten zijn, aangezien één van de grotere zorgverzekeraars in de laatste maanden van het jaar helemaal geen zorgsignalen heeft gestuurd. Die zorgverzekeraar geeft wel aan dat door de systeemmigratie in 2026 de kwaliteit van de geleverde signalen zal verbeteren; er zullen minder onterechte signalen worden gestuurd.
Het aandeel drinkwatersignalen is in 2025 iets afgenomen (16 procent van alle signalen), terwijl het aandeel energiesignalen is toegenomen (23 procent). Het aantal vroegsignalen vanuit energiemaatschappijen nam in 2024 nog met 7 procent af ten opzichte van 2023, maar steeg in 2025 juist met 10 procent. Tot eind 2025 konden energiemaatschappijen een eindeleveringssignaal sturen zonder voorafgaand vroegsignaal, bijvoorbeeld bij betalingsachterstanden op de jaarafrekening. Met de komst van de nieuwe Energieregeling − de ministeriële uitwerking van de Energiewet − is dit per 1 januari 2026 niet meer mogelijk. De Energieregeling schrijft voor dat een vroegsignaal altijd vooraf moet gaan aan een eindeleveringssignaal energie. Mogelijk hebben enkele energiemaatschappijen hun werkproces daar gedurende 2025 al op aangepast en zijn zij meer vroegsignalen gaan versturen in plaats van eindeleveringssignalen. (Zie paragraaf 2.2 Eindeleveringssignalen energie.)
In 2025 was 19 procent van alle meldingen met minimaal één eindeleveringssignaal enkelvoudig én niet-opeenvolgend. Dat betekent dat er in die maand én in de zes daaraan voorafgaande maanden geen ander energiesignaal is geweest. In 2024 gold dit nog voor gemiddeld 25 procent van de eindeleveringsmeldingen.
Energiemaatschappijen zagen in 2025 het aantal klanten met betalingsachterstanden gelijk blijven. Het lijkt er dus niet op dat het gestegen aantal energiesignalen het gevolg is van meer mensen die moeite hebben om de energierekening te betalen.
Het aantal signalen van verhuurders is − net als vorig jaar − met 10 procent gestegen. Deze stijging kan meerdere oorzaken hebben: meer mensen met een betalingsachterstand op hun huurlasten, een ander meldingsbeleid bij verhuurders (vaker of eerder melden) of meer verhuurders die sinds 2024 signalen zijn gaan aanleveren. Via het NVVK-ondertekenportaal zijn er in 2025 550 verhuurders bijgekomen. Dit zijn echter veelal verhuurders met slechts één of enkele verhuurde woningen.
2.2. Eindeleveringssignalen energie
Naast de reguliere vroegsignalen leveren energiemaatschappijen sinds april 2023 ook eindeleveringssignalen aan gemeenten, wanneer zij voornemens zijn het energiecontract te beëindigen. Met deze signalen erbij komt het gemiddeld aantal signalen uit op 4,9 signalen per 1000 inwoners per maand (tegen 4,5 signalen per 1000 inwoners per maand zonder eindeleveringssignalen). Omgerekend naar heel Nederland leidt dit tot de conclusie dat er meer dan een miljoen signalen van betalingsachterstanden naar gemeenten zijn gestuurd in 2025 (1.058.000 signalen).
Het totaal aantal eindeleveringssignalen is 2 procent minder dan in 2024, terwijl het aantal reguliere energiesignalen met 10 procent is toegenomen (zie hierboven). Van alle energiesignalen in 2025 is 26 procent een eindeleveringssignaal; in 2024 was dit 30 procent. Onderstaande figuur laat het aandeel eindeleveringssignalen over de tijd zien.
Wat de daling van het aantal eindeleveringssignalen verklaart, is niet duidelijk. Mogelijk hebben enkele energiemaatschappijen hun werkwijze aangepast in voorbereiding op de wettelijke wijzigingen per 1 januari 2026, of zetten zij nu actiever in op sociale incasso en persoonlijk contact, waardoor het minder vaak ‘zover komt’ dat eindeleveringssignalen nodig zijn.
3. Meldingen: opgepakte signalen
Doelstelling uit de bestuurlijke afspraken
Toewerken naar het halveren van het percentage signalen dat niet wordt opgepakt vanwege onvoldoende kwaliteit of ongewenste (Basis Registratie Personen − BRP-)uitval. Hierbij is het streven dat in 2029 het percentage niet-opgepakte signalen op (maximaal) 9 procent ligt; een halvering ten opzichte van 2024.
De helft van de niet-opgepakte signalen komt door uitsluiting op basis van de BRP (21 procent) of omdat het signaal als onterecht is beoordeeld (29 procent). Bij veel gemeenten geldt een signaal als ‘onterecht’ wanneer de betalingsachterstand onder een drempelbedrag ligt en daarom niet actief wordt opgepakt. In 2025 hanteerde ruim zes op de tien gemeenten een drempelbedrag bij het opvolgen van signalen. Onder de 77 gemeenten die in 2023, 2024 en 2025 de Divosa-vragenlijst hebben ingevuld, is het gebruik van een drempelbedrag toegenomen. De helft hanteerde dit in 2023, tegen 76 procent in 2025.
Het aandeel signalen dat niet binnen de vroegsignalering wordt opgepakt, omdat de inwoner al bekend is bij schuldhulpverlening, lijkt met 4 procent beperkt. Dit betreft echter alleen signalen die via een automatische SHV-controle naar voren komen. Sommige gemeenten komen pas later in het proces − tijdens het oppakken van meldingen/dossiers − erachter dat iemand al bekend is bij de schuldhulpverlening. In dat geval wordt ‘hulp geaccepteerd’ teruggekoppeld richting de vastelastenpartners.
Bekend bij schuldhulpverlening als niet-opgepakt signaal
Het feit dat een signaal niet wordt opgepakt vanuit de vroegsignalering omdat de inwoner al bekend is bij schuldhulpverlening, ontslaat gemeenten niet van de verplichting om wel opvolging te geven aan de signalen. De betrokken schuldhulpverlener moet in die gevallen met zowel de inwoner als de vastelastenpartner contact opnemen. De term ‘niet-opgepakt’ kan verwarring wekken; hiermee wordt specifiek bedoeld dat het signaal niet via de vroegsignalering wordt opgepakt.
Aantal meldingen
Per 1000 inwoners zijn er maandelijks 3,4 meldingen geweest, waarbij één melding bestaat uit één of meerdere signalen. Omgerekend naar heel Nederland gaat het om 731.300 meldingen waarbij een hulpaanbod is gedaan. Dit zijn 4 procent meer meldingen dan in 2024.
Daar komen de meldingen van eindeleveringssignalen nog bovenop. Omgerekend voor heel Nederland waren dit er ongeveer 82.900. In totaal hebben zo’n 814.200 adressen in 2025 een hulpaanbod ontvangen vanwege een betalingsachterstand. Dit zijn geen unieke adressen; sommige adressen hebben in 2025 meerdere keren een hulpaanbod ontvangen. Dit geldt voor de ‘opeenvolgende’ meldingen. (Zie paragraaf 3.1. Type meldingen.)
3.1. Type meldingen
Voor de helft van de meldingen geldt dat ze enkelvoudig en niet-opeenvolgend zijn. Op deze adressen zijn in diezelfde maand én in de afgelopen zes maanden geen andere signalen van betalingsachterstanden gemeld door één van de vier vastelastenpartners.
Twee of meer signalen op hetzelfde adres in dezelfde maand komt relatief weinig voor; dit geldt voor 9 procent van alle meldingen. Wel komt het regelmatig voor − in 42 procent van de gevallen − dat er in het afgelopen halfjaar al eerder meldingen waren op hetzelfde adres. Dit kan gaan om een betalingsachterstand bij dezelfde of een andere vastelastenpartner. De verdeling van het type meldingen is vergelijkbaar met 2024. Het type melding is − naast de hoogte van de betalingsachterstand − bij 94 procent van de gemeenten een criterium voor de manier van opvolging.
Enkelvoudige, meervoudige en opeenvolgende meldingen
Een melding kan bestaan uit meerdere signalen. Nadat een gemeente signalen heeft ontvangen, wordt gekeken of er een ‘match’ is tussen de signalen. Bij het matchen wordt gekeken of er voor hetzelfde adres meerdere signalen zijn ontvangen. Er is dan sprake van een meervoudige melding. Ook is het in de systemen te zien of er sprake is van ‘opeenvolgendheid’. Hiervan is sprake als er in de afgelopen zes maanden op hetzelfde adres nog een signaal ontvangen is. Een melding kan zowel meervoudig als opeenvolgend zijn, wanneer op hetzelfde adres in één maand twee signalen komen én er in het afgelopen half jaar ook al minimaal één signaal is ontvangen.
3.2. Hoogte betalingsachterstanden
Bij het merendeel van de meldingen, bestaande uit uitsluitend vroegsignalen, gaat het om een betalingsachterstand van 250 tot 1000 euro: bij 32 procent om een bedrag van 250 tot 500 euro en bij 24 procent om 500 tot 1.000 euro. De verdeling is vergelijkbaar met 2024; toen lag 57 procent van de betalingsachterstanden tussen de 250 en 1000 euro. Het aandeel betalingsachterstanden van 1.000 euro of meer is gestegen van 15 procent in 2024 naar 18 procent nu.
Verschil in betalingsachterstanden bij vroeg- en laatsignalen
Bovenstaande figuur laat zien dat het bij meldingen met één of meerdere laatsignalen (hoofdzakelijk eindeleveringssignalen energie)1 om hogere bedragen gaat. Bij 33 procent gaat het om een bedrag van 1.000 euro of meer.
Verschil tussen enkelvoudige en meervoudige meldingen
De hoogte van de betalingsachterstand bij enkelvoudige meldingen ligt − begrijpelijkerwijs − lager dan bij meervoudige meldingen. Bij enkelvoudige meldingen bedraagt de achterstand in 15 procent van de gevallen meer dan 1.000 euro; bij meervoudige meldingen geldt dit voor 41 procent.
Voetnoot
1Veruit de meeste laatsignalen in de data zijn eindeleveringssignalen (86 procent). Een klein gedeelte bestaat uit laatsignalen van verhuurders; dit zullen signalen van dreigende huisuitzettingen zijn. CAK-signalen zijn niet meegenomen.
4. Het contact leggen met inwoners
Doelstelling uit de bestuurlijke afspraken
Kwalitatief goede signalen worden zo veel mogelijk opgepakt via persoonlijk contact, waarbij wordt ingezet op meerdere contactpogingen per melding.
Hoe meer contactpogingen, hoe groter de kans dat een inwoner wordt bereikt. Dat bleek voorgaande jaren en dat blijkt ook dit jaar het geval (zie Hoofdstuk 5 Het bereiken van inwoners).
Doordat de registratie van contactpogingen niet volledig betrouwbaar is, is alleen vrij grofmazig aan te geven hoeveel contactpogingen er gemiddeld per melding zijn (geregistreerd). Dit zijn ongeveer één tot twee pogingen per melding. Zowel in 2024 als 2025 zijn bij één op de vijf meldingen drie of meer contactpogingen geweest.
4.1. De inzet van contactvormen
De beschikbaarheid van contactgegevens
Om meer persoonlijk contact te kunnen maken, is het wenselijk dat gemeenten over zo veel mogelijk contactgegevens beschikken. Elk jaar neemt de beschikbaarheid van telefoonnummers en e-mailadressen bij de aangeleverde meldingen toe. In 2025 waren bij 82 procent van de meldingen zowel het telefoonnummer als het e-mailadres bekend, tegen 77 procent in 2024. Dit betekent overigens niet dat het aangeleverde telefoonnummer of het e-mailadres klopt. Het aantal meldingen waarbij zowel het telefoonnummer als het e-mailadres ontbreken, is de afgelopen jaren sterk afgenomen. In 2025 was dit in 4 procent van de gevallen zo, tegen één op de vijf meldingen in 2022.
Inzet van verschillende contactvormen
In 2025 maakte driekwart van de gemeenten gebruik van vijf of meer contactmethoden om inwoners te bereiken, zoals brieven, huisbezoeken, telefoongesprekken, WhatsApp, sms'jes en e-mails. Om de ontwikkeling over de tijd te zien, is gekeken naar de 79 gemeenten die de jaarlijkse uitvraag telkens hebben ingevuld. Deze gemeenten gebruiken gemiddeld vijf methoden en dit aantal is over de jaren relatief constant gebleven.
Type contactpogingen
Onderstaande figuur geeft een beeld van de contactpogingen die zijn ondernomen. De meeste contactpogingen worden via e-mail (36 procent) en brief (29 procent) gedaan.
Kijken we specifiek naar de contactpogingen waarbij is geregistreerd of de inwoner al dan niet is bereikt, dan zijn de meeste contactpogingen telefonisch (36 procent) of per e-mail (30 procent) . Dit laat vooral zien dat de registratie van het resultaat per contactvorm verschilt. Het versturen van brieven wordt bijvoorbeeld minder goed bijgehouden. Bij geautomatiseerde berichtgeving wordt mogelijk minder snel geregistreerd dat de inwoner niet is bereikt. Hierdoor lijkt het alsof er minder brieven zijn gestuurd, als je alleen kijkt naar de contactpogingen waarbij een resultaat is geregistreerd.
4.2. Het succes van de contactpogingen
Van alle manieren om contact te zoeken met een inwoner is een persoonlijke benadering − bellen of langsgaan − het meest succesvol. Van alle contactpogingen zien we dat 44 procent van de telefonische contactpogingen en 30 procent van de huisbezoeken resulteert in het daadwerkelijk bereiken van de inwoner. De categorie ‘anders’ betreft bijvoorbeeld een bezoek op locatie. Sommige gemeenten combineren verschillende contactvormen in één antwoordcategorie, waardoor niet te onderscheiden is om welke contactvorm het gaat in een specifieke situatie.
Percentage contactpogingen waarbij een inwoner wordt bereikt (‘succesvolle contactpoging’), naar type contact
| Contacttype | Procent contactpogingen waarbij geregistreerd is of contactpoging wel/niet succesvol is | Procent succesvolle contactpogingen (o.b.v. contactpogingen waarbij geregistreerd is of inwoner wel/niet is bereikt) | Procent succesvolle contactpogingen (o.b.v. alle contactpogingen) |
| Huisbezoek (n=46.263) | 96 % | 30 % | 29 % |
| Telefoon (n=193.013) | 98 % | 44 % | 44 % |
| Sms/WhatsApp (n=74.763) | 32 % | 26 % | 8 % |
| E-mail (n=341.052) | 49 % | 16 % | 8 % |
| Brief/kaart (n=266.572) | 33 % | 7 % | 2 % |
| Anders (n=10.265) | 86 % | 68 % | 58 % |
| Totaal (n=931.928) | 56 % | 27 % | 15 % |
Een kanttekening is dat er verschillen zijn in de registratie van contactpogingen; ze worden niet voor alle benaderingswijzen even goed geregistreerd. Bij huisbezoeken en telefonische contacten is de uitkomst van nagenoeg alle contactpogingen geregistreerd, terwijl bij sms’jes en brieven bij een meerderheid van de pogingen onbekend is of een inwoner is bereikt (zie bovenstaande tabel).
Bovendien kan contact met de inwoner het gevolg zijn van een eerdere contactpoging. Als een inwoner bijvoorbeeld belt over een brief, registreert een gemeente dit soms als telefonisch contact, zonder de brief te registreren als de aanleiding. Het effect van de brief is dan niet zichtbaar in de cijfers.
5. Het bereiken van inwoners
Doelstelling uit de bestuurlijke afspraken
Het doel is om het bereik van vroegsignalering te verdubbelen naar 40 procent, uitgaande van een gelijkblijvend aantal opgepakte meldingen. Als vertrekpunt geldt het aantal meldingen in 2024 (ongeveer 705.000). Bij een beoogd bereik van 40 procent betekent dit dat in 2029 zo’n 280.000 meldingen moeten leiden tot succesvol contact.
Van alle meldingen in 2025 met uitsluitend vroegsignalen is bij 19 procent van de meldingen contact geweest met een inwoner. Er zijn ook meldingen waarbij geen contactpogingen zijn geregistreerd. Als we deze meldingen buiten beschouwing laten en uitsluitend kijken naar de meldingen met minimaal één contactpoging, ligt het bereik op 20 procent. Met ongeveer één op de vijf inwoners wordt via de vroegsignalering daadwerkelijk succesvol contact gelegd.
Het bereik is daarmee vergelijkbaar met 2024, toen lag het bereikpercentage op 21 procent bij meldingen met minimaal één contactpoging en op 19 procent bij alle meldingen.
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd, is wél gestegen, dankzij de toename van het aantal vroegsignalen. Omgerekend naar heel Nederland is in 2025 met ongeveer 133.600 inwoners contact gelegd, tegen 129.300 inwoners in 2024. Dat is een stijging van 3 procent.
Wat verstaan we onder bereik(t)?
Een inwoner is bereikt wanneer er contact is geweest: de inwoner heeft gereageerd op een brief of e-mail, de telefoon opgenomen of de deur opengedaan. 'Bereikt' mag worden geregistreerd wanneer er een reactie is gekomen op een schrijven, of wanneer de inwoner en vroegsignaleerder daadwerkelijk met elkaar in gesprek zijn geweest.
Bereik per gemeente
Hierboven keken we naar het bereik van alle meldingen samen. Onderstaande figuur laat zien hoe het bereikpercentage tussen gemeenten verschilt; die verschillen zijn groot. Zes op de tien gemeenten registreert een bereik van minder dan 20 procent bij meldingen met één of meerdere vroegsignalen. Bij één op de vijf gemeenten ligt het geregistreerde bereik op 30 procent of hoger. De verschillen tussen gemeenten zijn in 2025 vergelijkbaar met 2024.
Bereik laatsignalen
Onderstaande figuur laat een duidelijk verschil zien tussen meldingen met uitsluitend vroegsignalen − waarop dit rapport zich hoofdzakelijk richt − en meldingen met ook een laatsignaal. Bij meldingen met uitsluitend vroegsignalen haalt 8 procent van de gemeenten een bereik van meer dan 40 procent; bij meldingen met ook een laatsignaal is dit 42 procent van de gemeenten.
Het bereikpercentage ligt bij laatsignalen gemiddeld op 32 procent, tegen 19 procent bij de vroegsignalen en is gelijk aan 2024. Dit verschil kan enerzijds komen doordat inwoners in die situatie meer nood en urgentie ervaren en daardoor ontvankelijker zijn voor hulp. Anderzijds weegt zeven op de tien gemeenten bij de opvolging of het gaat om een vroeg- of laatsignaal. De benaderingswijze − het aantal en/of soort ingezette contactvormen − kan dus verschillen, wat invloed heeft op het bereik. (Zie paragraaf 5.1. Verschillen in bereik.)
Als we de meldingen met vroeg- en laatsignalen samennemen, ligt het gemiddelde bereik op 20 procent1. Omdat maar liefst 88 procent van alle meldingen uitsluitend uit vroegsignalen bestaat, ligt het totale bereik nauwelijks hoger dan de 19 procent die bij deze groep wordt behaald. Dit vlakt het effect van het hogere bereikpercentage bij laatsignalen bijna volledig uit.
Met de laatsignalen erbij zijn omgerekend voor heel Nederland ongeveer 163.600 inwoners bereikt via de vroegsignalering. Dit is 4 procent meer dan in 2024. Zoals eerder benoemd, kunnen dit dezelfde inwoners zijn, als een inwoner gedurende het jaar herhaaldelijk betalingsachterstanden heeft gehad.
Voetnoot
1Dat dit totale bereik ondanks het hogere bereikpercentage bij laatsignalen nauwelijks hoger ligt dan de 19 procent bereik bij meldingen met uitsluitend vroegsignalen, komt doordat er veel meer meldingen met uitsluitend vroegsignalen zijn. Dat gaat om 88 procent van alle meldingen.
5.1. Verschillen in bereik
De verschillen in bereik tussen de verschillende leeftijdsgroepen zijn beperkt, zo laat onderstaande figuur zien. De blauwe staaf geeft de situatie in 2025 weer; de lichtoranje die in 2023. Bij meldingen voor jongeren tussen de 18 en 25 jaar is in 2025 in 18 procent van de meldingen daadwerkelijk contact geweest met de jongere. Dit geldt voor 20 procent van de meldingen voor 66-plussers.
We zien dat er wel verschillen in bereik zijn die samenhangen met:
- de betalingsachterstand: de hoogte en van welk type vastelastenpartner;
- de wijze waarop het signaal is opgevolgd: het aantal en type contactpogingen.
Hieronder gaan we dieper op deze verschillen in. Het is aannemelijk dat er nog andere kenmerken zijn van een persoon, de betalingsachterstand of de aanpak vanuit de gemeente, die samenhangen met verschillen in bereik. Zo bleek uit eerdere CBS-analyses over vroegsignalering in de gemeente Amsterdam (onderzoek van de HU, Verwey-Jonker Instituut, Bureau Bartels en het CBS) dat veel factoren samenhangen met de kans om contact te krijgen met inwoners.
De beschikbare gegevens om analyses naar het bereik te doen zijn echter beperkt. Met Data Delen Armoede en Schulden (DDAS) wordt verwacht een uitgebreider beeld te kunnen krijgen van welke kenmerken het meest samenhangen met het bereiken van inwoners binnen de vroegsignalering.
Kenmerken van de betalingsachterstand
De hoogte van de betalingsachterstand
Hoe hoger de betalingsachterstand, hoe groter de kans op contact. Onderstaande figuur laat per categorie het bereikpercentage zien.
De vastelastenpartner
De kans op het bereiken van een inwoner lijkt hoger bij huurachterstanden dan bij achterstanden van andere type vastelastenpartners. Onderstaande figuur laat deze verschillen zien; per type vastelastenpartner is te zien bij welk deel van de meldingen daadwerkelijk contact is geweest met de inwoner. Bij 22 procent van de meldingen van energiebedrijven (vroegsignalen; eindeleveringssignalen buiten beschouwing gelaten) wordt de inwoner bereikt; bij drinkwaterbedrijven is dit 12 procent.
Bij meervoudige meldingen komt het onderliggende signaal bij twee of meer staven terug. Verder houdt deze figuur geen rekening met verschillen in de gemiddelde hoogte van de betalingsachterstand tussen vastelastenpartners. Een huurachterstand is gemiddeld hoger dan een achterstand bij het drinkwaterbedrijf en hangt een hogere achterstand samen met een groter bereik.
Type melding
Bij meervoudige meldingen − met meerdere signalen van betalingsachterstanden in één maand − ligt het bereik hoger dan bij enkelvoudige meldingen (gemiddeld 27 procent tegen 18 procent). Dit kan enerzijds samenhangen met het feit dat het om hogere bedragen gaat. Anderzijds hanteren veel gemeenten bij meervoudige meldingen een andere, meer persoonlijkere en/of intensievere aanpak.
Bij opeenvolgende meldingen ligt het bereik lager dan bij niet-opeenvolgende meldingen (17 procent tegen 20 procent) − ongeacht of het enkelvoudige of meervoudige meldingen zijn. Mogelijk gaat het om inwoners die moeilijker te bereiken zijn en eerder ook niet hebben gereageerd. Of het zijn inwoners die minder openstaan voor hulp. Een andere oorzaak kan zijn dat sommige gemeenten bij terugkerende meldingen voor dezelfde inwoner niet ‘actief’ contact zoeken met de inwoner, bijvoorbeeld omdat ze de inwoner niet willen ‘stalken’. Als dan alleen een e-mail of brief wordt gestuurd, is de kans op daadwerkelijk contact kleiner, zo hebben we eerder gezien.
Hieronder staat het bereikpercentage voor de vier typen meldingen afzonderlijk uitgesplitst.
|
Type melding |
Gemiddeld percentage meldingen |
|
enkelvoudig, niet opeenvolgend (n=328.325) |
20 procent |
|
enkelvoudig, opeenvolgend (n=283.524) |
15 procent |
|
meervoudig, niet opeenvolgend (n=18.631) |
30 procent |
|
meervoudig, opeenvolgend (n=43.310) |
26 procent |
Kenmerken van de gemeentelijke aanpak
Het aantal contactpogingen
Hoe meer contactpogingen, hoe kansrijker dat een inwoner wordt bereikt. Bij meldingen met vier of meer contactpogingen is in 39 procent van de meldingen contact gelegd; bij meldingen met één geregistreerde contactpoging is dit 14 procent.
Onderstaande tabel laat de verschillen zien:
|
Aantal contactpogingen per melding |
Gemiddeld percentage meldingen |
|
1 |
14 procent |
|
2 |
17 procent |
|
3 |
28 procent |
|
4 of meer |
39 procent |
Het type contactpoging
Een persoonlijke benadering − telefonisch of huisbezoek − is kansrijker dan een schriftelijke benadering. Telefonisch contact heeft daarbij een iets hogere slaagkans dan een huisbezoek. Onderstaande figuur laat het verschil zien. Bij meldingen waarbij uitsluitend schriftelijk contact is gezocht (n=522.722), is in 7 procent van de gevallen geregistreerd dat de inwoner is bereikt. Bij meldingen met minimaal één huisbezoek (n=36.391), wordt 48 procent van de inwoners bereikt. Bij meldingen met minimaal één telefonische contactpoging (n=131.436) is dit 60 procent.
6. Hulpacceptatie en doorverwijzing
Doelstelling uit de bestuurlijke afspraken
In de bestuurlijke afspraken zelf staan geen afspraken over hulpacceptatie en doorverwijzing benoemd. In de onderliggende verbetermaatregelen wel. Hierin wordt gewerkt aan meer eenduidigheid in de (registratie en terugkoppeling van) hulpacceptatie en het verbeteren van de opvolging van hulpacceptatie.
Het bereiken van een inwoner betekent nog niet dat deze ook daadwerkelijk gebruikmaakt van de aangeboden hulp. Van de bereikte inwoners accepteert gemiddeld 32 procent de aangeboden hulp, bij meldingen met uitsluitend vroegsignalen. Dit is 6 procent van alle meldingen. Het kan daarbij gaan om hulp bij het treffen van een betalingsregeling, het stellen van vragen aan de vroegsignaleerder of het openstaan voor tips en adviezen. Ook kan de vroegsignaleerder de inwoner verwijzen naar andere hulpverlening.
Het percentage geregistreerde hulpacceptatie is iets lager dan in 2024. Toen werd bij 7 procent van het totaal aantal meldingen en 35 procent van de bereikte inwoners geregistreerd dat de inwoner hulp accepteerde. Ook het absolute aantal inwoners bij wie hulpacceptatie is geregistreerd , is gedaald; 4 procent lager dan in 2024. Deze afname kan verschillende oorzaken hebben:
- Minder mensen staan open voor hulp of geven aan geen hulp nodig te hebben.
- De registratie bij gemeenten is veranderd; er wordt kritischer gekeken of er daadwerkelijk sprake is van hulpacceptatie. Er is nog geen volledige eenduidigheid over de registratie van hulpacceptatie. Vanuit diverse vastelastenpartners komt het geluid dat zij vaak de terugkoppeling krijgen dat hulp is geaccepteerd, maar dat de achterstand niet wordt ingelopen of dat er geen betalingsregeling is getroffen. Gemeenten zien zelf ook inwoners die aanvankelijk aangeven open te staan voor hulp, maar vervolgens niet bij een vervolgafspraak verschijnen. Mogelijk maakt dit gemeenten kritischer bij het registreren van hulpacceptatie.
Hulpacceptatie bij laatsignalen
Bij laatsignalen ligt niet alleen het bereik hoger, maar ook de hulpacceptatie. Van alle meldingen met minimaal één laatsignaal − hoofdzakelijk eindeleveringssignalen energie − wordt bij 15 procent hulp geaccepteerd. Dit is bijna de helft (46 procent) van alle laatsignalen waarbij de inwoner is bereikt.
Als we alle meldingen samenvoegen − met vroeg- en/of laatsignalen − accepteert 35 procent van de bereikte inwoners hulp. Dit komt neer op 7 procent van alle meldingen.
Wat verstaan we onder hulpacceptatie?
Van hulpacceptatie is sprake als een inwoner openstaat voor de geboden ondersteuning vanuit de vroegsignalering − budgetadvies en/of quick-fix − of instemt met vervolghulp. Dit laatste kan een doorverwijzing zijn naar andere hulpverlening, financiële of flankerende hulpverlening. Hulpacceptatie vereist altijd contact: een inwoner moet met de vroegsignaleerder hebben ingestemd met de hulp, dus pas nadat de inwoner is bereikt.
Bij (budget)advies en/of quick-fix is er contact geweest met de inwoner en is er informatie, advies en/of hulp geboden waardoor de inwoner de betalingsachterstanden binnen dertig dagen zelf kan oplossen.
Bij vervolghulp en/of verwijzing wordt een langer hulptraject ingezet als vervolg op de vroegsignalering. Die hulp kan financieel of niet-financieel zijn:
- Financieel: schuldhulpverlening, budgetcoaching of bewindvoering, etc.
- Niet-financieel: maatschappelijk werk, verslavingszorg of gezinszorg etc.
De vervolghulp kan binnen de eigen organisatie worden ingevuld of een doorverwijzing naar een externe organisatie betekenen. Dit hangt af van wie de vroegsignalering uitvoert en welke expertises binnen de organisatie beschikbaar zijn. Of er uiteindelijk een oplossing komt voor de achterstand is niet met zekerheid vast te stellen.
Hulpacceptatie per gemeente
Onderstaande figuur laat zien dat de hulpacceptatie tussen gemeenten verschilt. Het merendeel van de gemeenten heeft een percentage hulpacceptatie tussen de 10 en 30 procent. Het gemiddelde op gemeenteniveau (n=309 gemeenten) komt uit op 26 procent. Dat het landelijk gemiddelde hoger ligt (35 procent bij alle vroeg- en eindeleveringsmeldingen samen) komt doordat daarbij naar het totaal van alle meldingen wordt gekeken en niet naar het gemiddelde per gemeente. In onderstaande figuur wordt dus geen rekening gehouden met het verschillend aantal inwoners per gemeente.
Onderstaande tabel laat zien dat er geen samenhang is tussen het aantal inwoners in de gemeente en het percentage geregistreerde hulpacceptatie.
|
Gemeentegrootte |
Gemiddeld percentage hulpacceptatie (als percentage |
|
0-25.000 |
24 procent |
|
25.000-50.000 |
27 procent |
|
50.000-100.000 |
25 procent |
|
100.000 of meer |
32 procent |
|
Totaal |
26 procent |
Het gemiddelde percentage geregistreerde hulpacceptatie bij gemeenten met een bereik tussen de 10 procent en 20 procent is 27 procent, bij een bereik van 30 procent tot 40 procent op 20 procent en bij 40 procent of meer op 24 procent. Een hoog bereikpercentage gaat dus niet samen met meer hulpacceptatie.
6.1. Geboden hulp
De figuur hieronder laat zien welke vorm van hulp is geboden op het moment dat een inwoner hulp accepteert. Bijna twee derde van de hulp is een (budget)advies en/of een quick-fix. Dit wordt relatief gezien beduidend minder vaak geregistreerd dan in 2024; toen werden acht op de tien hulpacceptaties zo geregistreerd. Het aandeel meldingen waarbij de inwoner is verwezen naar financiële vervolghulp is gestegen van 11 naar 16 procent.
Op basis van de data is niet duidelijk of er daadwerkelijk meer inwoners zijn doorverwezen of vervolghulp hebben ontvangen, of dat de hulp vergelijkbaar is met vorig jaar, maar dat de gemeenten dit anders zijn gaan registreren. Mogelijk hebben gemeenten hun registratie tegen het licht gehouden, omdat hier het afgelopen jaar meer aandacht voor is geweest.
6.2. Hulpacceptatie en 30 dagen uitstel
In de modelovereenkomst bij het Landelijk Convenant Vroegsignalering is opgenomen dat wanneer een inwoner hulp accepteert, de vastelastenpartner het incassoproces voor maximaal 30 dagen opschort. Die periode is bedoeld om een betalingsregeling te treffen, de financiële situatie op orde te brengen en/of verdere hulp op te starten. Als er binnen 30 dagen geen betaling heeft plaatsgevonden of afspraken zijn gemaakt, start het incassotraject weer op.
De vraag is of deze automatische koppeling tussen hulpacceptatie en 30 dagen uitstel van betaling nog passend is. Diverse vastelastenpartners twijfelen hieraan, omdat ze regelmatig merken dat de betalingsachterstand niet verandert, ondanks de hulpacceptatie. Ook vanuit een aantal gemeenten klinkt de wens om hulpacceptatie los te koppelen van de 30 dagen uitstel. Ze willen soms hulpacceptatie kunnen registreren, bijvoorbeeld niet-financiële hulp, zonder dat daar een incassopauze van 30 dagen aan vastzit.
Dit was aanleiding om breder uit te vragen hoe gemeenten aankijken tegen de automatische koppeling. Bij de uitvraag is direct een alternatief geschetst (‘voorgestelde alternatief’ in de figuur); de optie om afzonderlijk te registreren of er sprake is van hulpacceptatie én of het incassoproces 30 dagen moet worden opgeschort.
Inmiddels − een aantal maanden na de uitvraag − zijn er ook andere alternatieven bedacht. Eén daarvan is de aansluiting bij de ontwikkeling van de landelijke pauzeknop en de Kennisgeving. Een andere optie is dat de standaardafspraak binnen de vroegsignalering wordt dat een inwoner in de meeste gevallen uitstel van betaling kan krijgen, zodra een vroegsignaleerder met dat expliciete verzoek contact opneemt met de vastelastenpartner.
In het licht van deze ontwikkeling is het interessant te zien hoe gemeenten aankijken tegen de afschaffing of het behoud van de huidige koppeling. Onderstaande figuur geeft de reacties weer.
De reacties lopen uiteen en laten geen eenduidige voorkeur zien voor afschaffing of behoud van de huidige koppeling. Een groot deel van de gemeenten ervaart de koppeling als waardevol. Deze gemeenten benadrukken dat de incassopauze inwoners direct rust biedt op het moment dat zij hulp accepteren en tegelijkertijd de uitvoering de ruimte geeft die nodig is. Bovendien helpt dit om inwoners over de streep te trekken naar hulpverlening. De 30 dagen worden vaak gezien als een minimale periode om contact te leggen, inzicht te krijgen in de financiële situatie en passende afspraken of vervolghulp te organiseren. De huidige werkwijze wordt ook als overzichtelijk en uitvoerbaar beschouwd, omdat deze voorkomt dat per signaal afzonderlijke afwegingen moeten worden gemaakt, wat het risico op fouten of vertragingen verkleind.
'Dit geeft rust voor de inwoner en voor ons tijd om hulp op te zetten.'
Tegelijkertijd heeft een substantieel deel van de gemeenten behoefte aan meer flexibiliteit. Zij geven aan dat de automatische koppeling in de praktijk niet altijd aansluit bij de diversiteit aan situaties. Sommige dossiers lopen al bij een deurwaarder, de incassopauze wordt niet altijd consequent nageleefd, of hulpacceptatie vindt plaats terwijl een afspraak pas later volgt. Ook wordt benoemd dat 30 dagen in sommige gevallen onvoldoende is, met name bij complexe problematiek of bij het opstarten van schuldhulpverlening. Vanuit deze praktijkervaring pleiten gemeenten voor een systeem waarin hulpacceptatie en incassopauze los van elkaar geregistreerd kunnen worden, zodat maatwerk mogelijk is.
7. Methodologische verantwoording
In deze rapportage maken we gebruik van gegevens uit verschillende bronnen:
- Cijfers over de vroegsignalering van deelnemende gemeenten aan de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden, afkomstig uit de softwareapplicaties.
- De uitkomsten van een vragenlijst die deelnemende gemeenten invullen over de procesinrichting rondom vroegsignalering.
Hieronder lichten we de gebruikte gegevens nader toe.
Cijfers vroegsignalering
Bijna alle gemeenten maken gebruik van de softwareapplicaties xxllnc Vroegsignalering Matching en xxllnc Vroegsignalering Vroeg Eropaf (xxllnc Vroegsignalering ) van xxllnc Sociaal of Vindplaats van Schulden (VPS) van Bureau Krediet Registratie (BKR). In deze systemen kunnen de vastelastenpartners de signalen aanleveren, kunnen gemeenten de signalen categoriseren op basis van hun beleidskeuzes en kunnen zij de opvolging en uitkomsten registreren. xxllnc Sociaal en BKR leveren voor de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden geanonimiseerde gegevens op gemeenteniveau over signalen, meldingen en contactpogingen.
Gedurende 2025 zijn steeds meer gemeenten gaan deelnemen aan de Monitor Vroegsignalering. In januari 2025 waren dit 308 gemeenten; eind 2025 waren dit er 316. Deze 316 gemeenten vertegenwoordigen 97 procent van de Nederlandse bevolking. Van deze 316 gemeenten maken 268 gebruik van xxllnc Vroegsignalering (xxllnc Sociaal) en 48 van VPS (BKR).
Onderstaande tabel laat zien hoe de deelname van gemeenten is verdeeld naar inwonersaantal. Daaruit blijkt dat de deelnemende gemeenten op dit gebied een afspiegeling zijn van alle gemeenten in Nederland.
Deelnemende gemeenten aan de Monitor Vroegsignalering - data van xxllnc Sociaal en BKR (heel 2025)
|
Aantal deelnemende gemeenten |
Aandeel van het totaal aantal deelnemende gemeenten (n=316) |
Aandeel van het totaal aantal gemeenten in Nederland (n=342) |
|
|
0-25.000 |
98 |
31 % |
33 % |
|
25.000-50.000 |
123 |
39 % |
39 % |
|
50.000-100.000 |
63 |
20 % |
18 % |
|
100.000 of meer |
32 |
10 % |
9 % |
Berekening jaarcijfers
Bij het berekenen van de jaarcijfers is uitgegaan van het gemiddelde van de maandgemiddelden. Hiervoor is gekozen omdat het aantal deelnemende gemeenten gedurende het kalenderjaar is toegenomen en dus per maand verschilt.
In de grafieken zijn wel de totale aantallen over 2025 weergegeven, om daarmee een beeld te schetsen van de achterliggende waarden. In het dashboard dat beschikbaar is voor gemeenten, zijn bepaalde cijfers berekend op basis van die totale aantallen. Hierdoor kunnen kleine verschillen optreden tussen de getoonde percentages.
Uitkomsten vragenlijst
Twee keer per jaar zetten we een vragenlijst uit onder deelnemende gemeenten. In deze rapportage zijn de antwoorden meegenomen uit de vragenlijst van september 2025. Deze vragen richten zich op actualiteiten en ontwikkelingen in de vroegsignalering en hoe gemeenten hier tegenaan kijken. Waar relevant verwijzen we naar uitkomsten uit de vragenlijst van april 2025, die over de procesinrichting rondom vroegsignalering ging. De uitkomsten zijn in september 2025 gepubliceerd.
In totaal hebben 128 organisaties de vragenlijst volledig ingevuld: 108 individuele gemeenten en 20 samenwerkingsverbanden en gemeenschappelijke regelingen. In totaal vertegenwoordigen deze organisaties 168 gemeenten, oftewel 54 procent van de Nederlandse bevolking. In de rapportage gebruiken we de antwoorden op gemeenteniveau. Dit betekent dat een antwoord van een gemeenschappelijke regeling of samenwerkingsverband meerdere keren meetelt, een keer voor elke gemeente in de regeling.
Gemeenten tot 25.000 inwoners zijn iets ondervertegenwoordigd, terwijl gemeenten met meer dan 100.000 inwoners iets oververtegenwoordigd zijn ten opzichte van de landelijke verdeling.
Deelnemende gemeenten aan de vragenlijst (september 2025)
|
Aantal deelnemende gemeenten |
Aandeel van het totaal aantal deelnemende gemeenten (n=168) |
Aandeel van het totaal aantal gemeenten in Nederland (n=342) |
|
|
0-25.000 |
45 |
27 % |
33 % |
|
25.000-50.000 |
66 |
39 % |
40 % |
|
50.000-100.000 |
37 |
22 % |
18 % |
|
100.000 of meer |
20 |
12 % |
9 % |
Analyse vragenlijst over de jaren
Elk jaar wordt in maart een vragenlijst uitgezet onder gemeenten over de uitvoering van vroegsignalering. De vragenlijst gaat in op de wijze waarop gemeenten hun vroegsignaleringsproces hebben ingericht en welke keuzes zij daarin maken. De vragen betreffen onder meer de opvolging van signalen, het aantal contactpogingen en de registratie van resultaten. Het is waardevol om inzicht te krijgen in hoe gemeenten hun vroegsignaleringsproces in de loop der jaren hebben doorontwikkeld. Dit rapport brengt daarvoor een selectie aan vragen en de bijbehorende trends over meerdere jaren in kaart.
Voor 79 gemeenten zijn gegevens beschikbaar over de jaren 2023, 2024 en 2025. Onderstaande tabel laat de verdeling naar gemeentegrootte zien. Daarin is een duidelijke oververtegenwoordiging van gemeenten met 50.000 inwoners of meer.
Gemeenten die in drie achtereenvolgende jaren deelnamen aan de vragenlijst (voorjaar 2023, 2024 en 2025)
|
Aantal deelnemende gemeenten |
Aandeel van het totaal aantal deelnemende gemeenten (n=79) |
Aandeel van het totaal aantal gemeenten in Nederland (n=342) |
|
|
0-25.000 |
18 |
22 % |
33 % |
|
25.000-50.000 |
23 |
29 % |
40 % |
|
50.000-100.000 |
25 |
32 % |
18 % |
|
100.000 of meer |
13 |
16 % |
9 % |
Colofon
Divosa
Aidadreef 8 | 3561 GE Utrecht
Postbus 9563 | 3506 GN Utrecht
030 233 23 37
info@divosa.nl
divosa.nl
Auteurs
Anna van der Schors (Divosa)
Ariane de Jong (Divosa)
Met medewerking van
Sanne van der Laan (Significant Insights)
Met dank aan
Erika Dekens (Divosa)
Ellen Hennekens (NVVK)
Jouke in der Maur (VNG)
Martin van Riemsdijk (BKR)
Hayo IJpelaar (xxllnc Sociaal)
Eindredactie
Stefanie Peters (Divosa)
Webredactie
Mathilde Kroon (Divosa)
Versie
April 2026