Overslaan en naar de inhoud gaan

1. Het ontvangen van signalen

1.1. De frequentie en het moment van aanlevering

In de modelovereenkomst bij het Landelijk Convenant Vroegsignalering (LCV) is afgesproken dat de vroegsignalen maandelijks worden aangeleverd, zonder dat daarbij een specifieke datum of tijdsperiode is vastgelegd. In de praktijk is het aanlevermoment tussen de 20e en 25e van de maand komen te liggen. De modelovereenkomst is een model; een gemeente en vastelastenpartner mogen in onderling overleg besluiten om hiervan af te wijken. Zo leveren vastelastenpartners aan de gemeente Amsterdam vaker dan één keer per maand aan.

Tijdens de Wetsevaluatie Vroegsignalering (p. 75) gaven energieleveranciers aan dat de maandelijkse aanlevering een belangrijk knelpunt is. Er leeft een breed gedragen behoefte om signalen vaker te kunnen aanleveren, bij voorkeur dagelijks of wekelijks. Dit speelt vooral omdat klanten bij de meeste energieleveranciers zelf kunnen aangeven op welke datum van de maand de energielasten worden geïncasseerd. Volgens enkele geraadpleegde energieleveranciers heeft de ‘wachtperiode’ voor inwoners met een betalingsachterstand die nog niet gemeld kunnen worden, meerdere ongewenste effecten: onnodige schuldenopbouw, een vroegsignaal kort op eindeleveringssignaal, een eindeleveringssignaal zonder voorafgaand vroegsignaal, ophoping van vervolgstappen na vroegsignalering en extra kosten door langere onbetaalde levering. 

Verhuurders hebben niet zozeer bezwaar tegen de frequentie, maar wel tegen het aanlevermoment. In de meeste huurovereenkomsten moet de huur uiterlijk op de eerste van de maand betaald zijn. Na het voldoen aan de sociale incassoverplichtingen (zie Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening artikel 2) kan een verhuurder pas 30 dagen na het ontstaan van de achterstand een signaal doorgeven. Met een aanlevermoment tussen de 20e en 25e, betekent dit dat de gemeente het signaal ontvangt bij bijna twee maanden huurachterstand. 

Er is dan ook bij meerdere typen vastelastenpartners een grote behoefte om de frequentie en aanlevermoment aan te passen. Bij continue aanlevering − waarbij vastelastenpartners zelf bepalen wanneer zij aanleveren − vervalt het probleem van het vaste aanlevermoment volledig. We hebben gemeenten gevraagd hoe zij aankijken tegen deze verandering.

Frequentie van aanlevering 

We hebben respondenten niet vooraf geïnformeerd over de discussie die hierover speelt. We benoemden alleen dat vroegsignalen nu maandelijks worden aangeleverd en vroegen vervolgens: ‘Wat vind je ervan als de vastelastenpartners de vroegsignalen vaker aanleveren? Welke frequentie wil jij?’

Net als in 20231 wil een ruime meerderheid van de gemeenten vasthouden aan de maandelijkse aanlevercyclus. We hebben niet gevraagd waarom − dit is een gemiste kans. Tijdens een online bijeenkomst met gemeenten en vastelastenpartners zijn we hier dieper op ingegaan. Gemeenten gaven aan dat een frequentere aanlevering gevolgen heeft voor:

  • de planning en werkverdeling;
  • de samenwerkingsafspraken met externe partners;
  • de prioritering van signalen en daarmee de inrichting van ‘de bakjes’;
  • de matching en het contact leggen met inwoners.
Gewenste frequentie aanlevering signalen

Uit onderstaande tabel blijkt dat gemeenten met minder dan 25.000 inwoners vaker willen vasthouden aan de maandelijkse aanlevercyclus dan gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.

Gemeentegrootte

Percentage gemeenten voor behoud maandelijkse aanlevering

0-25.000 (n=45) 78 procent
25.000-50.000 (n=66) 73 procent
50.000-100.000 (n=37) 70 procent
100.000 of meer (n=20) 60 procent
Totaal (n=168) 72 procent

Uit de toelichtingen bij ‘anders’ komt een genuanceerd beeld naar voren.

Gemeenten ervaren een spanning tussen wat inhoudelijk wenselijk is en wat praktisch haalbaar is. Vaker of eerder aanleveren heeft voordelen: je zit korter op de signalen waardoor je sneller kan handelen, en beter inspelen op crisissituaties of dreigende afsluitingen. Maar organisatorisch en qua capaciteit is het niet vanzelfsprekend haalbaar.

‘Dat ligt eraan hoe wij het als gemeente verder gaan inrichten. Nu is vroegsignalering een taak erbij met een enorme piek één keer per maand na matching. Wij zijn aan het kijken of we mensen vrij kunnen maken om zich alleen bezig te houden met de vroegsignalering, dan kan aanlevering vaker dan één keer per maand misschien interessant zijn.’

Ook de beperkte uitvoeringscapaciteit komt herhaaldelijk terug in de reacties. Vroegsignalering wordt vaak uitgevoerd naast andere taken en kent een piekbelasting rond de maandelijkse matching. Vaker aanleveren is alleen haalbaar als de interne werkwijze hierop is ingericht − bijvoorbeeld door capaciteit vrij te maken of fundamenteel anders te werken, zoals met een doorlopend systeem. Zonder die aanpassingen wekt een hogere aanleverfrequentie verwachtingen die de uitvoering niet kan waarmaken.

‘Eerder, vaker aanleveren mag, maar er moet niet een verwachting ontstaan dat signalen dan eerder verwerkt gaan worden door 'de uitvoering'.’

Enkele gemeenten geven aan dat de gewenste frequentie afhangt van het type vastelastenpartner. Signalen van verhuurders en energiemaatschappijen willen ze wel vaker ontvangen en die van zorgverzekeraars en drinkwaterbedrijven één keer per maand. 

Voetnoot

 1Deze vraag is alleen in 2023 en 2025 aan gemeenten gesteld. We hebben geen inzicht hoe gemeenten hier in 2024 naar keken.

Het moment van ontvangen van signalen

Bij de vragen over het aanlevermoment introduceerden we de situatie als volgt: 

'Vanuit verhuurders horen we terug dat ze vinden dat gemeenten signalen van huurachterstanden te laat kunnen oppakken. De huur moet meestal vóór de eerste van de maand worden betaald. Na 30 dagen kunnen verhuurders een signaal naar de gemeente sturen, dat vervolgens circa 25 dagen later (rond de 25e) wordt gematcht.'

Vervolgens hebben we de respondenten gevraagd:

  • of zij in de praktijk zien dat de huurachterstand bij huursignalen meestal al meer dan één maand bedraagt.
  • in hoeverre zij de kritiek van verhuurders delen dat signalen te laat worden aangeleverd en opgepakt. 
Meer dan één maand huurachterstand

Vier op de tien gemeenten heeft regelmatig te maken met huurachterstanden van meer dan één maand. 

_In hoeverre achterstand huursignalen meer dan een maand bedraagt

8 procent van de respondenten heeft met woningcorporaties specifieke afspraken gemaakt om huursignalen sneller op te volgen en oplopende huurachterstanden te voorkomen. Die afspraken richten zich vooral op het vroegtijdig melden van achterstanden. Gemeenten maken daarbij gebruik van extra matchingsmomenten − bijvoorbeeld aan het begin van de maand of via tussentijdse matches − om de tijd tussen aanlevering en opvolging te verkleinen. 

Daarnaast noemen respondenten structureel overleg en direct contact met woningcorporaties: tweewekelijks contact, huurdersoverleggen en korte lijnen buiten de reguliere systemen. Zo kunnen signalen sneller worden opgepakt en beoordelen gemeente en corporatie samen of achterstanden nog actueel zijn. 

Bij ‘anders’ geven respondenten aan dat de hoogte van de huurachterstand sterk verschilt. Ze benoemen drie zaken:

  • De omvang van de achterstand hangt af van de werkwijze en aanlevermomenten van verhuurders. Bij verhuurders die later of niet conform afspraken melden, is de huurachterstand vaak meer dan één maand. Te vroege meldingen leiden er daarentegen toe dat de achterstand inmiddels al is ingelopen of slechts tijdelijk heeft bestaan. 

    ‘We hebben te maken met twee grote verhuurders die ieder hun eigen werkwijze hanteren. Eentje doet al snel een melding. De andere verhuurder heeft het eigen interne proces zo ingericht dat de achterstand al meteen fors is bij de eerste melding. Onze voorkeur is de eerste optie.’
     
  • Een deel van de signalen betreft achterstanden van één maand, terwijl bij een ander deel de achterstand al verder is opgelopen.

    'Het is vaak een beetje 50/50. De ene helft heeft vaak alsnog de huur wel betaald − maar dus te laat − en bij de andere helft is de achterstand inderdaad al meer dan één maand.’
     
  • Corporaties melden over het algemeen eerder dan particuliere verhuurders. 
Erkenning van kritiek van verhuurders

Onderstaande figuur laat een verdeeld beeld zien. Drie op de tien gemeenten deelt de kritiek van verhuurders dat huursignalen te laat worden aangeleverd en opgepakt; 44 procent niet. 

In hoeverre men het eens is met de kritiek van verhuurders dat huursignalen te laat kunnen worden aangeleverd en opgepakt

Aan degenen die de kritiek niet (volledig) deelden, neutraal waren of geen mening hadden, is gevraagd of het aanlevermoment van de huursignalen aangepast moet worden. Het beeld is wisselend: vier op de tien vindt van wel, drie op de tien niet en een derde weet het niet omdat zij de consequenties niet kunnen overzien. 

Wenselijkheid van aanpassing aanlevermoment huursignalen

De 29 procent die aangeeft dat het aanlevermoment niet hoeft te veranderen, ervaart de huidige werkwijze in de praktijk als goed werkend. Zij noemen daarbij het volgende: 

  • Vaste aanlever- en matchmomenten zorgen voor overzicht, voorkomen versnippering van signalen en maken het mogelijk om huursignalen te combineren met andere vroegsignalen. Zo ontstaat een vollediger beeld van de situatie van de inwoner en kan beter worden geprioriteerd.
  • Een zekere tijd tussen het ontstaan van een achterstand en de opvolging is wenselijk. Zo krijgen inwoners eerst zelf de kans om een tijdelijke achterstand op te lossen, waardoor eenmalige of lichte betalingsproblemen niet onnodig worden opgepakt.
  • De huidige afspraken voorkomen het lopen op ‘slepers’, wat de werkdruk beperkt.
  • In crisissituaties of bij dreigende ontruiming wordt ook nu al sneller en afzonderlijk gehandeld.
Alternatief aanlevermoment

Aan twee groepen is gevraagd wat een beter aanlevermoment zou zijn: de gemeenten die de kritiek van de verhuurders deelden (30 procent van alle gemeenten, n=49) én de gemeenten die voorstander zijn van een ander aanlevermoment (39 procent van degenen die neutraal zijn, het niet eens waren of geen mening hebben, n=47). Zij kregen een aantal opties voorgelegd waaruit zij er één konden kiezen. Onderstaande figuren tonen de reacties voor beide groepen afzonderlijk1

Bij beide groepen zijn de twee meest genoemde voorstellen: 

  • Het matchingsmoment van alle signalen verschuiven naar het begin van de maand in plaats van rond de 25e, conform de aanleverkalenders van xxllnc en BKR.
  • Verhuurders toestaan om ook binnen 30 dagen na het ontstaan van een huurachterstand een signaal aan te leveren, mits zij voldoen aan de eisen rondom maatschappelijk verantwoorde incasso.
Passende en wenselijke oplossing voor te late aanlevering huursignalen
Alternatief aanlevermoment huursignalen
Voetnoot

1Omdat de vraagstelling aan beide groepen licht verschilt, hebben we de antwoorden in twee afzonderlijke figuren weergegeven en niet samengevoegd.