Overslaan en naar de inhoud gaan

Kwaliteit van taal in de inburgering

Laatste update: 06 januari 2026

2. Praktijkgericht en duaal leren

2.2 Suggesties voor Programma van Eisen, beoordeling en samenwerking

In het Programma van Eisen, bij de beoordeling van de offertes en tijdens een inkooptraject kunnen gemeenten bijvoorbeeld de volgende vragen gebruiken:

1. Wat is de concrete visie van de aanbieder op taalleren?

Handvatten voor gemeenten: In de visie zou het belang van praktijkgericht leren voor taalverwerving terug moeten komen. Als de gemeente inzet op duaal leren met participatieplekken en samenwerking tussen de uitvoeringspartners, dan zou de aanbieder moeten aangeven hoe de samenwerking eruit gaat zien opdat de taallessen optimaal het leren tijdens de participatieplekken benut en stimuleert.

2. Hoe geeft de aanbieder praktijkgericht leren vorm in de didactiek?

Handvatten voor gemeenten: De docent zou zowel aandacht moeten besteden aan praktijkgericht leren in de klas als praktijkgericht leren buiten de klas. Veel praktijkgerichte lessen geven, maar niet elke les of elke week ook buiten de les leren, is een gemiste kans. Eén keer per maand een excursie met de docent naar een museum of supermarkt is niet genoeg ‘praktijkgericht’. Zie voor specifieke indicatoren voor praktijkgericht leren de kaders in hoofdstuk 2.1. 

Praktijkvoorbeeld: In een gemeente heeft een taalaanbieder praktijkgericht leren geïntegreerd door wekelijks een ‘praktijkdag’ te organiseren. Tijdens deze dag worden inburgeraars begeleid naar alledaagse locaties, zoals een huisarts, de bibliotheek of een gemeentehuis, waar ze opdrachten moeten uitvoeren, zoals het vragen om informatie of het invullen van formulieren. Na de praktijkervaring wordt in de klas besproken welke taalhandelingen ze hebben toegepast, welke uitdagingen ze tegenkwamen, en hoe ze deze situaties in de toekomst kunnen aanpakken. Dit zorgt voor een directe koppeling tussen wat ze in de les leren en het dagelijks gebruik van de taal.

3. Hoe zorgt de aanbieder ervoor  dat de inburgeraar gemotiveerd is en handvatten/ mogelijkheden krijgt om in de praktijk te leren?

Handvatten voor gemeenten: Het onderwijs moet aansluiten bij de communicatie- of leerbehoefte van de inburgeraar: waar heeft hij de taal voor nodig, hoeveel tijd heeft hij, hoeveel taalcontact heeft hij, kan er een taalmaatje geregeld worden? Als inburgeraars zien dat de praktijkopdrachten bij hun wensen aansluiten en hen ook daadwerkelijk helpen de taal te gebruiken, dan zal dat motiveren en bijdragen aan zelfredzaamheid. Wordt de docent hierbij gefaciliteerd, bijvoorbeeld via extra uren, of is er een cursistbegeleider of speciale coördinator die zaken kan regelen? Ook zorgen voor succeservaringen draagt bij aan de motivatie van inburgeraars om zich buiten de les in te spannen. Zie ook hoofdstuk 4 Motivatie en aansluiten op de leerbehoefte.

4. Hoe is de verhouding tussen (volledig) betaalde voorbereidingstijd en (volledig) betaalde lestijd voor de docent?

Handvatten voor gemeenten: Ga er vanuit dat goede lessen en praktijkgericht werken altijd voorbereidingstijd vragen van docenten, zeker als de groepssamenstelling veel differentiatie nodig maakt. Vraag aanbieders dit concreet te motiveren en uit te werken in hun offerte. Neem daarnaast ook de voorbereidingstijd en reiskosten van docenten mee in de kostenberekening, zodat docenten eerlijk worden betaald voor hun inzet, inclusief hun tijd en moeite voor het plannen en begeleiden van praktijkgerichte activiteiten buiten de klas.

5. Hoe houd je rekening met de landelijke ontwikkelingen?

Handvatten voor gemeenten: Bij de inkoop en uitvoering van taal- en participatietrajecten is het van belang dat gemeenten rekening houden met de laatste landelijke ontwikkelingen. Factoren zoals de grootte van de klassen, die mede wordt bepaald door het keurmerk Blik op Werk (BoW), kunnen directe invloed hebben op de kosten, kwaliteit en uitvoering van de trajecten. De handleiding Keurmerk inburgeren 2024 (BoW)bevat specifieke richtlijnen, zoals het maximum aantal inburgeraars per klas, criteria voor praktijkgericht onderwijs, en het aantal online lesuren dat mag meetellen voor de urencriteria die de wet stelt. 

6. Hoe zorgt de aanbieder ervoor dat er afstemming plaatsvindt met de aanbieders van participatieactiviteiten?

Handvatten voor gemeenten: Praktijkgericht en duaal leren vergen afstemming tussen gemeente, taalaanbieder en uitvoerders van de participatieactiviteiten. Zijn er uren begroot voor docenten voor die afstemming? Of is er een speciale coördinator aangesteld die zorgt voor afstemming tussen leren in de klas en leren buiten de klas? Gebruik van een portfolio kan helpen in die afstemming. 

Voor punt 6 geldt dat de meeste taalaanbieders gespecialiseerd zijn in NT2-onderwijs. Sommige aanbieders hebben ervaring met het aanbieden van de combinatie NT2-onderwijs en re-integratie of welzijnswerk. Het kan aantrekkelijk zijn voor gemeenten om het zoeken naar participatieplekken voor het praktijkgerichte en duale leren bij de taalaanbieder neer te leggen die hiermee inmiddel ervaring mee hebben opgedaan. Probeer niet via het Programma van Eisen af te dwingen dat taalaanbieders die rol op zich nemen, verken vooraf bij aanbieders wat zij daarin kunnen betekenen. 

Zorg er vanuit de regiefunctie van de gemeente ook voor dat de samenwerking tussen de partijen vorm krijgt en dat de participatieaanbieder passende begeleiding van inburgeraars biedt en ook ruimte heeft voor afstemming met de aanbieder. De gemeente staat aan het roer om te zorgen dat alle samenwerkingspartners met elkaar samenwerken en om te zorgen voor een samenwerkingsstructuur waarop zij zicht en regie kan houden.

Inhoud