Overslaan en naar de inhoud gaan

Kwaliteit van taal in de inburgering

Laatste update: 06 januari 2026

6. Online taalonderwijs

6.6 Suggesties voor Programma van Eisen, beoordeling en samenwerking

In het Programma van Eisen, bij de beoordeling van de offertes en tijdens het traject kunnen bijvoorbeeld de volgende vragen gebruikt worden:

1. Didactiek:

  • Wat is de visie van de aanbieder op blended learning, waarom en voor wie wordt het ingezet?
  • Hoe is de verhouding tussen online lessen en fysieke bijeenkomsten?
  • Hoe richt de aanbieder online lessen in?
  • Hoe zorgt de aanbieder voor goede begeleiding op afstand?
  • Hoe zorgt de aanbieder ervoor dat cursisten letterlijk in beeld zijn en ook actief zijn tijdens de online lessen?

Handvatten voor gemeenten: Elke week een fysieke les naast online lessen is misschien een goede leidraad - laat de aanbieder goed onderbouwen waarop de keuze voor de verhouding gebaseerd is. Het bieden van online lessen is bijvoorbeeld geen alternatief voor kinderopvang: dat moet in voorkomende gevallen evengoed georganiseerd worden opdat de ouder zich kan concentreren op de les. Valide redenen zijn bijvoorbeeld het beperken van (veel) reistijd of het oplossen van een lokaal of regionaal vervoersknelpunt, mensen die een fysieke handicap hebben om naar fysieke lessen te komen de gelegenheid te bieden om toch lessen te volgen, aanbod dat heel specifiek is en daarom voor een verscheidenheid aan cursisten uit verschillende delen van het land of de regio geschikt is.

De docent moet contact hebben met de cursisten bij blended learning. Interactief werken tijdens de les, met activerende werkvormen en veel ruimte voor het stellen van vragen bijvoorbeeld via een chatfunctie, is belangrijk. Maar goede begeleiding buiten de les om is net zo onmisbaar. Zijn er bijvoorbeeld vaste 1-op-1 contactmomenten om de cursist te coachen in zijn leerproces? Qua didactiek tijdens de online lessen is het belangrijk dat de aanbieder bijvoorbeeld gebruikmaakt van de 10 tips voor leren op afstand (zie hiervoor).
Voor het opbouwen van digitale vaardigheden die nodig zijn voor online leren, kan bijvoorbeeld het 5-stage model van Gilly Salmon benut worden. Zie ook hoofdstuk 5 Digitale vaardigheden.

Inburgeraars die niet gewend zijn met digitale middelen te werken, moeten ondersteund worden om die vaardigheden te ontwikkelen. Ondersteunen kan niet online, hiervoor zijn fysieke bijeenkomsten nodig.

Dit lijkt een verantwoordelijkheid van de gemeenten: meld mensen die geen digitale vaardigheden hebben niet aan voor een online cursus. Bespreek met de aanbieder van blended trajecten hoe deze de mensen zonder digitale vaardigheden die toch beter af zijn in zo’n traject daarin kan ondersteunen.

2. Online materiaal:

  • Gebruikt de aanbieder online oefenmateriaal bij de leergang?
  • Kan het online materiaal maatwerk bieden aan de individuele cursist?
  • Hoe begeleidt de aanbieder cursisten bij het gebruik hiervan?
  • (Hoe) houdt de aanbieder vorderingen van cursisten bij in deze programma’s?

Handvatten voor gemeenten: Aanbieders moeten er aandacht voor hebben dat alle cursisten kunnen werken met de online oefenmaterialen. Goede online lesmaterialen hebben een cursistvolgsysteem waarmee de docent kan volgen wat de cursisten doen. Belangrijk is dat de docent dat regelmatig bekijkt en de resultaten betrekt bij de begeleiding van de cursist.

3. Zelfstandig leren met online materiaal: Hoe stimuleert de aanbieder zelfstandig online leren?

Handvatten voor gemeenten: Hierbij is het belangrijk dat de docenten bekend zijn met het huidige aanbod van websites en apps om extra zelfstandig te oefenen, aanvullend op het in het kader van de lessen gebruikte lesmateriaal.

4. Deskundigheid docenten: Hoe zorgt de aanbieder voor deskundigheid van de docenten?

Handvatten voor gemeenten: Is er deskundigheid bij docenten op het gebied van leren op afstand? Hebben docenten hier bijvoorbeeld een opleidingsmodule over gevolgd?  Is er bij de aanbieder steeds aandacht voor het bijhouden van ontwikkelingen en bijvoorbeeld nieuwe methodes op dit vlak?

5. Voor de aanbieder van taalcoaching:

  • Hoe biedt de aanbieder online taalcoaching aan?
  • Hoe begeleidt de aanbieder de vrijwilligers en deelnemers daarbij?
     

Inhoud