Overslaan en naar de inhoud gaan

Kwaliteit van taal in de inburgering

Laatste update: 06 januari 2026

4. Motivatie en aansluiten op de leerbehoefte

4.1 Bevorderen van motivatie

Zes factoren die motivatie bevorderen

Factoren die motivatie voor taalleren bevorderen zijn:

  1. een relevant, doelgericht taalaanbod
  2. aandacht voor de levenservaring van de inburgeraar
  3. steun van de groep
  4. contact met Nederlandssprekenden
  5. bevorderen van autonomie
  6. geloof in eigen leervermogen.

Deze motiverende factoren worden hierna toegelicht.

  1. Aanbod is relevant als het aansluit bij de behoefte van de inburgeraar. Inburgeraars verschillen van elkaar in allerlei opzichten, zoals in leeftijd, onderwijsverleden, doelen en plannen in Nederland etc. Een goede cursus heeft aandacht voor de verschillen tussen inburgeraars en levert individueel maatwerk. Maatwerk wil zeggen dat cursisten werken aan hun eigen leerdoelen, op hun eigen niveau en in hun eigen tempo.
  2. Daarbij is het belangrijk om te beseffen dat inburgeraars een bepaalde bagage hebben. Ze brengen levenservaring en vaardigheden mee, die tevens hun identiteit (mee-)bepalen. In de taalklas lijkt die ervaring ineens minder belangrijk: veelal staat centraal wat cursisten niet kunnen, namelijk Nederlands. Voor veel inburgeraars is het verlies van identiteit moeilijk, maar het proces is minder pijnlijk als ze zich erkend en gezien voelen, met alles wat ze meebrengen. Dat vergroot dat de motivatie en daarmee de kans op succesvol taalleren. 
  3. Hoewel het belangrijk is dat alle cursisten aan hun eigen doelen kunnen werken, doen ze dat het best in een groep. De relaties en de verbondenheid binnen de groep vormen een belangrijke motiverende factor. Dat geldt ook voor verbondenheid en contact met de mensen voor wie Nederlands de eerste taal is of die al goed Nederlands spreken. Taalcontact is dus essentieel voor motivatie. Zie hierover ook hoofdstuk 3  Taalcoaching.
  4. Volwassenen blijken vooral gemotiveerd te worden (en blijven) als ze invloed hebben op en eigenaar zijn van hun eigen leerproces. Ze hebben behoefte aan autonomie, wat wil zeggen dat zij invloed willen hebben op wat, hoe en wanneer ze leren. Niet alleen maatwerk dus, maar ook ruimte om eigen keuzes te maken. Die ruimte kan al ontstaan door cursisten voorbeelden in te laten brengen van taalproblemen die zij in het dagelijks leven tegenkomen. Bij inburgeraars vloeien leerbehoeften vaak voort uit de rollen en taken die ze moeten vervullen in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld: een inburgeraar heeft een probleem met de verwarming in zijn woning, hij moet de verhuurder bellen. Een inburgeringscursus kan daarbij aansluiten door het gesprek in de taalklas voor te bereiden en ook weer na te bespreken hoe het is gegaan. Inburgeraars leren zo niet alleen de taal die nodig is om als zelfstandig burger te functioneren in de maatschappij, maar ze hebben ook invloed op hun taalcursus: ze leren wat ze willen leren op een moment dat het nodig en relevant is.
  5. Een dergelijke, op maatwerk en autonomie gerichte aanpak, brengt met zich mee dat cursisten zeker een deel van de tijd zelfstandig werken aan individuele leertaken. Dit kan wel eens botsen met de verwachtingen van inburgeraars uit niet-Westerse landen. Veel inburgeraars hebben ervaring met sterk docent-gestuurd onderwijs en moeten wennen aan een andere didactische aanpak. Openheid en culturele sensitiviteit helpen daarbij: het is belangrijk dat docenten uitleggen wat ze doen en waarom ze dat doen. Daarbij kan het beste de regie over het leren geleidelijk van docent naar inburgeraar verschuiven. Het is immers de bedoeling dat inburgeraars ook na afronding van het inburgeringstraject zelfstandig verder kunnen met de ontwikkeling van hun taalvaardigheid. Juist als de inburgering duaal wordt ingericht, zullen inburgeraars merken dat het leren van de taal hen helpt bij het verwerven van een eigen plek in deze maatschappij.
  6. Het proces van zelfstandig leren leren verdient nog extra aandacht als inburgeraars weinig formeel onderwijs hebben gehad in het land van herkomst. Zij zullen moeten wennen aan leren op school en ze moeten vertrouwen opbouwen in hun eigen vermogen tot (taal)leren. Aandacht voor leren leren en veel positieve feedback helpt hierbij, evenals een praktijkgerichte benadering. Zie ook hoofdstuk 2 Praktijkgericht en duaal leren.

Leerroutebepaling: samenwerking gemeente en taalaanbieder(s)

Een goede start is het halve werk. Daarom is het belangrijk dat de gemeente samen met de inburgeraar de verschillende type leerroutes bespreekt en de leerroute kiest die het beste aansluit bij de situatie, competenties en ambities van de inburgeraar. De gemeente kan ervoor kiezen om taalaanbieder(s) hierbij te betrekken. Bijvoorbeeld door hen een adviesrol te geven in de brede intake of door inburgeraars een dag mee te laten lopen in verschillende leerroutes zodat ze een goed beeld hebben hoe het taalonderwijs eruit ziet in de leerroute(s). Tijdens de marktconsultaties kan de gemeente de mogelijkheden voor deze samenwerking verkennen. Houd er als gemeente rekening mee dat dit mogelijk ook financiële consequenties heeft. 

Benieuwd hoe je deze samenwerking als gemeente en taalaanbieder kunt vormgeven? Laat je inspireren door de drie voorbeelden uit de Divosa-uitwisselingssessie over de samenwerking gemeenten en taalaanbieder(s) (februari 2024).

Inhoud