Overslaan en naar de inhoud gaan

Handreiking Studietoeslag

Laatste update:

5 Studietoeslag als aparte inkomensvoorziening, geen (bijzondere) bijstand

5.8 Gehuwden

Voor de bijstand geldt het volgende uitgangspunt: het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft. Dat staat in artikel 11 lid 4 Pw. De studietoeslag is per 1 april 2022 geen vorm van bijstand meer. Het uitgangspunt geldt daarom niet voor de studietoeslag.

Dat betekent dat per individu recht kan bestaan op studietoeslag. De situatie van de partner is daarom niet van invloed op het recht op studietoeslag van de aanvrager. Ook kunnen beide partners recht op studietoeslag hebben. Het feit dat de ene partner al studietoeslag ontvangt, staat dus niet in de weg aan het recht op studietoeslag van de andere partner.

Praktijkvoorbeeld

Joop voldoet zelf aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag. Hij voert een gezamenlijke huishouding met Anastasia, die inkomsten uit arbeid heeft van € 6.000,- per maand.

Het inkomen van Anastasia beperkt het recht op studietoeslag van Joop niet. Joop heeft een individueel recht op studietoeslag en voldoet aan de voorwaarden daarvoor. De situatie van zijn partner is niet van belang voor het recht op studietoeslag.

Voor het recht op studietoeslag per partner zijn ook de volgende argumenten aan te voeren:

  • Artikel 11 lid 4 Pw is niet van toepassing. Dus het uitgangspunt dat gehuwden samen recht hebben geldt niet voor de studietoeslag.
  • Het nieuwe artikel 36b (lid 1, 3, 4 en 5) Pw spreekt over ‘de belanghebbende’. Het maakt geen onderscheid naar leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden). In andere artikelen van de Participatiewet gebeurt dat uitdrukkelijk wel.

In de wettekst en parlementaire geschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor een andere opvatting.

Geen hoofdelijke aansprakelijkheid

Voor terugvordering van de studietoeslag zijn de bepalingen van paragraaf 6.4 uit de Participatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat staat in artikel 36b lid 6 Pw. Zie voor meer informatie hierover hoofdstuk 7.2.

Dat betekent dat artikel 59 lid 4 Pw formeel van overeenkomstige toepassing is. Die bepaling schrijft voor dat alle gezinsleden en de eventuele verzwegen partner hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van kosten van studietoeslag die worden teruggevorderd. Dat geldt ook voor het bepaalde in de artikelen 59 lid 1, 2 en 3 Pw. Die bepalingen schrijven voor dat studietoeslag kan worden teruggevorderd van alle gezinsleden of de verzwegen partner.

Deze bepalingen kunnen echter bij de nieuwe studietoeslag niet worden toegepast. In tegenstelling tot bijstand wordt studietoeslag niet aan het gezin of gehuwden samen verleend, maar alleen aan de aanvrager. De gezinsleden en de (verzwegen) partner zijn geen subject van verlening van studietoeslag.

Dat betekent dan ook dat studietoeslag alleen van de aanvrager kan worden teruggevorderd en niet van de eventuele andere gezinsleden. Die kunnen ook niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de terugbetaling.

Hetzelfde geldt ook voor de betaling van een boete. Zie voor meer informatie over de boete hoofdstuk 7.2. Voor de studietoeslag heeft alleen de belanghebbende zelf een inlichtingenplicht (artikel 36b lid 4 Pw). Die geldt niet voor de partner. Aan de partner kan dan ook geen boete worden opgelegd als belanghebbende de inlichtingenplicht van de studietoeslag niet nakomt. De verplichting tot betaling van de bestuurlijke boete berust niet bij de partner. De partner is ook niet aansprakelijk voor terugbetaling van de studietoeslag. Artikel 18a lid 9 Pw is niet van toepassing bij een boete voor het niet nakomen van de inlichtingenplicht bij de studietoeslag.

Inhoud