Divosa Benchmark Werk & Inkomen • Jaarrapportage 2025
Laatste update: 06 april 2026Samenstelling bijstandsbestand
Studietoeslag
Op 1 april 2022 is de aangepaste studietoeslag in werking getreden. De studietoeslag werd vanaf dit moment een aparte uitkering met landelijke minimumbedragen. Op grond van het nieuwe artikel 36b Pw verstrekt het college studietoeslag aan ‘een student die als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie bij te verdienen, als hij of zij voldoet aan de in artikel 36b Pw genoemde voorwaarden. Een onafhankelijk medisch advies is het uitgangspunt bij de vaststelling van de structurele medische beperking.
Landelijk krijgen 4 op de 1.000 jongeren studietoeslag. In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners krijgen 7 op de 1.000 jongeren studietoeslag.
Er is een aantal factoren dat invloed heeft op het hogere aantal studietoeslag in de grotere gemeenten. De grotere steden hebben vaker meer en grotere onderwijsinstellingen en daardoor meer studenten, waaronder zich de doelgroep voor de studietoeslag bevindt. Verder is het van belang wat gemeenten ondernemen om deze doelgroep te bereiken. Deze studenten zitten namelijk niet in de bijstand. Bekendheid met de studietoeslag bij onderwijsinstellingen en samenwerking tussen gemeenten en onderwijs op dit vlak helpt de bekendheid van de studietoeslag studenten te vergroten.
Inhoud
Divosa Benchmark Werk & Inkomen • Jaarrapportage 2025
Laatste update: 06 april 2026Voorwoord
De afgelopen jaren is het gemeenten gelukt om veel mensen vanuit de bijstand naar werk te begeleiden. De komende jaren zal dit − ondanks de verwachte aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt − meer moeite kosten: de groep die zonder veel hulp aan het werk komt, is grotendeels uitgestroomd; de mensen die verder van de arbeidsmarkt staan, hebben intensievere begeleiding nodig. Daarbij komen ook andere vormen van participatie nadrukkelijk in beeld. Al dan niet als noodzakelijke tussenstap voor de uitstroom naar werk.
De cijfers in deze jaarrapportage onderbouwen wat gemeenten dagelijks ervaren. Steeds vaker zien zij inwoners met complexe problematiek en een stapeling van problemen zoals schulden, mantelzorgtaken, langdurige bestaansonzekerheid en gezondheid. Voor deze mensen is een vacature alleen vaak niet genoeg. Voor hen zijn factoren als een stabiele leefsituatie en passende ondersteuning minstens zo belangrijk.
Loonkostensubsidie en IPS
Voor de begeleiding van deze groep mensen naar werk of participatie hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden; we kunnen immers gebruikmaken van bewezen effectieve instrumenten, zoals loonkostensubsidie en IPS (Individuele Plaatsing en Steun).
Bij loonkostensubsidie wordt de werkgever gecompenseerd voor verminderde productiviteit van een werknemer. IPS, bedoeld om de arbeidsparticipatie van mensen met een psychische kwetsbaarheid te bevorderen, wordt nu vooral toegepast bij mensen in de ggz, maar kan veel breder worden ingezet. Denk bijvoorbeeld aan jongeren met mentale problemen (voortijdige schoolverlaters), een doelgroep die in absolute aantallen nog steeds toeneemt, en die steeds langer in de bijstand verblijft.
‘Penny wise, pound foolish’
Extra inzet op de begeleiding van kwetsbare inwoners naar werk of participatie, vraagt om investeringen – in tijd en geld. Voorgenomen bezuinigingen, zoals onlangs op het participatiebudget van het UWV, staan hier haaks op. Dit is, zoals de Engelsen zeggen, 'penny wise, pound foolish'.
Tijd is schaars. Omdat vacatures binnen gemeenten vanwege de krapte op de arbeidsmarkt moeilijk in te vullen zijn, moeten we ook kijken naar andere manieren om tijd vrij te spelen. Zo moeten we onze werkzaamheden drastisch vereenvoudigen en heeft het de hoogste prioriteit om wet- en regelgeving én onze dienstverlening in sneltreinvaart te versimpelen. Een doorbraak in de manier waarop we met onze digitale gegevens omgaan, is daarbij zeer welkom. Laten we daarom haast maken met de invoering van een model dat gebaseerd is op de succesvolle digitale aanpak van Estland.
Ik wens je veel plezier, wijsheid en inspiratie bij het lezen van de Jaarrapportage 2025 van de Divosa Benchmark Werk & Inkomen.
Victor Everhardt,
voorzitter Divosa
Samenvatting
Hieronder zie je de negen kerncijfers over de uitvoering van de Participatiewet in 2025. Deze lichten we in de jaarrapportage verder toe.
*% mensen in bijstand dat parttime werkt / **% mensen met loonkostensubsidie t.o.v. aantal mensen in de bijstand (november 2025) / De cijfers zijn gemiddelden per jaar.
Inleiding
De Divosa Benchmark, een samenwerking van Divosa, Stimulansz en BMC Onderzoek, bestaat uit de benchmarks Werk & Inkomen, Armoede & Schulden en Statushouders & Inburgering. De benchmarks geven het meest volledige en actuele beeld van de uitvoeringspraktijk en bieden gemeenten de mogelijkheid zich te vergelijken met andere gemeenten.
In de Divosa Benchmarks besteden we uitgebreid aandacht aan benchlearning en de verhalen achter de cijfers. Individuele gesprekken en bijeenkomsten op regionaal en landelijk niveau bieden de ruimte voor inspiratie, duiding en analyse, en deelnemers kunnen praktijkvoorbeelden uitwisselen. Zo ondersteunt de Divosa Benchmark gemeenten bij het proces van leren en verbeteren.
Ontwikkeling
In deze jaarrapportage van de Divosa Benchmark Werk & Inkomen hebben we een selectie gemaakt van een aantal basisgegevens die de uitvoering van de Participatiewet in beeld brengen. Deze zijn ook voor niet-benchmarkdeelnemers interessant. We presenteren de cijfers op landelijk niveau en naar gemeentegrootteklasse.
Om ontwikkelingen over de jaren heen in beeld te brengen, hebben we (waar mogelijk) data toegevoegd uit eerdere jaarrapportages van de Divosa Benchmark Werk & Inkomen.
Representatief
Aan de Divosa Benchmark Werk & Inkomen nemen 250 gemeenten deel. In deze rapportage zijn de cijfers van 243 gemeenten meegenomen.
De cijfers representeren 85 procent van de bijstandspopulatie. Daarmee is de benchmark representatief.
Kijk voor meer informatie over de Divosa Benchmark op divosabenchmark.nl.
Module klantbeleving
De Divosa Benchmark Werk & Inkomen biedt gemeenten al jaren inzicht in de harde cijfers over hun dienstverlening binnen Werk en Inkomen. De module Klantbeleving, die in 2025 ontwikkeld is, voegt hier een belangrijk perspectief aan toe: dat van de bijstandsgerechtigden zelf. Deze module onderzoekt hoe zij de dienstverlening ervaren. Zo wordt bijvoorbeeld gevraagd hoe zij het aanvraagproces beoordelen, of het verrekenen van inkomsten uit werk goed verloopt en hoe zij het effect van de geboden ondersteuning inschatten.
Inzicht in dienstverlening
De module bestaat uit een jaarlijks kwantitatief klantbelevingsonderzoek onder bijstandsgerechtigden. Gemeenten krijgen daarmee inzicht in hoe hun dienstverlening wordt ervaren. Bovendien kunnen zij hun resultaten vergelijken met die van andere gemeenten.
De benchmarkorganisatie verzorgt vrijwel het volledige onderzoeksproces en levert overzichtelijke rapportages waarin de resultaten worden gekoppeld aan andere indicatoren uit de Benchmark Werk & Inkomen. Dit geeft gemeenten een beeld vanuit het perspectief van de doelgroep en biedt aanknopingspunten voor gerichte verbeteringen van hun dienstverlening.
Participatiewet in Balans
Met het oog op de invoering van de Participatiewet in Balans in 2026 – waarin betere dienstverlening, vertrouwen en de menselijke maat centraal staan – helpt de module gemeenten om te beoordelen of zij deze doelen daadwerkelijk bereiken. Door systematisch te luisteren naar de ervaringen van bijstandsgerechtigden krijgen gemeenten beter inzicht in de effecten van hun beleid en uitvoering.
Ontwikkelingen in 2025
Participatiewet in Balans
In 2025 is een belangrijke stap gezet in de herziening van de Participatiewet. Op 22 april 2025 nam de Tweede Kamer het wetsvoorstel aan voor de Participatiewet in Balans. Deze herziening van de wet moet het stelsel meer passend bij de doelgroep, eenvoudiger en mensgericht maken. Het kabinet wil met deze wijziging nog altijd nadruk leggen op de ondersteuning van mensen naar werk en daarbij, wanneer werken (nog) niet haalbaar is, meer ruimte bieden voor andere vormen van maatschappelijke participatie naast een toereikend inkomensvangnet.
Meer ruimte
Gemeenten krijgen met de Participatiewet in Balans meer ruimte om naar de persoonlijke situatie van mensen te kijken, en vertrouwen en ‘menselijke maat’ staan centraal in de uitvoering. De herziening is bedoeld om bestaande knelpunten in de Participatiewet aan te pakken en de balans tussen ondersteuning en verplichtingen te verbeteren.
De Eerste Kamer stemde op 30 september 2025 in met het voorstel. Daarmee is het parlementaire traject afgerond en zijn de voorbereidingen voor invoering gestart. Deze ontwikkelingen markeren een beleidsverschuiving richting meer flexibiliteit, eenvoud en maatwerk in de uitvoering van de Participatiewet, met als doel dat meer mensen kansen krijgen om mee te doen in de samenleving.
Sporen
De veranderingen die volgen uit de wetswijziging worden gefaseerd ingevoerd in 2026 en 2027. Voor enkele van de maatregelen die in 2027 in werking treden, geldt 2026 al als gedoogjaar. Dit is spoor 1 binnen het bredere programma Participatiewet in Balans.
Spoor 2 is een grote stelselwijziging, een langetermijnhervorming van het hele bijstandssysteem, een nieuw ontwerp voor inkomensondersteuning en participatie in Nederland.
Spoor 3 draait om vakmanschap en cultuurverandering in de uitvoering. Naast nieuwe regels en een aangepast stelsel gaat het ook over een andere manier van werken: meer vertrouwen, meer maatwerk en meer aandacht voor de menselijke maat. Professionals krijgen hierin een sleutelrol, waarbij hun deskundigheid en handelingsruimte centraal staan.
Doelgroep
Gemeenten zien binnen de doelgroepen van de Participatiewet steeds minder mensen met een korte en overzichtelijke route naar werk. Het aantal bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt stijgt, vaak door een combinatie van problemen zoals schulden, mantelzorgtaken, langdurige bestaansonzekerheid of gezondheidsproblemen. De stijging van het aandeel mensen met een grotere ondersteuningsbehoefte kan voor een groot deel verklaard worden door de toename van het aantal mensen met een arbeidsbeperking (mensen die voor 2015 instroomden in de WSW en Wajong).
Ontwikkelingen arbeidsmarkt
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt spelen ook een rol. De aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren heeft ervoor gezorgd dat veel mensen met een relatief kleine afstand tot werk zijn uitgestroomd uit de bijstand. Ook daardoor is de samenstelling van de doelgroep van de Participatiewet veranderd. De groep die overblijft bestaat voor een groeiend deel uit mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend of direct haalbaar is. Het gaat om inwoners met meervoudige problematiek, beperkte belastbaarheid of structurele belemmeringen richting de arbeidsmarkt. Voor deze groep is de krappe arbeidsmarkt minder doorslaggevend dan factoren als gezondheid, stabiliteit en passende ondersteuning.
Deze verschuiving betekent dat de Participatiewet in de praktijk steeds minder alleen draait om snelle uitstroom naar betaald werk. Dit is voor gemeenten niet nieuw: gemeenten ervaren dit al een aantal jaar in de praktijk. Voor een toenemend deel van de doelgroep ligt de nadruk op stabiliteit, ondersteuning en maatschappelijke participatie. Werk blijft een belangrijk perspectief, maar is niet voor iedereen (op korte termijn) haalbaar.
Voor gemeenten vraagt dit om een andere benadering en verschuiving in de dienstverlening: meer maatwerk, langere ondersteuningstrajecten en aandacht voor de brede leefsituatie van inwoners. Deze ontwikkeling onderstreept het belang van een mensgerichte uitvoering, waarin realistische doelen en duurzame participatie centraal staan.
"Veel gemeenten kiezen nadrukkelijk voor een persoonlijke aanpak met ondersteuning op maat, afgestemd op de unieke situatie, behoeftes, wensen en capaciteiten van de inwoner. Deze aanpak omvat doorgaans brede intakegesprekken, individuele ontwikkelplannen en langdurige begeleiding.
Uit de interviews komt naar voren dat gemeenten hierin een verschuiving hebben doorgemaakt, waarbij maatwerk nadrukkelijker wordt omarmd door beleidsmakers en vertaald wordt naar de uitvoeringspraktijk.
Hoewel gemeenten nog altijd gebruik maken van standaardtrajecten, erkennen gemeenten ook dat deze trajecten niet altijd aansluiten bij de diversiteit van hun bijstandsbestand en dat een aanvulling op hun aanbod nodig kan zijn om in de re-integratiedienstverlening beter aan te sluiten bij doelgroepen." (1)
Jongeren
Binnen de doelgroep van de Participatiewet valt op dat jongeren, in vergelijking met voorheen, een groter (en veranderend) deel van het bijstandsbestand vormen. Volgens de analyse Jongeren in de bijstand van de Divosa Benchmark Werk & Inkomen (juni 2025) is het aandeel jongeren in de bijstand de afgelopen jaren licht gestegen en blijven jongeren gemiddeld langer in de bijstand .
Dit gaat samen met een toename van inzet van instrumenten zoals loonkostensubsidie en studietoeslag, wat erop wijst dat steeds meer jongeren een afstand tot de arbeidsmarkt hebben en ondersteuning nodig hebben.
Gemeenten signaleren dat deze jongeren vaker kampen met complexe problematiek op meerdere leefgebieden, wat begeleiding intensiever en langduriger maakt.
Voetnoot
- Re‑integratiedienstverlening door gemeenten (Significant APE, november 2025 )
Volumeontwikkeling bijstand
- De algemene bijstand stijgt in 2025 met 1%
- De helft van de gemeenten ziet het bestand stijgen
Bijstandsbestand stijgt licht
In 2025 stijgt het bijstandsbestand met 0,3%. In middelgrote gemeenten (50.000 tot 100.000 inwoners) blijft het bestand gelijk. In grotere steden stijgt het bestand licht met 0,4% en in kleinere gemeenten met 0,5%. Als we alleen naar de algemene bijstand kijken (dus zonder IOAZ, IOAW en Bbz), dan zien we landelijk een stijging van 1,0%.
Inmiddels is het elf jaar geleden dat de Participatiewet in werking is getreden. In deze periode is er sprake geweest van een verandering van de samenstelling van het bijstandsbestand. Daarnaast zien we dit jaar dat er weer een stijging is in het aantal personen dat een bijstandsuitkering ontvangt. Het is echter belangrijk om dit in het perspectief te plaatsen van zowel de bevolkingsontwikkeling als de arbeidsmarktontwikkelingen.
Allereerst is de bevolking tussen de achttien jaar en de AOW-leeftijd, die in theorie een beroep op de bijstand kan doen, gegroeid. Dat komt door de algemene bevolkingsgroei en de verhoging van de AOW-leeftijd. Bij een gelijkblijvende behoefte aan ondersteuning zou het aantal mensen in de bijstand dus ook groeien.
Kijken we naar het aantal bijstandsgerechtigden als percentage van de volwassenen onder de AOW-leeftijd, dan zien we juist een kleine daling. Dit kan in samenhang gezien worden met de dalende werkloosheidscijfers in de afgelopen tien jaar.
De helft van gemeenten ziet bijstandsbestand stijgen
In 2025 ziet 52,6% van de gemeenten het bijstandsbestand stijgen. Het bijstandsbestand stijgt wanneer de instroom hoger is dan de uitstroom. In sommige gevallen is er sprake van een lage uitstroom bij gemeenten waardoor het bijstandsbestand stijgt. In andere gevallen is een stijgend bestand sterker toe te wijzen aan een stijgende instroom.
Voor de grote gemeenten geldt dat 33,3% van de gemeenten een stijging van hun bestand ziet in 2025. In 46,7% van de kleinere gemeenten stijgt het bestand.
Voor kleinere gemeenten geldt dat er sneller sprake is van een relatief grote stijging of daling. Doordat het totaal absolute aantal bijstandsgerechtigden binnen deze gemeenten relatief laag is, hebben fluctuaties zwaardere gevolgen. Toeval kan hier dus vaker een factor zijn.
In 44,4% van de gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners stijgt het bestand.
"Eind december 2025 ontvingen 410 duizend mensen tot de AOW-leeftijd een algemene bijstandsuitkering. Dit zijn er 4,3 duizend meer dan een jaar eerder, een stijging van 1,1 procent. Het aantal mensen met een bijstandsuitkering is hoger onder mannen en vrouwen en in alle leeftijdscategorieën. Dit blijkt uit nieuwe voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Het vierde kwartaal van 2025 is het tiende kwartaal op rij waarin er meer mensen bijstand ontvingen dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Het aantal mensen met bijstand is lager dan het tienjarig gemiddelde van 424,6 duizend." (1)
Voetnoot
- Verschillen in percentages tussen de Divosa Benchmark en het CBS kunnen verklaard worden doordat alle gemeenten data aanleveren aan het CBS. In deze jaarrapportage zijn 243 gemeenten vertegenwoordigd.
In- en uitstroom in de bijstand
- Instroom stabiliseert
- Uitstroom stijgt opnieuw
- Snelle uitstroom (binnen 1 jaar) daalt
- Relatieve uitstroom naar werk daalt opnieuw
- Herinstroom stabiliseert
Instroom stabiliseert
In 2025 is het instroompercentage in de bijstand 25,2%. Daarmee is het nagenoeg gestabiliseerd ten opzichte van 2024. In 2023 en 2024 zagen we een stijging van het bijstandsbestand. In 2024 was het instroompercentage 25,3% en in 2023 24,1%. In 2022 lag het instroompercentage nog op 22%. Dit was het laagste instroompercentage sinds 2013.
In gemeenten met minder dan 50.000 inwoners is het instroompercentage hoger, namelijk 28%, maar wel iets afgenomen ten opzichte van 2024. In gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners is het instroompercentage nagenoeg gelijk aan het landelijk gemiddelde. In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners is de instroom lager dan het landelijk gemiddelde, namelijk 24,2%. Het instroompercentage stabiliseert dus ten opzichte van 2024 en laat voor gemeenten met minder dan 50.000 inwoners een lichte daling zien.
Het instroompercentage geeft een beeld van hoeveel nieuwe bijstandsuitkeringen gemeenten in een jaar toekennen. Het instroompercentage is het aandeel nieuw toegekende bijstandsuitkeringen in 2025 ten opzichte van het totale bestand van eind 2024. Zaten er eind 2024 bijvoorbeeld 1.000 mensen in de bijstand, dan zouden er bij een instroompercentage van 25,2% in 2024 dus 252 nieuwe mensen zijn ingestroomd.
Uitstroom stijgt opnieuw
In 2025 stijgt de uitstroom naar 24,4%. In 2024 lag het uitstroompercentage op 23,8% en in 2023 op 23,4%. De stijgende trend in de uitstroom zet door. In de jaren 2022 en 2023 zagen we juist een daling in de uitstroom. In 2022 zagen we een daling van 3% in de uitstroom en in 2023 een daling van 2,6%.
Net als bij de instroom, is het uitstroompercentage in gemeenten met minder dan 50.000 inwoners het hoogst, namelijk 27%. Een eerdere analyse uit de publicatie In-, uit- en herinstroom bijstand 2016 - 2021, laat zien dat een hogere instroom vaak gepaard gaat met een hogere uitstroom.
Het uitstroompercentage geeft een beeld van hoeveel bijstandsuitkeringen gemeenten in een jaar beëindigen. Het uitstroompercentage is het aandeel beëindigde bijstandsuitkeringen in 2025 ten opzichte van het totale bijstandsbestand van eind 2024.
Instroom versus uitstroom
De uitstroom kan het beste bekeken worden in samenhang met de instroom. In 2025 zien we een stabilisatie van het instroompercentage en een stijging van het uitstroompercentage. Echter, het instroompercentage is 0,8 punt hoger dan het uitstroompercentage. Dit geeft aan dat het bestand bijstandsgerechtigden stijgt.(1)
Voetnoot
- Dit is een ander percentage dan bij de volume index ontwikkeling van het bestand wordt genoemd. Dit verschil komt doordat bij de bepaling van de uitstroom gegevens van een opvolgende periode worden gebruikt. Hierdoor kan er op jaarbasis een klein verschil ontstaan tussen de volume index december en de resultante van in- en uitstroom.
Snelle uitstroom daalt
Een groot deel van de mensen die uit een uitkering stromen, heeft relatief kort die uitkering gehad. Het kan hier gaan om alle soorten uitstroomredenen: van ‘pensioen’ en ‘verhuizing’ tot ‘werk’.
In 2025 heeft 43,3% van de beëindigde uitkeringen één jaar of korter geduurd. In 2024 stroomde 44% van de mensen binnen een jaar uit. 25,6% van de mensen die uitstromen had een uitkering die tussen de 1 en 3 jaar duurde en 31% heeft meer dan 3 jaar een uitkering gehad.
De uitstroom naar verblijfsduur hangt samen met de samenstelling van het bijstandsbestand. Naarmate iemand langer in de uitkering verblijft, wordt de kans op uitstroom steeds lager. En juist het aandeel bijstandsgerechtigden dat langdurig in de bijstand zit, is sinds 2015 steeds verder toegenomen.
Ook is het bij het duiden van de verblijfsduur in relatie tot de uitstroom zinvol om naar de instroom te kijken. In de jaren met een hogere instroom, zoals 2015, 2016 en 2020, is ook een relatief groot aandeel van de uitstroom binnen een jaar terug te zien.
Het uitstroompercentage naar werk (7,9%) relatief laag
In 2025 is de totale uitstroom naar werk over het hele jaar, afgezet tegen het gemiddelde volume algemene bijstand, net als in 2024 7,9%. In de jaren daarvoor is dit percentage flink gedaald van 11,5% in 2021 naar 10% in 2022 en 8,3% in 2023. Dit past bij de ervaringen van gemeenten dat een steeds kleiner deel van de doelgroep snel naar werk is te begeleiden.
We zien dat het percentage uitstroom naar werk met 8,3% wat hoger is in gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. In gemeenten met 50.000-100.000 inwoners is het lager (7,2%) en in gemeenten met minder dan 50.000 inwoners eveneens lager met 7,6%.
Uitstroom naar werk, afgezet tegen de totale uitstroom, daalt opnieuw tot 34%
Er zijn verschillende redenen waarom een bijstandsuitkering beëindigd kan worden. In de benchmark laten we ook de verdeling naar uitstroomreden van de totale populatie uitstromers zien. Het gaat om een verhoudingsgewijze verdeling.
De meest voorkomende reden is dat iemand aan het werk gaat en zodoende meer inkomsten heeft dan de bijstandsnorm. In 2025 is 34% uitstroom naar werk. Dit is opnieuw een daling ten opzichte van voorgaande jaren; we zien een dalende trend. In 2021 lag de uitstroom naar werk op 41% ten opzichte van de totale uitstroom. In de jaren erna neemt de uitstroom naar werk steeds met 1%-punt af.
"We hebben altijd veel gedaan aan re-integratie en begeleiding naar werk en participatie en zijn daarmee jarenlang behoorlijk succesvol geweest. Dat is inmiddels een stuk moeilijker geworden. De doelgroep kent inmiddels ook veel meer complexe problematiek en uitdagingen."(1)
Sinds 2015 is de verdeling naar uitstroomredenen verder redelijk constant. Wel zien we sinds 2020 een lager percentage uitstroom vanwege handhaving. In de periode 2020 tot 2023 was dit percentage 8%. In de jaren voor 2020 lag dit percentage rond de 10%. In 2025 stroomt net als in 2024 7% van de mensen uit door handhaving. Verder zien we in 2025 met 7% een hoger percentage uitstroom vanwege andere inkomsten. In 2018 was dit 5%.(2)
Ook een groot aandeel van de bijstandsgerechtigden (33%) stroomt uit vanwege verloop. Hieronder vallen: bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, detentie, verhuizen naar een andere gemeente, verhuizing naar het buitenland en het aangaan van een relatie met een partner met voldoende inkomsten.
"Een aanname achter de wet is dat (vrijwel) iedereen in de Participatiewet bemiddelbaar is naar betaald werk. Dit blijkt echter in de praktijk volgens gemeenten en bijstandsgerechtigden voor een deel van de groep niet realistisch, zo liet de evaluatie van de Participatiewet zien (Van Echtelt et al. 2019; zie bv. ook NLA 2022; SZW 2022).
Zo kan van de circa 400.000 bijstandsgerechtigden naar schatting ruim een derde nu nog niet betaald werken, maar op termijn wel, en nog eens een derde kan ook in de toekomst geen betaald werk verrichten, vaak vanwege gezondheidsproblemen (NLA 2022, zie ook Cuelenaere et al. 2019)."(3)
Voetnoten
- Citaat uit een Benchmarkgesprek in 2025.
- Hierbij gaat het om bijvoorbeeld uitkering werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, alimentatie, vermogensopbrengsten en ander inkomen.
- Vertrouwen in de bijstand: een kwalitatieve studie naar de ondersteuning aan bijstandsgerechtigden die (nog) niet betaald kunnen werken (SCP, november 2024)
Herinstroom stabiliseert
In 2025 bestaat 7,4% van de instroom uit mensen die zijn uitgestroomd uit de bijstand en binnen een half jaar opnieuw zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. Na een jaar is de herinstroom in de bijstand 12,9%. In de jaren voor 2023 was de herinstroom hoger. Zo stroomde in 2022 16,7% binnen een jaar weer in de bijstand. In 2023 zagen we een daling van 3,1% van de herinstroom en in 2024 van 1,1%.
Hier ligt waarschijnlijk een relatie met het uitstroompercentage. Bij lage uitstroom zal de nieuwe instroom ook in mindere mate uit herinstroom bestaan dan bij een hoge uitstroom.
In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners is de herinstroom hoger dan het gemiddelde; 7,9% stroomt daar na een half jaar weer in en 14,2% na een jaar.
Samenstelling bijstandsbestand
- Aantal jongeren in de bijstand stijgt
- Aandeel langdurig in de bijstand daalt waarschijnlijk door bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
Aantal jongeren in de bijstand stijgt
Eind 2025 is 55% van de bijstandsgerechtigden 45-plusser (dit is een optelsom van de laatste drie leeftijdscategorieën). In die groep vallen ook de 65-plussers die door het verschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd langer op bijstand aangewezen zijn. Inmiddels maken zij 5% van het bestand uit. Ten opzichte van vorig jaar is deze leeftijdscategorie gelijk gebleven.
Hoewel het aandeel jongeren van 18 tot 27 jaar in 2025 procentueel gelijk (11%) is gebleven ten opzichte van het totale bestand, is het aantal jongeren in de bijstand in absolute aantallen toegenomen. Jongeren maken in 2025 net als in 2024 11% uit van het bijstandsbestand. In 2025 waren dit 41.657 jongeren, in 2024 nog 40.145. In de jaren 2018-2023 schommelde het percentage aandeel jongeren ten opzichte van het totale bestand tussen de 9 en 10%.
"In het vierde kwartaal van 2025 was het aantal mensen met algemene bijstand in alle leeftijdscategorieën hoger dan een jaar eerder. De toename is met 3,7 procent het sterkst onder jongeren tot 27 jaar (42 duizend mensen bijstand). Dit is het twaalfde kwartaal op rij dat het aantal jongeren in de bijstand stijgt. Eind 2023 was deze stijging met 9,2 procent het sterkst, daarna nam de stijging af.
Onder 27- tot 45-jarigen neemt het aantal mensen met bijstand toe met 1,4 procent tot 139 duizend. Onder mensen tussen de 45 jaar en de AOW-leeftijd stijgt dit met 0,4 procent tot 229 duizend." (1)
45-plussers zijn oververtegenwoordigd in de bijstand in vergelijking tot de Nederlandse bevolking van 18 tot en met 67 jaar. 55% van het bijstandsbestand is ouder dan 45, tegenover 46% van de bevolking van 45 tot en met 68 jaar. Jongeren tot 27 jaar zitten juist relatief weinig in de bijstand; zij maken 11% van het aantal bijstandsgerechtigden uit, tegenover 18% van de bevolking van 18 tot en met 68 jaar.(2)
De hierboven geconstateerde ondervertegenwoordiging van jongeren in de bijstand hangt ook samen met het feit dat de meting ziet op de leeftijdsverdeling binnen de bijstandsgerechtigden op een specifiek peilmoment. Overall maakt een grotere groep jongeren onder 27 jaar binnen een kalenderjaar (veelal kortstondig) gebruik van de bijstand.
Uit een recent onderzoek van Significant-APE naar de re-integratie dienstverlening van gemeenten blijkt dat voor jongeren substantieel vaker re-integratie in enge zin (naar werk) wordt ingezet dan voor andere leeftijdscategorieën. Het gaat dan vooral om loonkostensubsidie, jobcoaching en beschut werk. Een deel van de jongeren stroomt dus op deze wijze wel uit de uitkering, maar behoudt ondersteuning en voorzieningen (zoals loonkostensubsidie) die zij nodig hebben.
"Voor jongeren wordt substantieel vaker re-integratie in enge zin ingezet dan voor de andere leeftijdscategorieën. Dit geldt zowel in absolute als in relatieve zin. Dit valt te zien aan de veel grotere aantallen financiële compensatievoorzieningen (zoals loonkostensubsidie) en ook de grote hoeveelheid werkplekken onder de groep 15 tot 27-jarigen. Deze werkplekken betreffen met name beschut werkplaatsen. (…) Ook jobcoaching (ondersteuning op de werkplek) werd onder jongeren veel vaker ingezet dan onder andere groepen.
Het aantal jongeren tot 27 jaar met een SRG-voorziening was in 2024 ongeveer net zo groot als het aantal personen in die leeftijd met een bijstandsuitkering. Dat wil overigens niet zeggen dat iedereen van die leeftijdsgroep een voorziening krijgt. Immers worden beschut werk en loonkostensubsidie vaak ingezet voor mensen die (mede hierdoor) geen recht (meer) hebben op een bijstandsuitkering."(3)
Uit de rapportage In, uit- en herinstroom 2016 - medio 2021 bleek ook dat juist de jongeren relatief het vaakst van alle leeftijdscategorieën in- en ook weer uitstromen uit de bijstand. Bij de door het CBS geconstateerde stijgende bijstandsafhankelijkheid van jongeren, gaat het veelal ook om deze kortstondige bijstandsafhankelijkheid.
De stijging kan daarbij wellicht ook deels worden verklaard uit het feit dat gemeenten, vooruitlopend op de Participatiewet in Balans, in 2025 al afweken van de 4-weken zoekperiode voor de doelgroep kwetsbare jongeren. Dit is een wijziging die officieel per 1 januari 2026 in werking is getreden.
Wat duidelijk blijkt in de gemeentelijke praktijk is dat een deel van de jongeren die instromen in de bijstand, te maken heeft met complexe problematiek. Gemeenten richten vaak specifieke dienstverlening in voor deze doelgroep.(4)
"De hulpverlening voor en aan jongeren zit helemaal vast. Veel jongeren staan op een ggd-wachtlijst. De jongerenbegeleiders willen graag vanuit mogelijkheden werken, maar komen nu zoveel belemmeringen tegen dat er weinig mogelijkheden voor trajecten zijn. Best frustrerend. Tegenwoordig hebben veel jongeren die zich melden, forse problematiek." (5)
Voetnoten
- Verschillen in percentages tussen de Divosa Benchmark en het CBS kunnen verklaard worden doordat alle gemeenten data aanleveren aan CBS. In deze jaarrapportage zijn 243 gemeenten vertegenwoordigd.
- Prognose bevolking; geslacht en leeftijd, 2025‑2070 (CBS, december 2024)
- Re‑integratiedienstverlening door gemeenten (Significant APE, november 2025)
- Citaat uit een Benchmarkgesprek in 2025.
- Doorstroom WW naar bijstand: de Divosa Benchmark maakt trends en effecten van beleid zichtbaar (Divosa Benchmark, maart 2026)
Studietoeslag
Op 1 april 2022 is de aangepaste studietoeslag in werking getreden. De studietoeslag werd vanaf dit moment een aparte uitkering met landelijke minimumbedragen. Op grond van het nieuwe artikel 36b Pw verstrekt het college studietoeslag aan ‘een student die als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie bij te verdienen, als hij of zij voldoet aan de in artikel 36b Pw genoemde voorwaarden. Een onafhankelijk medisch advies is het uitgangspunt bij de vaststelling van de structurele medische beperking.
Landelijk krijgen 4 op de 1.000 jongeren studietoeslag. In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners krijgen 7 op de 1.000 jongeren studietoeslag.
Er is een aantal factoren dat invloed heeft op het hogere aantal studietoeslag in de grotere gemeenten. De grotere steden hebben vaker meer en grotere onderwijsinstellingen en daardoor meer studenten, waaronder zich de doelgroep voor de studietoeslag bevindt. Verder is het van belang wat gemeenten ondernemen om deze doelgroep te bereiken. Deze studenten zitten namelijk niet in de bijstand. Bekendheid met de studietoeslag bij onderwijsinstellingen en samenwerking tussen gemeenten en onderwijs op dit vlak helpt de bekendheid van de studietoeslag studenten te vergroten.
Nog steeds meer dan de helft van de bijstandsgerechtigden langdurig in de bijstand
59,2% van de mensen met een bijstandsuitkering heeft die uitkering eind 2024 langer dan drie jaar. Ten opzichte van 2024 is het aandeel mensen dat langdurig een uitkering ontvangt, met 0,8 procentpunt afgenomen. Dit kan samenhangen met de toegenomen instroom de afgelopen twee jaar en/of uitstroom richting AOW van mensen die langdurig een bijstandsuitkering hebben ontvangen.
In absolute aantallen is de grootste toename bij de groep bijstandsgerechtigden met een verblijfsduur tussen de één en twee jaar. In 2013 gold deze lange verblijfsduur nog voor 44% van de bijstandsgerechtigden.
Bij de groep bijstandsgerechtigden die langer dan vijf jaar een algemene bijstandsuitkering ontvangt, is er nauwelijks een daling te zien in absolute aantallen. Deze groep is, ondanks de daling van het totaal mensen in de bijstand, sinds 2015 blijven toenemen. (1) Naarmate mensen langer een bijstandsuitkering ontvangen, zien we minder uitstroom.
De gemiddelde verblijfsduur (2) in de uitkering van alle bijstandsgerechtigden, is eind 2025 ruim zes jaar (82,4 maanden). Dit is vergelijkbaar met 2024. In augustus 2016 lag de gemiddelde verblijfsduur nog op 52 maanden (vier jaar en vier maanden).
Vanaf september 2016 is de gemiddelde verblijfsduur stapsgewijs opgelopen. Dit illustreert dat vooral de mensen die korter in de bijstand zitten in staat zijn om weer uit te stromen. De gemiddelde verblijfsduur kan per gemeente flink verschillen. De kortste gemiddelde verblijfsduur van het bijstandsbestand in een gemeente is 46 maanden. De langste 111 maanden (ruim 9 jaar).
"Veel gemeenten geven aan dat zij in hun beleid meer dan voorheen aandacht geven aan inwoners die niet in staat zijn om op korte termijn de stap naar betaald werk te zetten. Deze verbreding in beleidsfocus van gemeenten komt vooral voort uit veranderingen die zij opmerken in de samenstelling van hun bijstandsbestand en de verwachte inwerkingtreding van de Participatiewet in Balans. Waar voorheen nog een aanzienlijk deel van de bijstandsontvangers snel naar werk toe te leiden was, ervaren gemeenten dat dit aandeel de afgelopen periode is geslonken, als gevolg van economische ontwikkelingen.
Een veelgehoorde opmerking is: de mensen die kunnen en willen werken, werken al. Verhoudingsgewijs bestaat hun bijstandsbestand nu meer uit inwoners met complexere problematiek, waarvoor vaak intensievere en langdurige hulp nodig is om hen mee te laten doen. Een van de redenen hiervoor is dat steeds meer mensen met een arbeidsbeperking onder de verantwoordelijkheid van gemeenten horen." (3)
"Het verruimen van de focus van de Participatiewet van betaald werk naar een breder perspectief op meedoen in de samenleving, zorgt inderdaad voor meer waardering voor belangrijke vormen van maatschappelijke participatie, zoals vrijwilligerswerk en mantelzorg. Het rapport 'Vertrouwen in de bijstand' geeft inzicht in stappen die nog te zetten zijn.
Pure inzet op verbondenheid en activering lijkt in de uitvoering nog lastig. Vanuit het gemeenschappelijk belang lijkt die uitkomst minder gewaardeerd dan maatschappelijke participatie of betaald werk. Maar uiteindelijk is het feit dat het met iemand persoonlijk goed gaat, ook goed voor de samenleving." (4)
Voetnoten
- Personen met bijstand;duur van de lopende uitkeringssituatie (CBS, februari 2026)
- Gewogen gemiddelde - eerdere jaren is hier een gemiddelde vermeld.
- Re-integratiedienstverlening door gemeenten(Significant APE, november 2025)
- Vertrouwen in de bijstand: een kwalitatieve studie naar de ondersteuning aan bijstandsgerechtigden die (nog) niet betaald kunnen werken (SCP, november 2024)
Ontheffingen van de arbeidsplicht
- Percentage ontheffingen daalt in grote gemeenten
- Vooral ontheffingen om ‘dringende redenen’
Percentage ontheffingen daalt in grote gemeenten
Voor 8,9% van de personen met een bijstandsuitkering registreren gemeenten eind 2025 een ontheffing van de arbeidsplicht. Mensen met een ontheffing zijn vrijgesteld van de plicht om werk te zoeken, werk te aanvaarden en werk te behouden. In de jaren 2020 tot 2024 lag het percentage personen met een ontheffing op 10%. Het landelijke percentage is dus in 2025 gedaald.
In gemeenten met minder dan 50.000 inwoners en gemeenten tussen de 50.000 en 100.000 ligt het percentage ontheffingen hoger (15,5% en 13,2%). In gemeenten in deze grootteklassen is het percentage ontheffingen ook nagenoeg gelijk gebleven. In grote gemeenten ligt het percentage ontheffingen lager en is het gedaald van 6,7% in 2024 naar 5,3% in 2025.
Hoewel het landelijk percentage ontheffingen daalt in grote gemeenten, blijkt uit de data van deze benchmark dat 59% van de gemeenten meer dan 10% van het bijstandsbestand heeft ontheven. Daarnaast zijn er ook gemeenten die geen ontheffingen van de arbeidsplicht registreren. Het is dus waarschijnlijk dat een groter aandeel van het bijstandsbestand in de praktijk, al dan niet door de inzet van beperkte re-integratiemiddelen, niet ervaart te worden gehouden aan de arbeidsplicht. Dit sluit ook aan bij de inzichten uit het onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie. (1)
Voetnoot
- Spiegel Bestaanszekerheid 2022 (Nederlandse Arbeidsinspectie, februari 2023)
Vooral ontheffingen om 'dringende redenen'
Van de mensen die eind 2025 een ontheffing hadden, had een overgrote meerderheid (81,8%) deze vanwege een 'dringende reden'. Het gaat hier om mensen die tijdelijk niet kunnen werken, bijvoorbeeld vanwege persoonlijke omstandigheden zoals mantelzorg of ziekte. 15,4% van de ontheffingen is voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, 2,8% voor alleenstaande ouders met een kind onder de 5 jaar.
In de afgelopen jaren zagen we een vergelijkbaar beeld. Wel is het percentage bijstandsgerechtigden met een ontheffing vanwege arbeidsongeschiktheid ten opzichte van de periode 2022 tot 2024 afgenomen. In deze jaren lag het percentage ontheffingen vanwege arbeidsongeschiktheid op 17%.
Inkomsten uit werk
- Percentage bijstandsgerechtigden met inkomsten uit parttime werk stabiel
- Gemiddelde inkomsten uit parttime werk stijgen licht
Percentage bijstandsgerechtigden met inkomsten uit parttime werk stabiel
7,4% van de bijstandsgerechtigden heeft in 2025 inkomsten uit werk naast hun bijstandsuitkering. In de jaren voor 2021 kreeg rond de 8% bijstand als aanvulling op inkomsten uit werk. Het gaat meestal om een kleine deeltijdbaan. Omdat deze bijstandsgerechtigden daarmee niet het sociaal minimum verdienen, vult de gemeente hun inkomsten aan tot de bijstandsnorm. (1)
In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners ligt het percentage bijstandsgerechtigden met inkomsten uit werk lager (6,9%). In gemeenten tot 50.000 inwoners werkt 8,5% van de bijstandsgerechtigden parttime.
"Uit de gesprekken komt naar voren hoe bijstandsgerechtigden die niet kunnen meedoen in de vorm van betaald werk, bejegend worden door de gemeente en de mensen in hun omgeving. De sterke focus op betaald werk in het bijstandsbeleid en de samenleving maakt het extra pijnlijk als het niet lukt om aan die maatschappelijke norm te voldoen. Dit komt voor sommigen boven op het stigma van het hebben van een (arbeids)beperking (zie bv. Fitzpatrick 2023; Kampen 2021).
Nog erger vinden de bijstandsgerechtigde respondenten hoe zij beoordeeld kunnen worden, zowel door de samenleving als vanuit de overheid. Zo wordt verondersteld dat zij een gebrekkig arbeidsethos hebben, misbruik maken van de uitkering en nutteloos zijn. Bijstandsgerechtigden vinden het idee onterecht dat ze niets doen of misbruik maken van de uitkering. Daarom vertellen sommigen niet dat zij een bijstandsuitkering hebben." (2)
"Onzekerheid speelt niet alleen een rol bij het aanvragen van bijstand, maar ook bij het accepteren van werk vanuit de bijstand. Door complexiteit bestaat er veel onduidelijkheid over wat de gevolgen zijn als mensen werk accepteren. Mensen vragen zich af of zij er wel op vooruit gaan, bijvoorbeeld door het verliezen van toeslagen. En wat er gebeurt als zij hun baan verliezen, bijvoorbeeld doordat het tijdelijke contract niet wordt verlengd – kunnen zij dan nog wel terugkomen in de bijstand?
Het is belangrijk op te merken dat een deel van deze problemen (gedeeltelijk) wordt geadresseerd in het wetsvoorstel Participatiewet in Balans (spoor 1)." (3)
Voetnoten
- De Participatiewet geeft gemeenten de mogelijkheid om inkomen uit arbeid gedeeltelijk vrij te laten als het werk naar de mening van de gemeente bijdraagt aan arbeidsinschakeling. De vrijlating mag 6 maanden duren en bedraagt 25% van het verdiende inkomen met een plafond. Voor alleenstaande ouders en personen met LKS, personen met een medische urenbeperking gelden aparte regels. Per 2027 komt er één (ruimere) vrijstellingsregeling in plaats van de nu verschillende regelingen.
- Vertrouwen in de bijstand: een kwalitatieve studie naar de ondersteuning aan bijstandsgerechtigden die (nog) niet betaald kunnen werken (SCP, november 2024)
- Probleemanalyse Participatiewet (Ministerie SZW, oktober 2024)
Gemiddelde inkomsten uit parttime werk stijgen licht
Bijstandsgerechtigden met inkomsten uit werk verdienen in 2025 gemiddeld 753 euro per maand. In 2024 was dit 735 euro per maand.
Naast dat een hoger percentage bijstandsgerechtigden in gemeenten tot 100.000 inwoners deeltijd werkt, zijn de verdiensten daar gemiddeld genomen ook hoger (rond de 800 euro per maand). Gemeenten met meer dan 100.000 inwoners kunnen juist minder inkomsten verrekenen (gemiddeld 712 euro per maand).
Verschillen tussen gemeenten kunnen deels verklaard worden door samenstelling van het bijstandsbestand en de beschikbaarheid van laaggeschoold werk in de regio. Daarnaast kan ook de beschikbaarheid van deeltijdwerk regionaal verschillen, doordat bijvoorbeeld in bepaalde sectoren, zoals horeca of gezondheidszorg, meer in deeltijd wordt gewerkt (zie CBS, Wie werken het vaakst in deeltijd?).
Ook verschillen in beleid en uitvoering kunnen een rol spelen.
Loonkostensubsidie
- Inzet loonkostensubsidie stijgt licht met 0,3%
- Gemiddelde loonwaarde blijft stabiel
- Aandeel mensen met loonwaarde 0-50% neemt af
Inzet loonkostensubsidie stijgt licht
Mensen met een arbeidsbeperking kunnen via hun gemeente een beroep doen op ondersteuning om aan het werk te gaan. Voor diegenen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, zetten gemeenten loonkostensubsidie (1) in. Het percentage personen met loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet is in 2025 9,9%. (2) Ten opzichte van 2024 is dit een stijging van 0,3 procentpunt. (3)
De inzet van loonkostensubsidie laat hiermee nog steeds een stabiel, licht stijgende lijn zien. Het percentage loonkostensubsidies is een verhoudingsgetal dat de omvang van het aantal voorzieningen loonkostensubsidie afzet tegen het volume BUIG(4).
Vanaf 2022 wordt loonkostensubsidie als apart budgetaandeel opgenomen in het budget dat gemeenten krijgen voor de uitvoering van de Participatiewet. Dit gebeurt op basis van realisatie. Waarschijnlijk heeft deze wijze van financieren bijgedragen aan de stijgende lijn in de inzet van loonkostensubsidie.
"De middelen voor loonkostensubsidie, die voorheen via het verdeelmodel bijstand beschikbaar gesteld werden, worden vanaf 2022 verdeeld op basis van de laatst bekende realisaties. Hiertoe wordt een apart deelbudget geraamd, op basis van een zo goed mogelijke inschatting van de te verwachten uitgaven aan loonkostensubsidie van alle gemeenten gezamenlijk." (5)
In gemeenten tot 100.000 inwoners ligt het percentage loonkostensubsidies ten opzichte van het volume BUIG, hoger. In gemeenten tot 50.000 ligt het percentage op 15,3% en in gemeenten van 50.000 tot 100.000 ligt dit op 13,0%.
Het percentage mensen met loonkosten is met 0,5% gestegen in gemeenten met minder dan 50.000 inwoners. In gemeenten van 50.000 tot 100.000 inwoners is een stijging te zien van 1,1%. Gemeenten van meer dan 100.000 inwoners laten een daling zien van 0,1%.
Mensen met loonkostensubsidie worden niet tot het bijstandsbestand gerekend, tenzij ze parttime werken en minder dan de bijstandsnorm verdienen. Onder personen met een loonkostensubsidie vallen ook mensen die beschut aan het werk zijn met inzet van loonkostensubsidie.
De ontwikkeling van het percentage loonkostensubsidies vertoont een stijgende trend van 0,4% in 2015, naar 7% in 2022, 9% in 2023, 9,6% in 2024 en 9,9% in 2025.
"Gemeenten constateren dat inwoners in hun bijstandsbestand vaak meerdere, samenhangende problemen ervaren die re-integratie bemoeilijken. In deze gevallen is de inzet van één ‘re-integratieinstrument’, zoals loonkostensubsidie of jobcoaching, onvoldoende om iemand écht te ondersteunen en is aanvullende ondersteuning nodig. Gemeenten zetten daarom steeds vaker in op een integrale aanpak waarbij problemen op verschillende leefgebieden bij een inwoner in gezamenlijkheid worden aangepakt." (6)
Voetnoten
- Loonkostensubsidie compenseert de werkgever bij verminderde productiviteit van een werknemer. De loonkostensubsidie die een werkgever van de gemeente krijgt, is het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de loonwaarde van de werknemer.
- Loonkostensubsidie betalen gemeenten uit het bijstandsbudget. Forfaitaire loonkostensubsidie (ook betaald uit het bijstandsbudget) en tijdelijke loonkostensubsidie (betaald uit het participatiebudget), zijn in dit cijfer niet meegenomen.
- De data zoals weergegeven met betrekking tot loonkostensubsidie gaan over de periode december 2024 tot en met november 2025. Het aantal geregistreerde loonkostensubsidies van november 2025 is afgezet tegen het gemiddelde volume BUIG van december 2024 tot en met november 2025.
- Volume BUIG bestaat uit betalingen van uitkeringen algemene bijstand, Bbz levensonderhoud, IOAZ, IOAW.
- Besluit van 22 september 2021 tot wijziging van het Besluit Participatiewet in verband met de financiering van de loonkostensubsidies (Staatsblad, september 2021)
- Re‑integratiedienstverlening door gemeenten (Significant APE, november 2025)
Gemiddelde loonwaarde blijft gelijk
Het bedrag dat de gemeente aan loonkostensubsidie uitkeert aan een werkgever, wordt bepaald door het verschil tussen loonwaarde (1) en het wettelijk minimumloon. Met een gevalideerde loonwaardemeting op de werkplek, wordt de loonwaarde bepaald. De werkgever betaalt de werknemer het loon en krijgt van de gemeente een subsidie voor de gederfde loonwaarde als percentage van het minimumloon.
De gemiddelde loonwaarde van personen met een loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet is eind 2025 net als in 2022, 2023 en 2024 53% van het wettelijk minimumloon. De percentages liggen voor de verschillende groepen naar gemeentegrootte erg dicht bij elkaar met 53% voor gemeenten met minder dan 50.000 inwoners, 51% voor gemeenten tussen de 50.000 en 100.000 inwoners en 52% voor gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.
Voetnoot
- Percentage dat iemand met een arbeidsbeperking per uur kan verdienen in vergelijking met een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring.
Aandeel mensen met een lage loonwaarde neemt af
Bij 40,4% van de mensen met een loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet ligt de loonwaarde in 2025 tussen de 0% en de 50% van het wettelijk minimumloon. Het aandeel mensen met een lage loonwaarde neemt hiermee af ten opzichte van 2024: toen was dit 44%. In 2017 lag dit percentage op 34% en in 2023 op 39%.
In het aandeel mensen met een loonwaarde tussen 75-100% zien we een lichte stijging van 1 procentpunt naar 16%; in 2022 had 18% van de mensen met loonkostensubsidie een loonwaarde in deze categorie: in 2023 16% en in 2024 15%.
Maatregelen
- Opgelegde maatregelen stabiel
- Meerderheid maatregelen opgelegd vanwege het niet voldoen aan arbeidsplicht
Opgelegde maatregelen stabiel
Als bijstandsgerechtigden de aan hen opgelegde verplichtingen niet nakomen, kunnen gemeenten hun uitkering korten. Dit heet een maatregel. Het aantal maatregelen dat in 2025 is opgelegd, is 2,1% van het totale aantal bijstandsuitkeringen. In en na de corona-jaren zagen we een afname in het aantal maatregelen. In 2020 daalde het percentage maatregelen naar 3% ten opzichte van 4% in 2019 (pre-corona). Die daling zette nog iets verder door in 2021 (2%). De laatste jaren is het percentage stabiel.
Het percentage van 2,1% is gebaseerd op het totaal aantal betalingen in een jaar waarop een maatregel is toegepast, gedeeld door het gemiddelde volume in een jaar. Omdat een persoon meerdere maanden een maatregel opgelegd kan krijgen, zal het percentage personen dat een maatregel heeft gekregen lager zijn.
Meerderheid maatregelen opgelegd vanwege het niet voldoen aan arbeidsplicht
De overgrote meerderheid van de maatregelen wordt opgelegd voor het niet voldoen aan de arbeidsplicht (82,7%). Dit percentage is vanaf 2022 stabiel.
Bij 7% gaat het om gerelateerde verplichtingen, zoals het niet nakomen van de afspraken die gemeenten en bijstandsgerechtigden hebben gemaakt in het plan van aanpak. Of het niet zoeken naar werk of scholing in de verplichte zoekperiode voor jongeren tot 27 jaar.
In 9,6% van de gevallen gaat het om ‘een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid’. Hiervan kan sprake zijn als iemand zijn vermogen te snel heeft opgemaakt, bijvoorbeeld door iets te kopen wat echt niet nodig was. 0,8% van de maatregelen is opgelegd vanwege agressie. Er zijn geen maatregelen opgelegd het niet of onvoldoende nakomen van de Wet Taaleis Participatiewet (1) of vanwege oorzaak partner.
"De Participatiewet kent verschillende mechanismen die beogen om de doelgroep te bewegen tot ‘gewenst gedrag’. Het gewenste gedrag waar de huidige Participatiewet van uitgaat, kan bijvoorbeeld zijn het actief zoeken naar werk, het gebruikmaken van een ingezette voorziening en het naleven van verplichtingen. Hierbij zijn verplichtingen en sancties bij niet-naleven steeds dominanter geworden als instrument om gewenst gedrag te bewerkstelligen.
Dit veronderstelt dat mensen deze verplichtingen kennen, maar ook dat mensen in staat zijn deze na te leven (fysiek, mentaal en qua doenvermogen). Weten is nog geen doen (WRR, 2017), en daarom is het noodzakelijk om verder te kijken dan het traditionele overheidsinstrumentarium (regulering, sancties, financiële prikkels en informatiedichte bewustwordingscampagnes) om gedrag te sturen." (2)
|
Categorie |
Reden vermindering naar aanleiding van afstemming: |
|---|---|
|
Niet nakomen plicht tot arbeidsinschakeling |
‘Op het vlak van plicht tot arbeidsinschakeling’. |
|
Niet nakomen van andere verplichtingen |
‘Niet nakomen tegenprestatie’, ‘niet nakomen verplichtingen plan van aanpak’, ‘niet (voldoende) zoeken naar werk in zoekperiode van vier weken’ en ‘niet (voldoende) zoeken naar scholing in zoekperiode van vier weken’. |
|
Agressie |
Agressie |
|
Niet voldoen aan wet taaleis |
Niet (voldoende) nakomen van afspraken i.h.k.v. de Wet Taaleis. |
|
Oorzaak partner |
Oorzaak bij partner. |
Voetnoten
- In de Participatiewet staat opgenomen dat iedere bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal op referentieniveau 1F moet beheersen. Als iemand niet voldoet aan de taaleis, moet diegene de taal beter gaan leren. Doet de bijstandsgerechtigde hiervoor geen moeite, dan mag de gemeente de bijstandsuitkering verlagen.
- Probleemanalyse Participatiewet (Ministerie SZW, oktober 2024)
Overtreden van de inlichtingenplicht
- Percentage overtredingen inlichtingenplicht gelijk gebleven
Percentage overtredingen inlichtingenplicht gelijk gebleven
In 2025 was het aantal vorderingen vanwege overtreding van de inlichtingenplicht 3% ten opzichte van het volume BUIG. In 2023 en 2024 lag dit percentage nagenoeg gelijk (3%). Hiermee lijkt de dalende trend van voorgaande jaren te stabiliseren. In 2021 was het aantal vorderingen 5,8% van het volume BUIG en in 2022 4,4%.
Het lagere percentage overtredingen inlichtingenplicht ten opzichte van de jaren voor 2021 zou geduid kunnen worden als een teken van een veranderende focus van gemeenten. Waar een aantal jaren terug vaker de nadruk op handhaving en fraudebestrijding werd gelegd, zijn aandacht voor de menselijke maat en maatwerk belangrijker geworden.
Het percentage overtredingen inlichtingenplicht gaat over het totaal aantal vastgestelde overtredingen van de inlichtingenplicht in een jaar, gedeeld door het gemiddelde aantal bijstandsuitkeringen in hetzelfde jaar. Bij één persoon kunnen meerdere overtredingen van de inlichtingenplicht worden geconstateerd. Het gaat bijvoorbeeld om het verzwijgen van inkomsten, een onjuiste opgave van het woonadres of een onjuiste opgave van de samenstelling van het huishouden. Hierdoor hebben deze mensen onterecht een uitkering ontvangen of een te hoog bedrag ontvangen.
Twijfel
"Vanuit de stakeholders is grote twijfel of de zo breed ingestoken inlichtingenplicht in verhouding staat tot het doenvermogen van de burger. Algemene verplichtingen − denk aan doorgeven van inkomsten uit arbeid − lijken goed verankerd. Maar het is de vraag in hoeverre de uitwerking van de inlichtingenverplichting in specifieke gevallen ook als bekend mag worden verondersteld bij de doelgroep." (1)
Voetnoot
- Participatiewet in balans. Uitkomsten beleidsanalyse (Tweede Kamer, juni 2022)
Verantwoording
De gegevens in deze rapportage zijn afkomstig van 243 gemeenten. Zij vertegenwoordigen 73% van het totaal aantal gemeenten in 2025 en 85% van de mensen die een algemene bijstandsuitkering ontvangen.
In de vergelijking tussen de jaren gaat het grotendeels, maar niet volledig om dezelfde gemeenten.
Gemeenten in deze rapportage, naar gemeentegrootte:
|
Gemeentegrootte |
Aantal gemeenten |
|---|---|
|
< 50.000 inwoners |
158 |
|
50.000-100.000 inwoners |
53 |
|
>100.000 inwoners |
32 |
|
Totaal |
243 |
Gewogen gegevens
In deze jaarrapportage presenteren we de gegevens van de benchmarkgemeenten naar gemeentegrootte en op landelijk niveau. De gemiddelde gegevens in deze rapportage zijn gewogen. Dat betekent dat gemeenten meetellen naar rato van hun bijstandspopulatie. Dit is anders dan de werkwijze die we op het benchmarkplatform hanteren, waar gemeenten zich met individuele gemeenten willen vergelijken. Op het platform wordt dus gewerkt met ongewogen resultaten.
De gegevens in de Divosa Benchmark zijn gebaseerd op de gegevens die gemeenten aanleveren voor de CBS-statistieken (BUS, SRG, BDFS). De bewerkingen zijn voor rekening van de Divosa Benchmark-organisatie.
Definities
De Divosa Benchmark Werk & Inkomen wordt gemaakt op basis van de data die gemeenten ook aan het CBS leveren. Er zijn wel wat verschillen. Zo krijgt de Divosa Benchmark geen BSN-nummers van gemeenten. Ook vinden er minder correcties plaats op de gegevens in de benchmark. Gemeenten kunnen zelf nieuwe gegevens aanleveren, maar doen dat niet altijd.
De dataverzameling gebeurt op basis van de richtlijnen van de CBS-statistieken. Het gaat daarbij om de Bijstands Uitkeringen Statistiek (BUS), de Statistiek Re-integratie Gemeenten (SRG) en de Bijstands Debiteuren en Fraude Statistiek (BDFS). De richtlijnen voor deze statistieken zijn te vinden op de site van het CBS.
Hieronder volgt per indicator een beschrijving van hoe deze indicator is berekend. Bij elke indicator in de Divosa Benchmark Jaarrapportage Werk & Inkomen gaat het om gewogen cijfers.
Ontwikkeling bijstand
De ontwikkeling van de bijstand is de ontwikkeling van het aantal bijstandsuitkeringen ‘algemene bijstand’, IOAW, IOAZ en Bbz voor uitkeringsgerechtigden tot aan de pensioengerechtigde leeftijd in een kalenderjaar.
De algemene bijstandsuitkeringen vormen ongeveer 95% van het uitkeringsbestand.
Specificatie:
- Algemene bijstand: reguliere bijstandsuitkering.
- IOAW (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers): bijstand voor oudere langdurig werklozen die 50 jaar of ouder waren op het moment dat zij werkloos werden en voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen, ongeacht hun leeftijd.
- IOAZ (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen): bijstand voor mensen van 55 jaar of ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte ex-zelfstandigen (ongeacht hun leeftijd) die noodgedwongen hun bedrijf of beroep moesten beëindigen. Uitvoering door gemeenten.
- Bbz (Besluit bijstandverlening zelfstandigen): uitkering levensonderhoud voor startende ondernemers.
De ontwikkeling van de bijstand geeft de toe- of afname van het aantal betalingen weer en wordt berekend door het aantal betalingen voor deze uitkeringen in december van het kalenderjaar te delen door het aantal betalingen in december van het jaar daarvoor. In formule: ontwikkeling bijstand = (volume bijstand december jaar t / volume bijstand december t − 1) x 100%. Dit cijfer geeft dus de toename of daling van het aantal betalingen weer.
Het volume is gemeten aan de hand van het aantal betalingen. Het aantal betalingen is lager dan het aantal personen met een uitkering, omdat echtparen gezamenlijk één uitkering (betaling) krijgen. Het meten van betaalde uitkeringen maakt het mogelijk om al een maand na een uitkeringsperiode de volume-ontwikkelingen tussen gemeenten te vergelijken. Dat is een groot voordeel bij benchmarken.
Nabetalingen tellen niet mee in het totaal. Nulbetalingen wel.
Instroom in de bijstand
Instroom betekent dat een uitkering in de maand ervoor niet in het bestand aanwezig was. Het instroompercentage is het aantal nieuwe uitkeringen algemene bijstand in een kalenderjaar in relatie tot het volume algemene bijstand aan de start van het kalenderjaar. Dit is inclusief herinstroom.
In formule: instroompercentage = (Instroom januari t/m december in jaar t / volume algemene bijstand december t − 1) * 100%
Uitstroom uit de bijstand
De uitstroom is een berekende indicator. Per maand is berekend wat de uitstroom is waarna de maanden januari t/m december bij elkaar zijn opgeteld. In formule: uitstroom = ((de ontwikkeling van het volume in maand 1 − de instroom) + idem maand 2 t/m 12) / volume bijstand december t − 1) * 100%
Het uitstroompercentage is het aantal stopgezette uitkeringen algemene bijstand in een kalenderjaar in relatie tot het volume algemene bijstand aan de start van het kalenderjaar.
Uitstroomredenen
De uitstroomredenen zijn geteld over het aantal beëindigde uitkeringen algemene bijstand van personen in een kalenderjaar. Daarbij zijn de 21 beschikbare categorieën van het CBS in de benchmark samengevoegd tot zes categorieën.
|
Categorie |
Uitstroom vanwege (BUS-code) |
|---|---|
|
Werk |
'verkregen inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking/uitkering ziekte' (34/11) 'zelfstandig beroep of bedrijf' (34/13) |
|
Scholing |
'gaan volgen onderwijs met studiefinanciering' (34/01) |
|
Inkomsten |
'uitkering werkloosheid' (34/14) 'uitkering arbeidsongeschiktheid' (34/15) 'alimentație' (34/17) 'vermogensopbrengsten' (34/18) 'ander inkomen' (34/19) |
|
Handhaving |
'overschrijden maximale verblijfsduur buitenland' (34/07) 'geen inlichtingen' (34/31) 'niet verschenen op herhaalde oproep inlichtingenplicht' (34/34) 'niet verschenen op herhaalde oproep re-integratiegesprek' (34/35) 'kunnen volgen van onderwijs maar dit niet doen' (34/06) |
|
Verloop |
'aangaan relatie' (34/02) 'bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd' (34/03) 'overlijden' (34/04) 'detentie' (34/05) 'verhuizing naar andere gemeente' (34/32) 'verhuizing naar buitenland' (34/33) |
|
Overig |
'oorzaak bij partner' (34/97) 'andere oorzaak' (34/98) |
Herinstroom
Het percentage herinstroom is het aantal uitkeringen algemene bijstand in een kalenderjaar van mensen die in de 6 (of 12) maanden ervoor ook een uitkering hadden in relatie tot de totale instroom. Als een uitkering wordt beëindigd en aansluitend een nieuwe wordt gestart (bijv. wijziging gezinssamenstelling) dan telt dit wel als uitstroom en instroom, maar niet als herinstroom.
In formule: percentage herinstroom = ( herinstroom binnen 6 (of 12) maanden in januari t/m december in jaar t / Instroom januari t/m december in jaar t) * 100%
Uitstroom naar verblijfsduur
De uitstroom naar verblijfsduur is de uitsplitsing van alle de beëindigde uitkeringen van personen met algemene bijstand in een kalenderjaar naar verblijfsduur in de uitkering. Daarbij is de tijd gemeten tussen de datum van het toekenningsbesluit (de aanvangsdatum uitkering persoon) en de datum van beëindiging van de uitkering.
Leeftijd bestand
De leeftijd van het bestand is de onderverdeling van de personen met een uitkering algemene bijstand naar verschillende leeftijdscategorieën. Dit is gemeten in december van het betreffende kalenderjaar.
Verblijfsduur bestand
De verblijfsduur van het bestand is de onderverdeling van de personen met een uitkering algemene bijstand naar hun verblijfsduur in de uitkering. Dit is gemeten in december van het betreffende kalenderjaar.
Parttime werk
Het percentage mensen dat parttime werkt is het gemiddelde aandeel van personen met inkomsten uit (deeltijd) arbeid in dienstbetrekking in een kalenderjaar op het gemiddeld totaal aantal personen met algemene bijstand in een kalenderjaar. Dit wordt berekend door voor de maanden januari t/m december in het desbetreffende kalenderjaar het aantal personen met parttime werk met een algemene bijstandsuitkering te delen door het aantal personen met algemene bijstand. Vervolgens wordt dat bij elkaar opgeteld en door twaalf gedeeld.
Onder inkomsten uit werk vallen inkomsten uit loondienst. Maar de CBS-statistiek ziet inkomsten uit de WW of de Ziektewet ook als inkomsten uit werk. In het geval iemand met een dergelijke uitkering niet boven het minimumniveau uitkomt, is het mogelijk om een aanvulling te krijgen vanuit de bijstand.
Gemiddelde maandelijkse inkomsten uit parttime werk
De gemiddelde inkomsten uit parttime werk zijn de gemiddelde maandelijkse inkomsten van personen met algemene bijstand met inkomsten uit parttime werk die verrekend zijn met de uitkering.
Vrijgelaten inkomsten uit (deeltijd)arbeid uit dienstbetrekking zijn daarmee buiten beschouwing gelaten. Ook de inkomsten uit werk die achteraf teruggevorderd worden, blijven buiten beschouwing. Het gaat hier bijvoorbeeld om inkomsten uit werk die mensen niet hebben opgegeven bij de gemeente, maar die pas later boven water komen na onderzoek van de gemeente.
Ontheffingen van de arbeidsplicht
Bij ontheffingen van de arbeidsplicht gaat het om het aantal personen met een bijstandsuitkering met een ontheffing van de arbeidsverplichting als percentage van het volledige bijstandsbestand in personen. Dit is gemeten in december van het betreffende kalenderjaar. Het gaat om personen met een uitkering algemene bijstand en om personen met een IOAW- of IOAZ-uitkering.
De ontheffing van de arbeidsverplichting heeft betrekking op de plicht tot het verkrijgen, aanvaarden en behouden van werk. De re-integratieplicht staat hier los van.
Reden van ontheffing
Er zijn verschillende redenen waarom een persoon een ontheffing van de arbeidsplicht kan krijgen.
- Alleenstaande ouder (artikel 9a Participatiewet): een tijdelijke ontheffing op eigen verzoek voor alleenstaande ouders met de volledige zorg voor een kind tot 5 jaar.
- Dringende reden (artikel 2, lid 9): een tijdelijke ontheffing wegens ‘dringende redenen’. Dit is ter beoordeling van de gemeente.
- Arbeidsongeschikt: volledige ontheffing vanwege duurzame arbeidsongeschiktheid.
Loonkostensubsidie
Bij loonkostensubsidie gaat het om het aantal personen met een loonkostensubsidie afgezet tegen het bijstandsvolume. Dit is gemeten in december van het desbetreffende kalenderjaar.
Het bijstandsvolume is het aantal uitkeringen algemene bijstand, IOAW, IOAZ en Bbz.
Let op: Het bijstandsbestand is voor deze indicator gebruikt als een verhoudingsgetal om het aantal mensen met een loonkostensubsidie in gemeenten onderling te kunnen vergelijken. Het bijstandsbestand is daarbij als verhoudingsgetal gebruikt omdat het een indicatie is van de omvang van de groep die voor loonkostensubsidie in aanmerking zou kunnen komen. Deze indicator laat dus niet zien hoeveel mensen in de bijstand een loonkostensubsidie hebben. Mensen met een loonkostensubsidie zijn immers aan het werk en hebben over het algemeen geen uitkering meer nodig.
Loonwaarde
Loonwaarde is de gemiddelde loonwaarde van personen met een loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet als percentage van het wettelijk minimumloon aan het einde van het desbetreffende kalenderjaar.
Onderverdeling loonwaarde
Bij de onderverdeling naar loonwaarde is gekeken welk aandeel van de personen met een loonkostensubsidie een loonwaarde heeft in één van de drie categorieën: 0‑50%, 50‑75% of 75‑100%. Dit is gemeten aan het einde van het kalenderjaar.
Maatregelquote
De maatregelquote is de optelsom van alle uitkeringsbetalingen voor algemene bijstand, IOAW, IOAZ en Bbz waarop een maatregel is toegepast gedeeld door het gemiddelde bijstandsvolume in een jaar. Dit cijfer geeft weer hoe vaak een gemeente gemiddeld genomen een maatregel toepast. Het cijfer is slechts bij benadering een percentage van het aantal bijstandsgerechtigden dat een maatregel opgelegd heeft gekregen. Op eenzelfde uitkering kunnen immers meerdere maatregelen worden toegepast. Ook kan eenzelfde maatregel langer dan een maand duren waardoor deze meerdere maanden wordt meegeteld. Een maatregel van 3 maanden telt bijvoorbeeld als 3 keer als een maatregel.
Vanaf januari 2015 zijn de richtlijnen in de BUS aangepast. Daarvoor konden gemeenten een maatregel opgeven ‘op het vlak van de inlichtingenplicht’. Na 2015 niet meer. Dat betekent dat de cijfers over het totaal aantal maatregelen tot 2015 en na 2015 niet met elkaar te vergelijken zijn.
Onderverdeling maatregelen
De redenen voor de maatregelen zijn geteld over alle maatregelen in een kalenderjaar. Daarbij zijn de beschikbare categorieën van het CBS in de benchmark samengevoegd tot 5 categorieën.
|
Categorie |
Reden (BUS-code) |
|---|---|
|
Niet nakomen plicht tot arbeidsinschakeling |
‘Op het vlak van plicht tot arbeidsinschakeling’ (28/01) |
|
Niet nakomen van andere verplichtingen |
‘Niet nakomen tegenprestatie’ (28/05) ‘Niet nakomen verplichtingen plan van aanpak’ (28/06) ‘Niet (voldoende) zoeken naar werk in zoekperiode van vier weken’ (28/07) ‘Niet (voldoende) zoeken naar scholing in zoekperiode van vier weken’ (28/08) |
|
Agressie |
Agressie (28/03) |
|
Niet/onvoldoende nakomen afspraken wet taaleis |
Niet (voldoende) nakomen van afspraken i.h.k.v. de Wet Taaleis (28/09) |
|
Oorzaak partner |
Oorzaak bij partner (28/98) |
| Vermindering n.a.v. afstemming (maatregel) | ‘Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid’ (28/04) |
Overtreden van de inlichtingenplicht
Het percentage uitkeringen waarbij de inlichtingenplicht is overtreden is berekend door alle nieuw geboekte vorderingen voor het overtreden van de inlichtingenplicht in een kalenderjaar op te tellen en te delen door het gemiddelde bijstandsvolume in datzelfde kalenderjaar.
Het cijfer is slechts bij benadering een percentage van het aantal bijstandsgerechtigden dat de inlichtingenplicht heeft overtreden en moet vooral gezien worden als een verhoudingsgetal zodat gemeenten zich onderling kunnen vergelijken. Er kunnen bij één uitkering immers meerdere vorderingen ontstaan voor het overtreden van de inlichtingenplicht. Ook kan het voorkomen dat het recht op bijstand al is beëindigd en er achteraf nog een vordering ontstaat.
Het overtreden van de inlichtingenplicht is een term uit de Participatiewet. Voor veel mensen is het woord fraude duidelijker.
Er zijn verschillende vormen van het overtreden van de inlichtingenplicht samengevoegd. Het gaat in de BDFS om de volgende categorieën:
- verzwijgen witte inkomsten
- verzwijgen zwarte inkomsten
- verzwijgen vermogen en/of inkomsten uit vermogen
- onjuiste opgave woonadres
- onjuiste opgave samenstelling huishouden
- andere overtreding inlichtingenplicht
Tabellenbijlage
Colofon
Divosa
Aidadreef 4 | 3561 GE Utrecht
Postbus 2758 | 3500 GT Utrecht
T 030 - 233 23 37
E info@divosa.nl
www.divosa.nl
Auteurs
Angid Pons (BMC)
Anne Verschueren (Divosa)
Marloes van Gerwen (Stimulansz)
Waling Koning (Stimulansz)
Eindredactie en webredactie
Yoni Kleiboer (Divosa)
Remco van Brink (Divosa)