Overslaan en naar de inhoud gaan

Toekomstverkenning werkdomein

Laatste update: 19 mei 2026

Actuele vraagstukken

Huidige vraagstukken

De Nederlandse Arbeidsinspectie (2022, 2024) geeft aan dat veel goed gaat bij de gemeentelijke re-integratiedienstverlening, maar dat er ruimte is voor verbetering. De actuele vraagstukken zijn geordend naar demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politiek-juridische vraagstukken (DESTEP). Uit de onderzoeken zijn geen specifieke actuele ecologische vraagstukken (effecten van de natuurlijke omgeving, zoals klimaatverandering) naar voren gekomen. Het valt op dat politiek-juridische vraagstukken in omvang domineren. Dat is niet vreemd, omdat de uitvoering van het gemeentelijke werkdomein de grondslag vindt in wetgeving (met name Participatiewet) en in medebewind wordt uitgevoerd. Bovendien wordt de Participatiewet momenteel herzien.

Tegelijkertijd hebben gemeentelijke uitvoeringsorganisaties weinig tot geen invloed op de politiek-juridische dimensie, maar doet het wel een beroep op de strategische- en uitvoeringscapaciteit van gemeenten om dergelijke ontwikkelingen bij te houden en te implementeren in de eigen uitvoeringspraktijk. Daarbij kunnen gemeenten gebruik maken van de kennis en aanbod van landelijke koepels zoals SAM, VNG en Divosa.

Op basis van de resultaten uit de onderzoeken (zie hoofdstuk Methoden) én feitelijke kennis van projectgroepleden, worden de volgende actuele vraagstukken gezien in het gemeentelijke werkdomein. Het betreft een selectie. Voor uitgebreidere informatie kunnen de publicaties geraadpleegd worden.

Demografische vraagstukken

De samenstelling van de Participatiewet-doelgroep verandert. Meer mensen met specifieke aandoeningen en meer mensen met meervoudige problematiek die zorg en welzijn raken. Een belangrijke oorzaak is gelegen in de invoering van de Participatiewet in 2015, waarin de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en een groot gedeelte van de Wajong zijn opgegaan. Door de invoering van deze wet is de instroom in de Wsw afgesloten en is de Wajong alleen beschikbaar voor mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben.

Daarnaast is de arbeidsmarkt relatief krap en zijn steeds minder mensen om enkel economische redenen bijstandsafhankelijk en hebben veel inwoners met bijstand vaker te maken met problemen op verschillende leefdomeinen. Gevolg hiervan is dat meer aandacht en inzet nodig is om inwoners succesvol aan het werk te helpen en te houden.

Er is een toegenomen instroom van statushouders. Deze nieuwe Nederlanders dienen hun inburgering te behalen en waar mogelijk zo snel als kan een betaalde baan te vinden. Deze mensen hebben moeite met de taal, kennen andere culturele gebruiken en hebben doorgaans een andere verwachting van de overheid. De doorstroom van asiel naar statushouder en betaald werk kent de nodige belemmeringen, waardoor deze groep mensen vaak een langere tijd is aangewezen op de Participatiewet.

Ruim 10% van de bevolking van 25-34 jaar heeft geen startkwalificatie en is daarmee kwetsbaar op de arbeidsmarkt (Vermeij et al., 2024). Ook zijn 2,5 miljoen Nederlanders laaggeletterd, waardoor ze moeite hebben met lezen, schrijven en digitale vaardigheden. Er is in Nederland sprake van vergrijzing. 

Tot 2040 zet de vergrijzing nog door tot 25,1% ouderen in 2040 (www.pbl.nl). Hierdoor zijn er veel mensen die verzorgd moeten worden en minder mensen beschikbaar om het beschikbare werk te verrichten en de benodigde belastingen en pensioenen op te brengen. Er is daarmee veel aan gelegen om werkenden en uitkeringsgerechtigden duurzaam inzetbaar te maken en actief te houden op de arbeidsmarkt.

De veranderende doelgroep raakt vraagstukken van kennis, professionalisering en besluitvorming over de in te zetten dienstverlening: welke kennis moeten professionals zelf in huis hebben, welke kennis is van specialisten buiten de organisatie nodig, hoe kan ervaringskennis van betrokken inwoners worden ingezet en welke kennis is nodig om een beslissing te nemen. Tevens is het de vraag of de juiste dienstverlening beschikbaar is.

Economische vraagstukken

De uitvoeringscapaciteit wordt verzwakt door de steeds grotere personeelstekorten bij gemeenten. Divosa (2024) beschrijft een uitvraag naar de personele bezetting bij gemeenten en concludeerde dat '44% van de 68 respondenten momenteel al te weinig personeel heeft om de taken in het sociaal domein naar behoren te kunnen uitvoeren. 69% van de gemeenten met nu nog voldoende personeel verwacht binnen drie jaar tegen een tekort aan te lopen.'

Hogescholen geven aan dat ook de instroom van studenten in de richting sociaal werk en sociaal-juridische dienstverlening terugloopt. Dit voorspelt een nog grotere spanning op de markt van personeel voor het sociaal domein.

Personeel wisselt daarnaast snel van functie binnen en tussen organisaties. Zowel leidinggevenden, beleids- en uitvoeringsambtenaren binnen gemeenten en het ministerie van SZW. Tussen 2015 en 2020 stroomde bijna de helft van de werknemers in het sociaal domein uit (Bokhorst & Engbersen, 2024). Bokhorst en Engbersen concluderen dat dit zorgt voor gebrek aan continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening. Daarnaast verhindert het de opbouw van een kennisbasis.

Gemeenten hebben te maken met schommelende en ontoereikende budgetten voor re-integratiedienstverlening, gebaseerd op rekenmodellen waarin een prikkel is ingebouwd om snelle uitstroom prioriteit te geven, en bezuinigingen. Vanuit die schaarste en de stevige roep om arbeidskrachten, maken gemeenten vaak keuzes die zich vooral richt op de bemiddelbare doelgroep en/of de mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Hierbij komt onzekerheid bij veel gemeenten over het ravijnjaar 2026.

Heekelaar (2021) toont aan dat er aanzienlijke tekorten zijn in de financiering van de Participatiewet. Voor goede begeleiding naar en tijdens werk en participatie van de gehele doelgroep van de Participatiewet is berekend dat 1,5 miljard extra nodig is.

Een grote groep inwoners die overblijft in de bestanden van gemeenten, hebben complexe problematiek waardoor begeleiding naar regulier betaalde arbeid intensief of (nog) niet mogelijk is. Een derde van de bijstandsgerechtigden zou niet kunnen werken aldus SCP (Van Echtelt et al., 2024), terwijl ook zij van waarde kunnen zijn voor de maatschappij, in de vorm van mantelzorg of onbetaalde arbeid.

Nederland heeft 2,7 miljoen werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en 1,3 miljoen zzp’ers (CBS, 2024, 4e kwartaal). Dit is zo’n 40% van het aantal werkenden die te maken heeft met onzekerheid over inkomsten. De Europese commissie merkt op dat werkgevers minder snel investeren in eigen personeel, omdat flexwerkers over het algemeen goedkoper zijn om in te huren. Er zijn begin 2024 twee wetsvoorstellen ingediend bij de tweede kamer: Wet Meer zekerheid flexwerkers en Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (Wet VBAR) om onder meer stabiliteit te creëren voor werkenden.

De stap van uitkering naar werk leidt soms tot inkomensschommelingen waardoor inwoners in de financiële problemen raken. Zo kunnen schulden ontstaan doordat toeslagen over een jaar worden berekend, maar het inkomen fluctueert gedurende het jaar.

In bepaalde situaties leidt de stap naar werk tot een (soms tijdelijke) terugval in netto besteedbaar inkomen. Dit heeft met inkomensgrenzen te maken, met name van toeslagen die relatief snel afbouwen. Slechte ervaringen met inkomensonzekerheid kan ertoe leiden dat inwoners de stap naar werk niet meer maken.

Sociaal-culturele vraagstukken

Het Sociaal en Cultuur Planbureau constateert dat de leefsituatie van mensen het uitgangspunt moet zijn bij ondersteuning (Plaisier et al., 2023). Daarbij moet meer rekening worden gehouden met de complexiteit van de leefsituatie waarin mensen vaak verkeren. Mensen hebben behoefte om gezien, gehoord en geholpen te willen worden. Mensen willen doorgaans meedoen en waarde toevoegen, ongeacht hun talenten, arbeidsbeperkingen of leeftijd. Bij voorkeur in een zo regulier mogelijke functie.

Kabinet en werkgevers hebben in het Sociaal Akkoord 2013 afgesproken in 2025 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking te realiseren. Dit aantal lijkt niet behaald te worden. Veel werkgevers zeggen te willen, maar een beperkt deel neemt daadwerkelijk werknemers met een arbeidsbeperking in dienst. Wanneer een werkgever eenmaal inclusief werkgever is geworden blijkt dat deze vaak meer werknemers met een arbeidsbeperking in dienst neemt.

Wederzijds vertrouwen in het contact tussen inwoners en professionals is geen gegeven. Inwoners zijn wantrouwig geworden richting de overheid door verschillende media voorbeelden waaruit blijkt dat de overheid niet het beste voor heeft met hun inwoners, foutjes in aanvragen of vergeten om informatie door te geven, kunnen leiden tot problematische persoonlijke situaties (toeslagen affaire, fouten bij uitkeringsberekening UWV, boodschappenaffaire). Het gaat hierbij om wet- en beleidsmatige keuzes, maar ook het handelen van de professional. Dit is een hardnekkige maatschappelijke tendens, die moeilijk omkeerbaar is. De WRR heeft in 2017 al aanbevelingen hiervoor gedaan in het rapport ‘weten is nog geen doen’.

Onder professionals is een hoge werkdruk en er zijn zorgen over mentale overbelasting van professionals. Hierbij is er mogelijk een relatie met een hoge caseload en een ervaren toename van bedreiging en agressie bij de uitvoering van dienstverlening.

Professionals hebben verschillende opleidingsachtergronden en worden lokaal binnen de gemeente opgeleid. Er zijn daardoor veel ‘eigen werkwijzen’, methodisch werken volgens de PDCA-cyclus is niet de norm en er ontbreekt een gemeenschappelijke taal en beroepsbeeld (Hazelzet & Otten, 2017). 

Er is onvoldoende inzicht in instrumenten en de effectiviteit hiervan. Ook de toepassing van wetenschappelijke inzichten is beperkt. Een stevige, samenhangende beroepsgroep met duidelijke afwegingskaders en ethiek die uitleggen wat ze doen en waarom ontbreekt. De uitvoeringspraktijk is persoonsgebonden, met een groot gevoel van verantwoordelijkheid en het goede willen betekenen voor de medemens. Aan de versterking van de vakkundigheid in de uitvoering wordt gewerkt, bijvoorbeeld door SAM, het kwaliteitsregister KRSD en sinds kort het lectoraat Beroepsvorming professionals in het publiek sociaal domein bij hogeschool Zuyd (zie ook Toekomstrichtingen, Vakmanschap professional).

Er is veel diversiteit in de uitvoeringspraktijk; dat komt door diversiteit van gemeenten en uitvoeringsorganisaties en ontwikkelingsfase van organisaties, teams en medewerkers. Maar diversiteit komt ook door bestuurlijke en managementkeuzes op lokaal niveau. 

Technologische vraagstukken

Er zijn verschillende digitale ontwikkelingen die het werk van professionals kan ondersteunen bij diagnose, begeleiding en matching. Veel gemeenten gebruiken verschillende tools en deze tool-set is niet altijd goed ingericht op de behoeften van professionals en / of inwoners.

Naast de ondersteuning van het werkproces is de informatiehuishouding van gemeenten steeds belangrijker voor inzicht in Kritieke Prestatie-indicatoren (KPI’s ) en ter verantwoording. Gebruik van onlogische toolsets leidt tot een grote administratieve last van gemeenten, die ten koste gaat van het contact en de begeleiding van de inwoner.

(Generatieve) AI in de re-integratiedienstverlening staat nog in de kinderschoenen. Wel zijn er veel initiatieven die in 'Praktische voorbeelden' staan genoemd.

Er zijn steeds meer mogelijkheden voor de inzet van inclusieve technologie die kunnen helpen om arbeidsbeperkingen te compenseren, maar de inzet daarvan neemt nog geen grote vlucht. Er zijn goede initiatieven om de opschaling te bevorderen, zoals Technohulp Inclusieve Technologie (TINT, Kennisalliantie Inclusieve Technologie, 2024) en het Meerjarenprogramma Inclusieve Technologie dat het UWV gaat uitvoeren (UWV, 2024). 

Politiek-juridische vraagstukken

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Bokhorst & Engbersen, 2024) heeft in een recente studie twee vraagstukken onderzocht. Het eerste vraagstuk is welke deskundigheid de centrale overheid nodig heeft om centrale regie te voeren over decentrale taken. Het tweede vraagstuk is welke deskundigheden gemeenten nodig hebben om hun taken voor participatie (schuldhulpverlening en inburgering) lokaal uit te voeren. Uit de analyse blijkt dat de kennisbasis binnen het sociaal domein vluchtig is. Dat komt doordat het sociaal domein zeer gevoelig is voor veranderende waardering van de verzorgingsstaat en wisselende verhoudingen tussen overheid, markt en samenleving. 

De taak om inwoners vanuit een uitkering aan het werk te helpen is belegd bij zowel het UWV als gemeenten. Wanneer krijgt iemand een gemeentelijke voorziening, werkgeversvoorziening of individuele arbeidsmarktvoorziening via het UWV? Dit is nu niet altijd duidelijk en steeds vaker is er sprake van een samenloop. Dit maakt het diffuus.

Arbeidsverleden, belastbaarheid en potentie tot arbeid, zijn verbonden aan verschillende uitkeringsregelingen en bijbehorende re-integratie instrumenten. Dit maakt de kans op fouten groot, onprettig in de beoordeling van mensen en onnodig ingewikkeld. Er wordt gepleit voor één inkomensregeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt, met individuele mogelijkheden tot ontwikkeling en groei. Een voorbeeld: slechts de helft van de mensen met een beperking zit in het Doelgroepenregister, niet alles wordt erkend als beperking en wanneer mensen niet in het Doelgroepenregister vallen (of willen vallen) zijn bepaalde instrumenten niet inzetbaar.

Stakeholders geven aan dat er incongruentie is tussen SZW en VWS in wetgeving, de wijze van sturen, mensbeelden en de scope van de doelstellingen met betrekking tot het gedecentraliseerde sociale domein (Van der Aa et al., 2017). 

Het stelsel van inkomensondersteuning is te complex geworden. Er is een fundamentele herziening van de wet nodig om deze eenvoudiger en effectiever te maken (Movisie, 2024, 19 december). Het systeem van ‘ingeschatte’ jaarinkomsten leidt met name bij kwetsbare huishoudens tot onvoorspelbaarheid, schulden en bestaansonzekerheid wanneer gedurende het jaar inkomsten veranderen, bijvoorbeeld door het vinden van werk (Divosa, 2023d). Het veroorzaakt daardoor steeds vaker juist bestaansonzekerheid, in plaats van dat het die versterkt (VNG, 2024; WRR, 2017).

De Participatiewet wordt herzien via drie sporen: 1) maatregelen op korte termijn, 2) een fundamentele herziening van de Participatiewet en 3) versterken van de vakkundigheid in de uitvoering. Belangrijke uitgangspunten voor de herziene wet zijn eenvoud, menselijke maat en vertrouwen. In de nieuwe wet is een generieke participatieplicht opgenomen en maatschappelijke participatie.

De generieke participatieplicht is een plicht die door bijstandsgerechtigden moet worden nagekomen en houdt in dat de bijstandsgerechtigde betaald werk moet zien te behouden, verkrijgen en aanvaarden, aangeboden voorzieningen in het kader van re-integratie moet aanvaarden en, indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, naar vermogen maatschappelijk te participeren. Maatschappelijke participatie wordt gedefinieerd als het verrichten van onbeloonde activiteiten, gericht op deelname aan het maatschappelijk leven, die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Het beslaat een breed palet aan activiteiten. De activiteiten kunnen bestaan uit het verrichten van mantelzorg of een vorm van vrijwilligerswerk, maar het kan ook bestaan uit het deelnemen aan activiteiten in een wijk of buurt, bijvoorbeeld om uit een sociaal isolement te komen. Ook een cursus of training kan deel uitmaken van de activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie, bijvoorbeeld taalonderwijs.

Spoor 1 (maatregelen op korte termijn) wordt in 2025 door de Tweede Kamer behandeld. De datum van inwerkingtreding is nog niet bekend. Voor actuele informatie (ook over spoor 2 en 3) en onderliggende documenten, zie Wetsvoorstel Participatiewet in Balans (Tweede kamer, 2024) en de Kamerbrief voortgang programma Participatiewet (SZW, 2024, 16 december). In deze Kamerbrief is de stand van zaken van alle drie sporen opgenomen. 

De Probleemanalyse Participatiewet (SZW, 2024, oktober) houdt de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de huidige Participatiewet kritisch tegen het licht. Op het niveau van inkomen wordt geconcludeerd dat het sociaal minimum te laag is, het inkomen voorspelbaar moet zijn en het karakter van de Participatiewet te veel op handhaving en sanctioneren is gebaseerd. Op het niveau van werk wordt in de probleemanalyse aandacht gevraagd voor voldoende budget voor ondersteuning en begeleiding en voor het feit dat een behoorlijk deel van de mensen in de bijstand in praktijk arbeidsongeschikt zijn, terwijl het regelgeving en instrumentarium gericht zijn op werk.

Andere voor het werkdomein relevante wetgeving is het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk (Rijksoverheid, 2024, 10 december). Het halen van een diploma of het vinden en vasthouden van een baan na school is niet voor iedere jongere vanzelfsprekend. Met het wetsvoorstel 'Van school naar duurzaam werk' krijgen scholen, Doorstroompunten (voorheen: Regionaal Meld- en Coördinatiepunten) en gemeenten (verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet) meer mogelijkheden om jongeren tot 27 jaar te ondersteunen bij de overgang van school naar werk en het behoud van werk.

Dit gebeurt met vier samenhangende maatregelen: 1. Aanvullende loopbaanbegeleiding tot een jaar na diplomering of het verlaten van de school in het beroepsonderwijs, praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs 2. De maximumleeftijd van de doelgroep van de Doorstroompunt-functie (voorheen RMC-functie) wordt verhoogd van 23 naar 27 jaar. 3. Gemeenten krijgen in de Participatiewet een meer preventieve rol bij het ondersteunen van jongeren naar werk. 4. Het wetsvoorstel stimuleert de samenwerking tussen onderwijs, Doorstroompunten en gemeenten op casusniveau en bij een regionaal programma.

Een ander relevant voorstel is het wetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Awb (Tweede Kamer, 2023, 20 januari). Dit wetsvoorstel past de Algemene wet bestuursrecht aan. Deze aanpassing heeft tot doel de overheid te stimuleren om besluiten voor inwoners begrijpelijker te maken, zich bij de uitvoering van taken meer te verplaatsen in inwoners en zich minder formeel op te stellen.

De doorontwikkeling van de sociaal ontwikkelbedrijven is eveneens relevant. Met de sluiting van de Wsw in 2015 staat de infrastructuur voor sociaal werk onder druk. Het kabinet heeft extra geld vrijgemaakt waarmee gemeenten sociaal ontwikkelbedrijven beter kunnen organiseren. Het gaat om een bedrag van bijna € 600 miljoen voor de periode 2025-2034. Dit moet 10.000 banen opleveren voor inwoners die nu nog niet bij reguliere werkgevers aan de slag kunnen. Met al eerder toegezegde middelen voor onder meer de financiering van beschut werk, gaat er de komende jaren in totaal ongeveer een miljard euro naar de sociaal ontwikkelbedrijven. Ook daarna blijft er structureel extra geld beschikbaar. 

Sociaal ontwikkelbedrijven richten zich op het aan het werk helpen en houden van mensen met een arbeidsbeperking die niet direct bij reguliere werkgevers aan het werk kunnen. Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 hebben deze bedrijven te maken met verschillende veranderingen. Ze moeten niet alleen werk bieden aan mensen die niet direct bij reguliere werkgevers kunnen werken, maar ook steeds meer mensen begeleiden naar reguliere banen. Dit brengt financiële druk met zich mee en vereist aanpassingen in de bedrijfsvoering. Met de extra investeringen wil het kabinet sociaal ontwikkelbedrijven daarom meer stabiliteit en continuïteit bieden voor de lange termijn, waardoor zij meer ruimte hebben om banen te realiseren voor werknemers met een arbeidsbeperking.

Ten slotte is relevant dat de inrichting van Regionale Werkcentra waarbij publieke en private  dienstverlening over werk en scholing in één loket wordt samengebracht, zoals de regionale mobiliteitsteams, WerkgeversServicepunten en Leerwerkloketten. Het kabinet wil dat in alle 35 arbeidsmarktregio’s een Werkcentrum komt, zodat mensen en bedrijven door heel Nederland weten waar ze in de buurt kunnen aankloppen voor werk, de juiste scholing of geschikt personeel. Hier kan iedereen zonder afspraak terecht en ondersteuning krijgen, ongeacht de hulpvraag of uitkering die iemand heeft. De bestaande voordeuren van sociale diensten, sociaal ontwikkelbedrijven en het UWV blijven open voor inwoners, maar worden in het Werkcentrum beter verbonden aan het onderwijs en de ‘van werk naar werk’ dienstverlening van sociale partners.