Overslaan en naar de inhoud gaan

3. De stappen uitgewerkt

Stap 3: Organiseren van handelingsperspectief

Zebrapad - stap 3

Wat is het doel?

Het doel van deze derde stap is:

  • het formuleren van een concreet handelingsperspectief op basis van de inzichten uit de eerdere stappen. 

In het handelingsperspectief leg je vast wat de lerende praktijk anders gaat doen en wat dit betekent voor de organisatie.

Hoe begin je?

Om tot een handelingsperspectief te komen, vertaal je de inzichten uit de vorige stap naar concrete situaties en keuzes in de praktijk. Dit doe je door samen te kijken naar wat nodig is om anders te handelen. Daarbij kijk je bijvoorbeeld naar werkprocessen, samenwerking of de invulling van rollen en regie.

In deze stap worden de deelnemers uitgedaagd om hun eigen handelen en afwegingen te onderzoeken. De procesbegeleider faciliteert dit door het gesprek te richten op keuzes en consequenties: ‘Wat betekent onze ambitie concreet voor hoe we werken?’ De trekker bewaakt dat deze inzichten niet vrijblijvend blijven, maar worden verbonden aan de rollen en het mandaat van de deelnemers.

Waar moet je op letten?

In deze stap is het belangrijk om te voorkomen dat het gesprek blijft hangen op externe belemmeringen, zoals regels, systemen of verantwoordelijkheden van anderen buiten de lerende praktijk om. De uitdaging is om het gesprek te kantelen naar eigen handelingsruimte en verantwoordelijkheid. Van de deelnemers vereist dit kritische reflectie op het eigen gedrag  en onderlinge interacties.

Deze stap vraagt ook om duidelijkheid over de speelruimte van professionals. Die onduidelijkheid kan voortkomen uit verschillende interpretaties van wet- en regelgeving. Door samen concrete casussen te analyseren, maak je snel helder waar de twijfel zit over wat wel en niet mag. Leg vragen vervolgens voor aan beleidsmedewerkers, juristen of leidinggevenden.

Welke lessen hebben we geleerd?

In de lerende praktijken zagen we de ambitie om anders te werken, maar in veel gemeenten bleek het een uitdaging om dit concreet vorm te geven. We zagen met name een spanningsveld tussen de professionals en het management. Waar managers opriepen om ruimte en autonomie te nemen (‘toe dan’), zochten uitvoerende professionals juist naar duidelijkheid over wat dit concreet betekent voor hun handelen (‘hoe dan?’). Dit ‘hoe dan’ heeft in elk geval betrekking op duidelijke verwachtingen en een gedeeld beeld van wat het gewenste handelen inhoudt.

Naast het ontbreken van duidelijke kaders, zagen we dat ook andere factoren een rol kunnen spelen bij het gesprek over eigen handelingsruimte en verantwoordelijkheid. Zo is onduidelijkheid over de mogelijkheden in wet- en regelgeving een belangrijke factor. Eén deelnemer stelde: 'Professionals nemen soms aan dat regels bestaan, terwijl dat niet zo is.'

In een andere lerende praktijk hielp een externe expert bij het wegnemen van juridische onduidelijkheden:

"Een externe expert hielp om onzekerheid over gegevensdeling te verminderen. Het gesprek verschoof van: ‘wat mag wel en niet?’ naar: ‘wat kunnen we anders doen in de praktijk?’ 

Hierdoor ontstond ruimte om afspraken te maken over wanneer gegevensdeling nodig is, hoe instemming kan worden gevraagd en hoe professionals daarin zorgvuldig kunnen handelen."

Enkele andere factoren die werden genoemd, waren:

  • onvoldoende ervaren steun van het management bij maatwerkbeslissingen 
  • onvoldoende kennis van het schrijven van een juridische motivering bij een beslissing

Kortom: er zijn verschillende redenen waarom mensen hun handelingsruimte niet volledig benutten. Pas wanneer deze oorzaken goed in kaart zijn gebracht, ontstaat er een beeld van een passende oplossingsrichting. In de lerende praktijken die hiermee aan de slag zijn gegaan, zagen we dat dit de betrokkenen direct meer houvast biedt om die ruimte ook echt te pakken.