Overslaan en naar de inhoud gaan

1. Hoogst haalbare taalniveau en afschalen

1.1 Definiëren van het hoogst haalbare taalniveau

Duidelijk gedefinieerde en meetbare taalniveaus bieden taalaanbieders de ruimte om naar eigen inzicht en beste vermogen een inburgeraar te helpen zo snel mogelijk een voor hen zo hoog mogelijk taalniveau te behalen. Maar welk taalniveau is het hoogst haalbare voor de individuele inburgeraar? De Wet inburgering 2021 (Wi2021) streeft naar B1. Dat klinkt duidelijk genoeg, maar over de exacte uitwerking hiervan naar de praktijk blijk je behoorlijk van mening te kunnen verschillen. Met als gevolg spanningen in de samenwerking tussen gemeenten en taalaanbieders en onduidelijkheid voor inburgeraars.

Bij het inkopen van inburgeringstrajecten is het om te beginnen van groot belang dat de hoogst haalbare taalniveaus, de opbouw van het leertraject én de mogelijkheden om hier tijdens het traject van af te wijken scherp gedefinieerd zijn. Het bepalen van het hoogst haalbare taalniveau is een complex proces waarin professionals die inburgeraars vanuit de gemeente begeleiden en taalaanbieders samen moeten optrekken. Dit vraagt om duidelijke beleidskeuzes, flexibele leertrajecten en contractuele afspraken die bijdragen aan een realistisch en haalbaar taalniveau voor iedere inburgeraar.

‘Redelijk en billijk’

B1 is de standaard als het gaat om het hoogst haalbare taalniveau. Daarmee kun je je goed zelfstandig redden in de samenleving.  De wetgever verwacht daarnaast dat gemeenten bepalen (eventueel op advies van taalaanbieders) of inburgeraars, in individuele gevallen, de mogelijkheid krijgen om lessen op B2 niveau te volgen. Gemeenten kunnen hierover (contract)afspraken maken met taalaanbieders over de voorwaarden waaronder iemand binnen de inburgering B2-lessen kan volgen, ‘met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid van wat verwacht kan worden van de taalaanbieder’. Dit leidt tot verschillen in taalaanbod en verwachtingen tussen gemeenten en taalaanbieders. In sommige regio’s zijn aanbieders contractueel verplicht om kleine groepen cursisten met potentie de mogelijkheid te bieden om door te stromen naar B2, terwijl in andere regio’s B2 volledig buiten de aanbesteding valt en apart geregeld wordt.

Individuele capaciteiten

Daarnaast spelen individuele capaciteiten een grote rol. Niet elke inburgeraar heeft dezelfde leerbaarheid; sommige cursisten behalen bijvoorbeeld B1 voor spreken maar voor schrijven blijkt A2 voor hen het hoogst haalbare. Daarom is het belangrijk om flexibiliteit in te bouwen in de leerroutes en af te stemmen op de individuele situatie en capaciteiten van de inburgeraar. Waar er geen heldere visie, gedeelde definitie en duidelijke werkafspraken bestaan tussen gemeenten en taalaanbieders over wie hierin stuurt en adviseert, ontstaat er frictie in de samenwerking. Het expliciet maken van deze zaken zorgt ervoor dat zowel gemeenten als taalaanbieders vanuit hun eigen rol, expertise en verantwoordelijkheid effectief kunnen bijdragen aan de inburgering en taalontwikkeling van de inburgeraar. Hierdoor kunnen zij elkaar beter benutten en versterken.

Goed partnerschap

Het aanbieden van een hoger taalniveau brengt ook financiële uitdagingen met zich mee. De financiering vanuit de Rijksoverheid (SPUK Inburgering) dwingt gemeenten om binnen de beschikbare budgetten een haalbare en kwalitatieve taalroute in te kopen. De uitdaging voor gemeenten is helder: zij moeten als goede opdrachtgever zorgen voor een uitvoerbaar kader. Dit betekent echter niet dat alleen gemeenten verantwoordelijk zijn. Ook taalaanbieders hebben hierin een belangrijke rol en dragen de verantwoordelijkheid om effectieve en efficiënte leermethodieken te ontwikkelen en uit te voeren. Een goede samenwerking vraagt daarom om heldere afspraken, waarin beide partijen vanuit hun eigen expertise en verantwoordelijkheid bijdragen aan succesvolle inburgering en taalontwikkeling.

Gemakkelijkere doorstroming

Jasper Varwijk, beleidsadviseur voor Rijk van Nijmegen, geeft een voorbeeld van het effect van inkoop op doorstroom: ‘We hebben oorspronkelijk de drie leerroutes zoals die in de wet zijn omschreven, los van elkaar ingekocht. Hierdoor werden de Z-route en B1-route door verschillende aanbieders uitgevoerd. Dit maakte een tussentijdse overstap voor inburgeraars ingewikkelder dan nodig. Daarom hebben we in de nieuwe aanbesteding contracten afgesloten met aanbieders die zowel de B1- als de Z-route moeten aanbieden, zodat deelnemers makkelijker kunnen doorstromen naar een hoger niveau als blijkt dat zij het aankunnen of afschalen als dat nodig blijkt.

Resultaatgericht

Om discussie te voorkomen en de samenwerking tussen gemeenten en taalaanbieders te versterken, is het belangrijk om vooraf duidelijk vast te leggen welke taalniveaus aangeboden worden en wanneer hiervan kan worden afgeweken. Zowel gemeenten als taalaanbieders moeten weten of B1 als standaardniveau geldt en in welke situaties doorstroom naar B2 mogelijk is.

Door hierover gezamenlijke afspraken te maken en deze expliciet vast te leggen in aanbestedingsdocumenten en contracten, wordt het eenvoudiger om de best passende leerroute voor elke inburgeraar aan te bieden. Dit kan door voorwaarden op te nemen waaronder taalaanbieders het hogere niveau faciliteren, bijvoorbeeld via uitzonderingsclausules voor cursisten die aantoonbaar meer potentie hebben of bovengemiddeld presteren. Resultaatgerichte afspraken tussen gemeenten en aanbieders, zoals tussentijdse evaluatiemomenten, stimuleren maatwerk en zorgen ervoor dat elke inburgeraar op het best passende taalniveau terechtkomt, met optimale begeleiding naar B1 of, waar zinvol, B2.

Investeer in verwachtingsmanagement

De afspraken over het hoogst haalbare taalniveau moeten zowel gemeenten als taalaanbieders uitdagen het beste uit elke inburgeraar te halen. Een bekend fenomeen is het zogenaamde Pygmalion-effect: als een docent denkt dat een bepaald niveau onbereikbaar is voor een cursist, zal de cursist dit niveau meestal ook niet halen. Daarom is het belangrijk dat klantmanagers, aanbieders en docenten hoge verwachtingen koesteren en de nodige aandacht en energie investeren om te ontdekken wat de inburgeraar nodig heeft. Het is essentieel dat aanbieders en docenten de ruimte en tijd krijgen om zich op de cursist af te stemmen. Hierdoor kunnen docenten en aanbieders inburgeraars helpen hun volledige potentieel te bereiken.

Het gebruik van meetbare indicatoren helpt bij het objectief vaststellen van de voortgang en haalbaarheid van een bepaald taalniveau. Regelmatige evaluaties met taalaanbieders en cursisten kunnen bijdragen aan een flexibele en effectieve aanpak. In enkele regio’s wordt samengewerkt met onafhankelijke toetsingscentra om objectief te bepalen of een cursist daadwerkelijk op weg is naar het hoogst haalbare niveau.

Praktische voorbeelden uit de uitvoering

In verschillende gemeenten worden al diverse methoden toegepast om maatwerk in taaltrajecten te realiseren. Sommige gemeenten hanteren een opt-out model, waarbij uitzonderlijke cursisten extern B2-onderwijs kunnen volgen. In andere regio’s wordt na 600 uur met de cursist besproken of het blijven streven naar B1 wenselijk en haalbaar is, of dat afschalen naar A2 of wisselen naar de Z-route beter aansluit bij de situatie. Een hybride systeem waarin docenten per vaardigheid (lezen, schrijven, spreken, luisteren) adviseren over afschaling of opschaling van het taalniveau wordt eveneens toegepast. In enkele gemeenten wordt onderscheid gemaakt tussen standaard taalaanbieders die tot B1 begeleiden en gespecialiseerde taalaanbieders die een beperkte groep kunnen begeleiden tot B2. Daarnaast zijn er regio’s waar wordt samengewerkt met ROC’s om cursisten die potentie hebben voor B2 via een verkort schakelprogramma door te laten stromen naar regulier onderwijs.

Hoogst haalbare taalniveau in 3 aandachtspunten

  • Duidelijke beleidskeuzes en contractuele afspraken zijn essentieel: Gemeenten moeten expliciet vastleggen welk taalniveau zij als standaard hanteren en onder welke voorwaarden, bij uitzondering, B2-opties mogelijk zijn. Dit voorkomt verwarring en zorgt voor consistente verwachtingen bij zowel taalaanbieders als inburgeraars.
  • Flexibiliteit en maatwerk zijn noodzakelijk: Niet iedere inburgeraar heeft dezelfde leerbaarheid, waardoor differentiatie in leerroutes belangrijk is. Gemeenten kunnen dit faciliteren door schakelroutes, opt-out mogelijkheden en hybride werkwijzen waarin per vaardigheid beoordeeld wordt of een hoger of lager niveau gewenst is.
  • Monitoring en financiële prikkels stimuleren een hogere taalverwerving: Meetbare indicatoren en evaluatiemomenten helpen om voortgang en haalbaarheid objectief vast te stellen. Financiële stimulansen, zoals extra vergoedingen voor het behalen van B2, kunnen aanbieders motiveren om cursisten optimaal te begeleiden.