Factsheet Debiteuren
Laatste update:1 Beeld van debiteuren
1.2 Debiteuren die invloed hebben op budgetresultaat
Na een algemeen beeld van het type vorderingen, zoomen we nu in op vier type vorderingen die van invloed kunnen zijn op het budgetresultaat BUIG (hierna: BUIG-vorderingen). Deze BUIG-vorderingen vallen onder de baten van gemeenten en onder de SiSa-verantwoording richting het Rijk.
Voor de verdere analyse van debiteuren op basis van Divosa Benchmark-cijfers, hebben we een selectie gemaakt welke vorderingen mee te nemen. In deze factsheet zijn de vorderingen weergegeven van de algemene bijstand (Participatiewet, IOAW en IOAZ). Niet meegenomen zijn Bbz en Tozo, de vorderingen van vóór 2013 en overige leningen. Reden daarvoor is dat de overige leningen veelal bijzondere bijstand betreffen, en deze vallen niet onder de BUIG-gelden. Vorderingen van vóór 2013 zijn uitstervend, er komen geen nieuwe vorderingen meer bij. De overige vorderingen worden gedeeltelijk meegenomen als zijnde onverschuldigde betalingen. Het gedeelte van de overige vorderingen dat betrekking heeft op rente- en incassokosten valt hier buiten. Dat betreft ook slechts marginale bedragen en aantallen.
BUIG-vorderingen en relatie bijstand
We zien dat ongeveer 70% van alle vorderingen onder de BUIG-vorderingen vallen. Dat betekent dus 30% niet, zoals leningen bijzondere bijstand. In de periode van april tot juli 2020 is een duidelijke daling te zien in het aandeel BUIG-vorderingen ten opzichte van alle vorderingen. Dit heeft vooral te maken gehad met een stijging van het totaal aantal vorderingen in deze maanden, voornamelijk als gevolg van Tozo-leningen. Deze vallen ook niet onder de BUIG.
Dit zijn alle unieke debiteuren die zijn afgezet tegen het bijstandsvolume in dezelfde maand. Dit betreft het percentage van alle meegewogen gemeenten. Deze indicator maakt het mogelijk het aantal debiteuren te vergelijken met andere gemeenten. Zit je als gemeente hoger of lager? En welke verklaring heb je daarvoor?
In de voorgaande grafiek zien we dat het aantal debiteuren nagenoeg gelijk is gebleven in de afgelopen jaren ten opzichte van het BUIG-volume. Het percentage schommelt tussen de 31% en 34%. Op het moment dat er wordt gekeken naar alle debiteuren van alle regelingen en met alle ontstaansgronden, ligt dit percentage hoger.
Verwijtbare vorderingen
Verwijtbare vorderingen hebben te maken met het overtreden van de inlichtingenplicht (artikel 17 P-wet en vergelijkbaar in IOAW/IOAZ). De inlichtingenplicht stelt dat een bijstandsgerechtigde alle informatie aan de gemeente moet geven die van invloed kan zijn op het recht op of de hoogte van een uitkering. Als blijkt dat iemand die een bijstandsuitkering ontvangt en niet tijdig en/of niet volledige informatie (inlichtingen) heeft gegeven aan de gemeente, dan wordt het teveel ontvangen bedrag teruggevorderd. Ook kan er een boete worden opgelegd. Dit is bepaald in de in 2013 in werking getreden ‘Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’, ook wel de Fraudewet genoemd.
De Fraudewet is in 2016, na rapporten van de Ombudsman en uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), aangepast. De hoogte van de boete was in de oorspronkelijke Fraudewet altijd 100% van het terug te vorderen bedrag. Na de aanpassingen is het mogelijk om de boete af te stemmen op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Ook is het mogelijk om een waarschuwing te geven in plaats van een boete, als de uitkeringsgerechtigde in de twee jaar ervoor nog niet eerder een waarschuwing heeft gehad (zie bijvoorbeeld artikel 18a lid 4 PW: wel opnemen in beleidsregels).
We zien dat een groot deel van de openstaande vorderingen bestaat uit vorderingen vanwege overtreden inlichtingenplicht. Kijken we naar het aandeel openstaande vorderingen vanwege overtreden inlichtingenplicht op gemeenteniveau, dan kan dit inzicht geven in de fraude-alertheid van de organisatie. Dit kan twee betekenissen hebben. Een laag aandeel kan betekenen dat er weinig overtredingen van de inlichtingenplicht worden vastgesteld, omdat de uitvoering niet fraude-alert genoeg is. Maar het kan ook inhouden dat de preventie op orde is, de uitvoering streng aan de poort is of bij lopende uitkeringen juist snel overtredingen opspoort en dan voor een laag bedrag terugvordert. Een lager bedrag is sneller terugbetaald, waardoor vervolgens minder openstaande vorderingen zichtbaar zijn.
Het gemiddelde openstaande bedrag voor het schenden van de inlichtingenplicht is het hoogst van alle typen vorderingen. Dat zal op zich niet verbazen. Het gaat hierbij immers over schending van de inlichtingenplicht en dat loopt meestal over een langere periode. Als schending van de inlichtingenplicht wordt ontdekt, zal herziening van de bijstand veelal een langere periode betekenen en daarmee een hogere vordering zijn.
Boetes zijn iets gedaald. Dit zal als reden hebben dat gemeenten terughoudend zijn met het opleggen van (hoge) boetes. Was het in het verleden zo dat bij het schenden van de inlichtingenplicht er eigenlijk altijd een boete werd opgelegd, tegenwoordig kijken gemeenten hier mogelijk wat genuanceerder naar.
Opleggen van boetes
In de grafiek 'Uitsplitsing openstaande vorderingen naar type vordering' is zichtbaar dat het aantal openstaande boetevorderingen de afgelopen jaren rond de 10% lag. Dit aandeel is een stuk lager dan het aandeel vorderingen vanwege overtreding inlichtingenplicht. Dit wijst erop dat er vaker geen boete wordt opgelegd wanneer een overtreding van de inlichtingenplicht is vastgesteld. Daarnaast wordt er veelal eerst afgelost op boetes (1), waardoor dit percentage is vertekend.
Wettelijk is het zo geregeld dat als er sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht, er onderzocht moet worden of er een boeteonderzoek dient te worden verricht. Uit de voorgaande grafiek blijkt dat in ongeveer 30% van de vorderingen inlichtingenplicht, er daadwerkelijk een boetebedrag is opgelegd. In 70% van de gevallen gebeurt dat niet. In de afgelopen drie jaar zien we een lichte daling van eerst 33% naar nu 30%.
Welke verklaring is daarvoor te geven?
Het kan zijn dat er aangifte is gedaan bij het Openbaar Ministerie. Het gaat dan om benadelingsbedragen van meer dan € 50.000. In dat geval behandelt de officier van Justitie de zaak.
Het meest aannemelijk is dat er kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing, dus geen boetebedrag. In een aantal gevallen kan een schriftelijke waarschuwing worden gegeven als er sprake is van schending van de inlichtingenplicht:
- De eerste situatie is als er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, zonder dat er te veel bijstand is uitbetaald – de zogenoemde nulfraude.
- Een waarschuwing is ook mogelijk als het benadelingsbedrag gering is, namelijk maximaal € 150.
- De laatste situatie waarin een waarschuwing gegeven kan worden, is als betrokkene uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt.
Belangrijk hierbij is dat de schending van de inlichtingenplicht nog niet door het college geconstateerd mag zijn, én dat het niet is gemeld in het kader van toezicht op de naleving van de arbeidsverplichtingen. De redelijke termijn waarbinnen de inlichtingen alsnog zijn verstrekt, is niet langer dan 60 dagen.
De keuze wanneer wordt volstaan met een waarschuwing, moet worden vastgelegd in beleidsregels van de gemeente. Een waarschuwing kan alleen worden opgelegd als betrokkene in de afgelopen twee jaar niet eerder een waarschuwing heeft gehad. Voor deze termijn wordt gerekend vanaf het moment waarop de waarschuwing is gegeven/opgelegd. Gaat het om nulfraude en wordt een boete opgelegd, dan is het uitgangspunt een boete van € 150. Hiervan kan worden afgeweken, als dat noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige boete (artikel 2 Boetebesluit).
Een andere reden waarom er geen boetes worden opgelegd, kan liggen in het feit dat de gemeente geen boeteonderzoek doet. Hoewel dit is voorgeschreven, kan het procesmatig zo zijn dat dit niet goed is geregeld. Om te zien of dat in de gemeente aan de hand kan zijn, zou periodiek een query kunnen worden gedraaid met vorderingen vanwege het schenden van de inlichtingenplicht in relatie tot geboekte werkprocessen Boete.
Een laatste verklaring kan zijn dat er weliswaar sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht, maar dat dit belanghebbende niet te verwijten valt. Denk aan die bijstandsgerechtigden die afhankelijk zijn van een bewindvoerder. Deze kan soms verstek laten gaan qua inlichtingenverstrekking, maar dat gaat veelal buiten de bijstandsgerechtigde om. Om een boete op te leggen, moet er sprake zijn van verwijtbaarheid.
Onverschuldigde betalingen
In de grafiek waarbij het type vorderingen is onderverdeeld, zien we een vrij stabiele verdeling in de afgelopen jaren. Ongeveer de helft van de vorderingen heeft betrekking op onverschuldigde betalingen. Dit is een interessant gegeven, aangezien het gaat om vorderingen, waarbij het ontstaan van de vordering niet aan de bijstandsgerechtigde is te wijten. Gedacht kan dan worden aan:
- Mutaties liggen te lang; uitkeringen lopen daardoor te lang door;
- Beëindigingen liggen te lang; uitkeringen lopen daardoor voor een te hoog bedrag door;
- Inkomsten worden niet ineens goed verrekend;
- Betaalmoment van de uitkering ligt niet goed, waardoor bijvoorbeeld inkomsten niet meer in de uitkeringsmaand kunnen worden verrekend;
- Ten onrechte verstrekte voorschotten.
Het zijn feitelijk procesmatige fouten. Op het moment dat die worden vastgesteld, kan een gemeente overgaan tot terugvordering. Dit is geen verplichting, in tegenstelling tot de terugvordering bij schending van de inlichtingenplicht.
De uitdaging voor gemeenten is daarom om goed te kijken naar de procesgang van de diverse werkprocessen, overdrachtsmomenten en de doorlooptijden. Als vorderingen daarmee kunnen worden beperkt, scheelt dat de uitkeringsgerechtigden ergernis en de organisatie tijd en administratief werk.
Vanuit het project Simpel Switchen zijn verschillende producten ontwikkeld die jou als gemeente kunnen ondersteunen bij het inrichten van werkprocessen, bijvoorbeeld rondom parttime werk en het verrekenen van inkomsten. Kijk hier voor meer informatie.
Verhaal
Een klein deel van de vorderingen bestaat uit verhaalsvorderingen. Verhaal is dat je als gemeente gebruikmaakt van de bevoegdheid om verstrekte bijstand te verhalen op derden. Voor de wettekst, zie paragraaf 6.5 Participatiewet. In veel gevallen is die derde de ex-partner die onderhoudsplichtig is voor zijn ex-partner (= uitkeringsgerechtigde) en/of diens minderjarige kinderen. Het gaat hier om kosten van bijstand die de ex-partner dient te betalen tot aan de grens van diens onderhoudsplicht.
Er zullen bijstandsgerechtigden zijn die alimentatie ontvangen. Dat betekent dat via een rechterlijk besluit tussen de beide (ex-)partners een overeenkomst bestaat, waarbij de onderhoudsplichtige periodiek een bedrag aan de ex-partner (= bijstandsgerechtigde) betaalt. Voor de bijstandsgerechtigde zijn dit inkomsten waar de gemeente rekening mee dient te houden bij de verstrekking van de bijstand. Als er alimentatie wordt betaald, is er veelal geen aanleiding meer om als gemeente ook nog te verhalen. Wel kan het inkomen van de onderhoudsplichtige in de toekomst nog wijzigen, waardoor er ook aanvullend verhaald kan worden. Of de gemeente doet een verzoek aan de rechtbank voor herziening van het alimentatiebesluit, als de rechtbank eerder geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen (artikel 62e lid 2 PW).
Vanuit het oogpunt van de gemeente heeft alimentatie de voorkeur. De kans op uitstroom is dan groter. Er zijn immers minder inkomsten uit (parttime) werk nodig om uit de bijstand te komen.
Voetnoten
- Veelal is in beleidsregels opgenomen hoe er wordt omgegaan met het aflossen als er meerdere vorderingen zijn.