Overslaan en naar de inhoud gaan

1. Waarom een netwerk verschil maakt

1.4 Gemotiveerde vrouwen

Gemeenten proberen, in het kader van de Participatiewet, nieuwkomers zo snel mogelijk aan het werk te krijgen en richten zich in de praktijk vaak op de man, die als kansrijker wordt bestempeld. Wanneer de man eenmaal aan het werk is, verdwijnt de vrouw soms uit beeld. 

Onderzoeker De Gruijter wijst erop dat verreweg de meeste gemeenten (83 procent) in hun inburgeringsbeleid geen expliciete aandacht besteden aan vrouwen. ‘Iedereen wordt gelijk behandeld, is het uitgangspunt van gemeenten. Maar dat betekent niet dat beide groepen in gelijke mate kunnen profiteren van het aanbod. Zonder oog te hebben voor de ongelijke positie van vrouwen, kan dit beleid onbedoeld negatieve effecten hebben en genderongelijkheid juist versterken.’ 

Doordat de aandacht in het begeleiden naar werk vanuit de Participatiwet in de praktijk vooral naar mannen uitgaat, lijkt het soms of vrouwen geen belangstelling hebben om mee te doen. ‘Dat is een vertekend beeld. Veel vrouwen zijn juist erg gemotiveerd om mee te doen, het is de Nederlandse context die het moeilijk maakt. Daarom is het zo belangrijk om goed te kijken wat vrouwen nodig hebben om die stap naar participatie echt te maken.’

Zonder oog te hebben voor de ongelijke positie van vrouwen kan dit beleid onbedoeld verschillende effecten hebben en genderongelijkheid juist versterken.

- Marjan de Gruijter, senior onderzoeker, Kennisplatform Inclusief Samenleven
Marjan de Gruijter

Foto door Lize Kraan

Ze pleit ervoor dat gemeenten veel meer met een genderbril naar de inburgering gaan kijken. ‘Bereiken we alle inburgeraars, mannen en vrouwen? Hoe pakt ons beleid eigenlijk uit? Vergeet ook niet om de inburgeraars zelf te bevragen, dat schiet er nog weleens bij in. Als je dat goed in beeld hebt, dan kunnen gemeenten samen met taalaanbieders en welzijnsorganisaties kijken wat er echt nodig is. Waar zit de behoefte?’

De kracht van het informele contact

Het ondersteunen en stimuleren van informele netwerken komt tegemoet aan de behoefte van vrouwelijke inburgeraars. De Gruijter: ‘We weten uit onderzoek dat vrouwen de inburgering vaak moeilijker vinden dan mannen en behoefte hebben aan meer informeel taalcontact, aan laagdrempelige inloopplekken en activiteiten zodat ze andere vrouwen kunnen ontmoeten.’ 

Die ondersteuning van de netwerken vanuit formele organisaties moet volgens haar zorgvuldig gebeuren. ‘Dit betekent niet dat gemeenten activiteiten voor deze vrouwen moeten gaan bedenken. Daar is op zich niets mis mee, maar dat is vaak een tijdelijk project. De kracht zit ‘m toch in het informele, laagdrempelige en duurzame karakter.’

Een andere optie is dat deze vrouwen na afronding van de inburgering kunnen aansluiten bij al bestaande informele netwerken in de gemeente. De Gruijter: ‘Dat is helemaal mooi. De inburgering is toch vaak een wat beschermde omgeving, de gemeente of welzijnsorganisaties die bij de inburgering van de vrouwen betrokken zijn, kunnen dan voor een warme overdracht zorgen.’

‘Ik ben zoveel veranderd’

Esraa Karaish (40 jaar, leerkracht in Syrië, begeleider vrouwennetwerk Z-route, LEVgroep)

‘Verlegen en stil komen ze die eerste bijeenkomst binnen. Bang om iets verkeerds te zeggen, bang om fouten te maken. “Dat kan ik niet”, horen we heel vaak. Veel vrouwen zijn helemaal niet gewend om voor zichzelf iets te doen. Ze zijn altijd bezig met hun gezin, met de kinderen, met het huishouden. Zo was ik ook, altijd thuis. Als alleenstaande moeder was het soms erg moeilijk, vooral in coronatijd, omdat ik weinig mensen om mij heen had.

‘Na de inburgering vond ik mijn Nederlands nog niet goed genoeg. Daarom ben ik toen een cursus gaan volgen. Dat heeft heel veel veranderd, ik leerde andere vrouwen kennen, ik leerde over mijn talenten, vaardigheden en ervaringen, zo groeide mijn netwerk. Door het contact met anderen kreeg ik nieuwe ideeën, steun en voelde ik me niet meer alleen. Ik vond het eerst lastig om anderen te vertrouwen, maar ook dat veranderde. Ik zie die verandering nu ook bij andere vrouwen. Ze worden actiever, doen vrijwilligerswerk. Er worden vriendschappen gesloten. We bespreken van alles, over het Nederlandse systeem, over de opvoeding, over onze rechten en plichten.

Ik wil niet altijd vrijwilligerswerk blijven doen, ik wil een betaalde baan vinden. Ik heb mbo-niveau 2 afgerond, ben in februari begonnen met mbo-niveau 3. Ik zit nu met jonge studenten in de klas, maar dat maakt me niet uit. Ook de vrouwen in het netwerk probeer ik te stimuleren. “Ja, ik weet dat je vier kinderen hebt, maar ook met kinderen kun je leren en vooruitgaan. Deel je tijd goed in en vraag ook hulp aan je kinderen. Laat je leeftijd je niet tegenhouden.” Ik ben niet meer in Syrië, ik leef in Nederland en bouw hier aan mijn toekomst.’

Esraa

Foto door Merhawi Haghos Fisha