Overslaan en naar de inhoud gaan

1. Waarom een netwerk verschil maakt

1.1 De positie van vrouwelijke inburgeraars

Wat weten we uit onderzoek over de positie van vrouwelijke inburgeraars in Nederland? Uit verschillende onderzoeken komt een helder beeld naar voren.  Hoewel vrouwen relatief vaak onderwijs volgen en gemiddeld genomen niet lager zijn opgeleid dan mannen, blijven vrouwen duidelijk achter als het gaat om arbeidsparticipatie en financiële zelfstandigheid. Bekende obstakels zoals een gebrek aan kinderopvang, traditionele rolpatronen én een gebrek aan netwerk staan participatie vaak in de weg. Onderzoek laat zien dat deze verschillen niet vanzelf verdwijnen. Ook jaren na aankomst in Nederland is de kloof tussen mannen en vrouwen groot.

Een aantal belangrijke cijfers op een rij.

  • Op 1 mei 2025 zijn er in totaal 66.220 statushouders die inburgeren onder de Wet inburgering 2021. Daarvan is 38 procent vrouw (25.164).
  • Bijna de helft van de vrouwelijke statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning kreeg, heeft een partner en kinderen. Een kwart is alleenstaande ouder.
  • Vrouwelijke statushouders stromen minder snel uit naar werk. 66 Procent van de mannen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, is na negen jaar aan het werk. Bij vrouwen is dit 33 procent.
  • Van de gezinsmigranten en overige migranten (imams, rabbijnen, kloosterlingen en vreemdelingen met een niet-tijdelijke humanitaire status) die vanaf 2022 inburgeringsplichtig zijn of zijn geweest onder de Wi2021 werkt eind 2024 49,7 procent. De arbeidsparticipatie onder vrouwelijke gezinsmigranten en overige migranten blijft achter ten opzichte van die van mannelijke gezinsmigranten en overige migranten.

Inburgering

Binnen de Wet inburgering 2021 worden inburgeraars verdeeld over drie leerroutes: de B1-route, de onderwijsroute en de zelfredzaamheidsroute (Z-route). De meeste statushouders, zowel mannen als vrouwen, volgen de B1-route (57,8 procent), gevolgd door de Z-route (29 procent) en de onderwijsroute (13,2 procent). Vrouwen volgen vaker de Z-route dan mannen.

Ook de meeste gezinsmigranten en overige migranten worden in de B1-route geplaatst (93 procent) en 7 procent volgt de Z-route.

Uit de KIS-monitor 2025 blijkt dat het gebrek aan kinderopvang en het afstemmen van tijden van onderwijs en kinderopvang de grootste obstakels zijn in de begeleiding van vrouwen met jonge kinderen. De B1-route is volgens gemeenten eenvoudiger te combineren met een gezin. De Z-route, met 800 verplichte lesuren en voor statushouders eveneens verplichte 800 participatie-uren, is voor ouders moeilijk vol te houden. 

(Bronnen: Divosa Benchmark Statushouders & Inburgering, Divosa Jaarrapportage gezinsmigranten en overige migranten 2024, CBS Dashboard Asiel en Integratie, KISMonitor 2025)