Ondermijning en het sociaal domein: een nieuw perspectief
Laatste update: 04 mei 2026Uit Sprank Magazine: Re-integratieofficier Bart Reedijk: ‘Het is een kleine moeite om je in te leven in de ander’
Bart Reedijk (l) en Hans Bosselaar • uit Sprank Magazine, december 2025 • tekst: Laura Cuijpers • foto: Nadine van den Berg
'Ik ben ooit in Den Haag begonnen met een nieuwe aanpak voor ex-gedetineerden', vertelt Bart Reedijk. 'Dat waren jongeren die een wat zwaarder misdrijf op hun naam hadden en een toekomst als draaideurcrimineel voor de boeg. Maar ik geloof in mensen. Er zit vaak veel meer in hen dan je denkt.'
Wat begon als pionieren in Den Haag, zette hij voort in de gemeente Dordrecht. Daar startte hij als de eerste re-integratieofficier van Nederland. In die functie begeleidt hij ex-gedetineerden om een succesvolle terugkeer in de maatschappij te realiseren en recidive te voorkomen. 'Bij de jongeren zijn veel hulpinstanties betrokken: reclassering, gemeente, sociale dienst… Het is belangrijk dat iemand de regie heeft en eigenaarschap toont. En dan bedoel ik niet iemand die als een luchtverkeersleider op afstand achter een bureautje zit. Ik heb contact met het hele netwerk, inclusief de cliënt zelf. Zo behaal je veel betere en veel snellere resultaten.'
Gedaankrijgers
De aanpak leidde in Dordrecht tot een forse daling van recidive onder jonge ex-gedetineerden. Naast zijn werk als re-integratieofficier werkt Reedijk sinds 2023 samen met bestuurskundige Hans Bosselaar van de Vrije Universiteit Amsterdam. Onder de naam ‘Gedaankrijgers’ leren ze professionals om effectief te werken in complexe systemen, te doen wat nodig is en zich niet te veel door regels te laten leiden.
Bosselaar: 'Bij meervoudige problematiek werken veel professionals samen, met allemaal een eigen specialisme. Als wetenschappers zien we dat dit slecht werkt. Ze spreken elkaars taal niet en hebben vaak ook een ander belang. De medewerker van de sociale dienst wil iemand bijvoorbeeld een training laten volgen die net is ingekocht. Maar een andere professional denkt dat het beter is om te beginnen met een leertraject of verslavingszorg. Niet alle professionals kunnen omgaan met die verschillende belangen en perspectieven.'
Zakelijk empathisch
Reedijks advies: bedenk vooral wat het belang is van de professional die tegenover je zit. 'Een voorbeeld: een jongen die zeven maanden had vastgezeten, mocht niet meer terugkomen op school. Ondanks eerdere afspraken. In plaats van de school daarop aan te spreken, vroeg ik door. Waarom zijn jullie ineens van gedachten veranderd? Er bleek een andere jongen na zijn detentie veel overlast te veroorzaken in de klas. Toen hebben we afgesproken dat we het een half jaar uitproberen en dat ze mij mogen bellen bij problemen. Het is een kleine moeite om je in te leven in de ander. En het was meteen geregeld.'
Empathie is een van drie competenties van professionals die goed kunnen omgaan met complexe systemen, beaamt Bosselaar. 'Je moet je kunnen inleven in die klantmanager of schoolbestuurder.' Een groot netwerk is ook handig. 'Veel van onze kandidaten scoren heel slecht op netwerken. Mijn tip is: zoek mensen met wie je op één lijn zit en werk met hen samen. Niet met de organisatie als geheel.'
Zonder visie val je snel terug op productienormen of de waan van de dag
Systeemwereld loslaten
De derde competentie is creativiteit. Bosselaar: 'Op het terrein van werk en inkomen is er een op productie gerichte en bedrijfsmatige cultuur ontstaan. Dat heeft de creativiteit een beetje de kop ingedrukt.' 'Ik zie bij onze trainingen vaak mensen die het werkgeluk zijn kwijtgeraakt. Dat is jammer', vult Reedijk aan.
Bosselaar: 'Professionals zitten soms met een caseload van vijftig cliënten. Ze gaan van overleg naar overleg met het idee: ik ga aan tafel zitten, vertel wat onze organisatie doet en wat ik nodig heb, en dan heb ik mijn ding weer gedaan. In plaats van met creativiteit en eigenaarschap een oplossing zoeken. Leidinggevenden zijn hieraan ook gewend geraakt. In medewerkers zit veel creativiteit, maar geef je hun de ruimte en waardeer je het ook als ze het anders doen?'
Denk daarbij aan rugdekking van bovenaf, zegt Reedijk. 'Toen ik net was gestart als re-integratieofficier, was dat soms wennen voor partijen. Ik ga weleens buiten de geijkte kaders. Toenmalig burgemeester Wouter Kolff gaf mij alle vertrouwen om te doen wat nodig was.'
Eyeopener
'Kies als leidinggevende een paar belangrijke thema’s waarop je je gaat richten', gaat Reedijk verder. Bosselaar: 'Zonder visie val je makkelijker terug op productienormen of de waan van de dag. Combineer dit met dienend leiderschap en je bent een heel eind. Bespreek met je team: als we die kant op willen, hoe gaan we dat doen? Al begin je maar met vaker bij elkaar binnenlopen.'
De training van ‘Gedaankrijgers’ is volgens Bosselaar vaak een eyeopener. 'Deelnemers zeggen meteen: ik ga het maandag anders doen. Die caseload ligt er dan natuurlijk ook weer. Maar ik denk echt dat veel mensen zich een nieuwe manier van werken eigen kunnen maken. Het is een kwestie van beginnen.'
Inhoud
Ondermijning en het sociaal domein: een nieuw perspectief
Laatste update: 04 mei 2026Pieter Tops: ‘Sterke gemeenschappen zijn het beste wapen tegen ondermijning’
Ondermijning bestrijden begint niet bij politie en justitie, maar in het sociaal domein. Professionals die dagelijks bezig zijn met bestaanszekerheid − met perspectief bieden − zijn cruciaal. Volgens Pieter Tops, emeritus hoogleraar bestuurskunde aan Tilburg University, is het sociaal domein ‘de eerste verdedigingslinie’.
U stond aan de wieg van de aanpak van ondermijning in Nederland, schrijft veel over de georganiseerde misdaad. Blikt u eens terug op de afgelopen jaren.
‘Tien jaar geleden was ondermijning nog een betrekkelijk nieuw begrip en daar dook iedereen op, alles was ineens ondermijning. Die hype is wel voorbij. Het onderwerp en de aanpak zijn nu gelukkig wat meer geland. In de meeste gemeenten is de aanpak van ondermijning een vast onderdeel van het repertoire geworden.
Zelf blijf ik het belangrijk vinden om een scherp onderscheid te maken tussen de aanpak van de georganiseerde misdaad, wat de alledaagse taak van politie en OM is, en de aanpak van ondermijning. Die aanpak gaat fundamenteel over de vraag: Wat doet de georganiseerde misdaad met onze samenleving? Wat doen die enorme financiële bedragen die daarmee gemoeid zijn met ons? En dat is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid in de brede zin. Daar hoort het sociaal domein heel nadrukkelijk bij.
Ondermijning is géén slachtofferloos verschijnsel, zoals lange tijd werd gedacht
Ondermijning is een sociaal vraagstuk, het raakt aan bestaanszekerheid, opvoeding, vertrouwen in de overheid. Het gaat over perspectief. Precies de thema’s waar professionals in het sociaal domein zich dagelijks mee bezig houden. Het gaat ook over de zorg voor de slachtoffers. Ondermijning is géén slachtofferloos verschijnsel, zoals lange tijd werd gedacht.
Dit scherpe onderscheid is belangrijk, omdat we dan afscheid nemen van die misplaatste gedachte dat burgemeesters crimefighters zijn en mensen in het sociaal domein agenten. Het sociaal domein heeft een ander repertoire. De politie is in de kern repressief, terwijl het sociaal domein preventief werkt en juist kijkt naar manieren om kwetsbaarheid te verminderen.’
Is het sociaal domein alerter geworden?
‘Zeker. Vijf jaar geleden was de discussie: ligt hier eigenlijk wel een taak voor het sociaal domein? Dat het sociaal domein hier een verantwoordelijkheid heeft, is inmiddels evident. Ondermijning is geen abstract begrip meer, hulpverleners krijgen steeds vaker met ondermijnende praktijken te maken en dat schuurt.
Ik heb in heel wat gemeenten rondgekeken en ben steeds meer gaan zien dat er samenhang zit tussen verschillende activiteiten die elkaar ondersteunen. Ondermijnende ecosystemen, waar mensen gebruikmaken van de mogelijkheden die er zijn.
Leeuwarden-Oost
Ik noem als voorbeeld Leeuwarden-Oost. De drugscriminaliteit in het noorden van het land begon daar onder meer met de productie van hennep en dat heeft een aantal mensen heel veel geld opgeleverd. Een deel daarvan investeren ze in vastgoed en dan zien we dat daaromheen snel een context ontstaat van zorgfraude en allerlei andere schimmige praktijken waar mensen voor karretjes worden gespannen.
Dat is niet allemaal zwaar crimineel, maar met al dat geld uit die drugswereld en de aantrekkelijkheid daarvan ontstaat een alternatieve kansenstructuur. Die samenloop van factoren, die juichen we toe als het bijvoorbeeld om ASML gaat: een heel ecosysteem waarin iets kan bloeien. Maar je hebt dus ook ondermijnende ecosystemen, waar criminaliteit kan bloeien.’
Met al dat geld uit de drugswereld ontstaat een alternatieve kansenstructuur
Wat hebben professionals in dat sociaal domein nodig om deze ecosystemen te verstoren?
‘Criminelen maken gebruik van armoede, instabiliteit. Door in te zetten op schuldenaanpak, onderwijs en werk verdwijnt de voedingsbodem voor criminaliteit. We hebben het over weerbaarheid, over omgaan met groepsdruk. Over het beschermen van de slachtoffers. Mensen die bij ondermijning betrokken raken, zijn niet alleen dader, maar ook slachtoffer. Mensen met een licht verstandelijke beperking, arbeidsmigranten en mensen met schulden worden gebruikt en onder druk gezet.
Het sociaal domein is niet waardenvrij. Professionals ondersteunen, maar begrenzen ook. Ze benoemen wat niet acceptabel is: uitbuiting is niet normaal, snel geld is geen onschuldige keuze. Zo voorkom je dat ondermijning normaal wordt.
Voor deze aanpak zijn professionals nodig die vanuit een stevige, doorontwikkelde professionele houding en met veel liefde voor hun werk staan voor waar ze mee bezig zijn. Streng liefhebben blijft een gouden formule. Ik zit in de Raad van Toezicht van Reclassering Nederland. Daar heet het de werkalliantie: een goede verstandhouding met de cliënt. Ik spreek mensen daar en ik ben vaak diep onder de indruk van de hardnekkigheid, de zorgvuldigheid en de liefde waarmee mensen hun werk doen.
Op het snijvlak van sociaal domein en veiligheid loopt veel goed volk rond. Maar zij moeten wel worden gesteund. Ze hebben bestuurlijke rugdekking nodig, daar kunnen mensen aan de top van hun organisatie voor zorgen. Bij gemeenten is de rol van bestuurders cruciaal. Het maakt veel verschil als een burgemeester er bovenop zit, die gezag heeft om door domeinen heen te werken.’
Wat ziet u nu gebeuren in de praktijk?
‘Ik realiseer me vaker hoe ongelooflijk complex het overheidssysteem is geworden, en hoe ingewikkeld de verbindingen zijn tussen overheid en samenleving. Ik heb zelf altijd sterk benadrukt hoe belangrijk die contacten zijn, maar we moeten niet verzanden in overleggen. Dat helpt de professionals in de praktijk niet. Minder praten over samenwerken, meer samen doen.
We moeten juist denken en handelen vanuit de frontlijn, vanuit de praktijk. Voor veel beleidsambtenaren is dat ingewikkeld. Die hebben geleerd: eerst doelen formuleren, dan subdoelen, en dan pas uitvoeren. Natuurlijk moet je altijd controle hebben op geld en op publieke verantwoording. Maar we zijn daar ook wel in doorgeschoten.’
We moeten minder praten over samenwerken, en meer samen doen
Criminelen profiteren daar graag van?
‘Criminelen worden niet belemmerd door regels en bureaucratie. Zij zijn juist heel adaptief. Die criminele wereld kan zich heel snel aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Ze weten steeds nieuwe kansen te ontdekken en te overleven.
Daarom is het ook een oneindig spel, we kunnen niet winnen of verliezen. Of het nu gaat over alcohol, drugs, prostitutie of gokken. Het idee dat je dit alles met één grote oplossing kunt laten verdwijnen, is een illusie. Het hoort bij een samenleving. Maar het is onze sociale plicht om te kijken of je het onder controle kunt houden.’
Onderkant
‘We weten heel goed dat de negatieve maatschappelijke consequenties in onevenredige mate neerslaan aan de onderkant van de samenleving. Dáár worden de rotklussen in de criminele wereld opgeknapt. Mensen aan de bovenkant kunnen veel makkelijker wegkijken. Dus er zit ook een vorm van sociale rechtvaardigheid en solidariteit in om hier aandacht aan te blijven besteden. Dat is de taak van het sociaal domein.
We moeten onze tuin blijven onderhouden. Zaaien, spitten en schoffelen, zodat het ons niet overwoekert. Dat is het werk van het sociaal domein, en ook van het strafrecht. De tragiek van het strafrecht is dat het onmisbaar is, maar op zichzelf nooit iets oplost. Het strafrecht wordt geconfronteerd met de gevolgen van maatschappelijke en sociale misstanden; maar de illusie dat je die ten diepste allemaal kunt beheersen met strafrechtelijk handelen, moet je niet hebben.
Daarom is het zo belangrijk om te zorgen voor een stevige sociale basis. De echte opgave zit veel meer in het versterken van gemeenschappen en wijken. Het sociaal domein speelt geen bijrol, maar vormt de eerste verdedigingslinie.
We hebben de afgelopen jaren ook geleerd dat we zeker in staat zijn om mensen individueel te helpen, om iemand een nieuw perspectief te geven. Maar we nu moeten leren, is hoe we een duurzame, goede samenleving opbouwen. Dat speelt bijvoorbeeld in Heerlen-Noord. Mensen worden geholpen en verdwijnen dan weer uit de wijk. Maar wat gebeurt er met die wijk? De vraag voor het sociaal domein: hoe organiseer je duurzame verhoudingen? Hoe doe je aan samenlevingsopbouw?’
Een sterke gemeenschap kan tegenwicht kan bieden aan die ondermijnende ecosystemen?
‘Daar ben ik van overtuigd. Tegenover die alternatieve kansenstructuur moet je een ander perspectief zetten. Dat zit in aandacht, in streng liefhebben, in samenhang, in legitimiteit. Daar horen ook ingewikkelde bestuurlijke keuzes bij, bijvoorbeeld rondom wonen en de samenstelling van wijken. Maar zonder deze keuzes verandert er niets. Zet te veel kwetsbaarheid bij elkaar, dan wordt het onbeheersbaar. Dan worden die alternatieve kansenstructuren té aantrekkelijk.
Aan welke knoppen kunnen we draaien? Aan het woningbestand, aan de samenstelling van de wijk, aan de mogelijkheid om een wooncarrière in de eigen buurt te maken. Dat zijn uiteraard beladen onderwerpen, maar ze horen wel degelijk bij deze discussie.’
Als u de balans opmaakt: waar staan we dan nu?
‘Het bewustzijn is gegroeid. Gemeenten zijn ermee bezig. Het beleid is meer geborgd. Gemeenten zijn ook alerter geworden op die ondermijnende ecosystemen. Maar het blijft heel ingewikkeld, het blijft bureaucratisch en het blijft een gevecht om het overeind te houden. Het sociaal domein bestrijdt ondermijning niet door criminaliteit te bevechten, maar door de samenleving sterker te maken dan criminaliteit.’
Het sociaal domein als eerste verdedigingslinie
Verslag lezing Pieter TopsOp 28 januari 2026 sprak Pieter Tops tijdens het Divosa Symposium ‘Een nieuw perspectief: ondermijning en het sociaal domein’ in het Divosa Clubhuis in Utrecht. Lees het volledige verslag van zijn lezing.
Het centimeterwerk van het Nypelsplantsoen: ‘We ondermijnen de voedingsbodem voor ondermijnende praktijken’
Vier flats met in totaal 360 huishoudens. Het Nypelsplantsoen. Een naam die in Nieuwegein van alles oproept. Achter de voordeuren stapelen problemen zich op, buiten worden jongeren geronseld. Sinds 2017 werkt de gemeente Nieuwegein met de integrale ‘Aanpak Nypels’, waarin zorg en veiligheid samen optrekken. Niet vanuit projecten of beleid, maar vanuit de praktijk: achter de voordeur, op de galerij en in de straat.
Niet alle bewoners zitten op deze ‘nieuwsgierige’ ambtenaren te wachten; die kregen te maken met intimidatie en bedreigingen. Toch geloven Nynke Joustra (projectleider Openbare Orde en Veiligheid), Jeroen Alberts (senior medewerker buurtaanpak Zorg en Veiligheid) en Joey van Meurs (beleidsmedewerker OOV) in deze aanpak. ‘Er zijn hier ook veel bewoners met talenten die willen bijdragen aan de wijk, maar soms niet weten hoe.’
Blik eens terug naar 2017. Wat troffen jullie aan?
Joustra: ‘Vier flats, 360 huishoudens, 90 per flatblok, 45 per portiek. Op dat moment was dit gebied eigenlijk in de greep van een behoorlijk criminele jeugdgroep. Ik heb het niet over wat hangjongeren, maar echt jongens die in de high impact crimes zaten, en deels ook in de drugshandel en alles wat daarbij komt kijken. Ze waren ook niet vies van intimidatie.
Het Nypels was al een aandachtsgebied. Er ging al best veel geld en menskracht naartoe, maar dat waren veelal incidentele middelen. De projectencarrousel draaide hier goed, maar onder de streep bleef het resultaat uit.
We hebben toen een globale analyse gemaakt van de flats. Heel basaal. Waar zitten de politiecontacten, de huurachterstanden, de leerplichtzaken of financiële problemen. Toen bleek dat gemiddeld 35 procent van de huishoudens bekend was bij één of meerdere basispartners vanwege problematiek. Dat trekt wel recht met de andere 65 procent van de bewoners, maar dat bleek in de praktijk dus niet zo te werken.’
Wij zijn eigenlijk een vertaalbureau tussen de leefwereld en de systeemwereld
Wat zijn jullie met die kennis gaan doen?
Joustra: ‘We weten eigenlijk onvoldoende, was onze conclusie. En als je onvoldoende weet, weet je ook niet of je het juiste doet. De enige manier om meer te weten te komen, is door echt bij mensen op de bank te gaan zitten en te gaan luisteren. Wij noemen dat leefbaarheidsgesprekken. Met als doel: we willen eigenlijk bij al die 360 huishoudens achter de voordeur komen, horen hoe mensen wonen, leven, werken, waar ze tegenaan lopen, wat goed gaat, waar talenten zitten. Toen we begonnen, dachten we: dat doen we wel even in een jaar, anderhalf jaar. Nou, vergeet het maar. Acht jaar verder zitten we op zo’n 85 tot 90 procent.’
Van Meurs: ‘Dat dit zoveel tijd kost, zit ook in ons uitgangspunt: wij zijn van alles. Dus als we bij iemand op de bank zitten en ze vertellen over een probleem − of dat nu over het afval, verlichting of iets anders gaat − dan moeten we daar ook iets mee. Je kan niet zeggen: bedankt voor uw verhaal. Wij zijn eigenlijk een vertaalbureau tussen de leefwereld en de systeemwereld: we halen signalen op en proberen die te vertalen naar wat er nodig is. En andersom leggen we uit hoe het systeem werkt.’
Wat komen jullie tegen?
Joustra: ‘Van alles. Armoede, psychiatrie, uitbuiting. Maar we voeren ook gesprekken met ouders die het lastig vinden om hun kinderen op te voeden in deze omgeving. We zijn ergens binnen geweest waar iemand in zijn woning moest koken voor een restaurant. Overal stonden horecakoelkasten, aan elkaar geplakt met duct tape. Of neem die oudere dame, die zal ik ook nooit meer vergeten. Haar huis stond vol met knuffelbeertjes. Terwijl wij daar zaten, kwam er een jonge gast aan de deur die zei: “Ik wil nu jouw auto lenen.” Hij schrok zich een hoedje toen hij ons zag zitten. Toen we later doorvroegen, bleek dit veel vaker te gebeuren. Ze betaalde ook boetes voor hem.’
Van Meurs: ‘Je loopt naar buiten en je hebt meteen tien dingen waarvan je denkt: hier moeten we iets mee. We laten ook altijd weten wat we precies doen of gedaan hebben. Dan kom je bij de volgende woning en begint het weer opnieuw. We laten ook in de openbare ruimte zien wat we doen. Bewoners zien dat we tassen met lege flessen buiten zetten voor een vereenzaamde mevrouw. Of dat we in een vervuilde woning helpen opruimen. En dan gaan mensen je anders benaderen. We zijn niet meer ‘het systeem’.’
Je moet willen zien wat er speelt, want veel mensen willen het niet zien
Joustra: ‘We zijn op huisnummerniveau bezig, maar we kijken ondertussen ook naar de grote lijnen die hierachter zitten. Dat maakt onderdeel uit van de methodiek die we inmiddels ontwikkeld hebben. We lopen vaak tegen het systeem aan; wie gaat hier nu over?
Afval kwam bijvoorbeeld in elk gesprek wel terug. Het was ook een grote bende, veel grofvuil op straat. Spullen werden soms vanaf de bovenste verdieping naar beneden gegooid. We hebben een keer een grote opruimactie gedaan; wat we toen allemaal niet tegenkwamen…
Maar we wilden dit dus structureel aanpakken. Een groot probleem bleken die afgesloten ondergrondse containers, die met een paslezer opengingen. Er werd zoveel afval naast die containers gezet. Bewoners wilden die wel weggooien, maar ze waren bang dat ze dan meer afvalheffing moesten betalen. Dat bleek niet zo te zijn. Onze oplossing: laten we die containers openzetten. Ha, dat bleek zo eenvoudig niet. We zijn daar een half jaar mee bezig geweest.’
Met wie werken jullie samen?
Van Meurs: ‘De aanpak Nypels is eigenlijk één grote samenwerking, met bestaande partners die al betrokken zijn, dus dat is de woningcorporatie, de politie, het brede welzijnswerk. Maar ook zorgpartijen en schuldhulpverlening. Eigenlijk iedereen die achter de voordeur komt. Je hebt elkaar nodig, want niemand ziet het hele plaatje. Juist door samen te werken en signalen te delen, krijg je beter zicht op wat er speelt en kun je ook eerder iets doen.’
Alberts: ‘Wat je nu vaak ziet, is dat er heel veel hulpverleners betrokken zijn bij één gezin. En die weten het soms niet eens van elkaar. Iedereen doet z’n eigen stukje, maar niemand heeft het totaaloverzicht. Dan gebeurt er dus eigenlijk van alles, maar verandert er weinig.’
Niet iedereen is blij met de aanpak rond de Nypelsplantsoen. Jullie kregen ook te maken met intimidatie en bedreigingen. Wat kwamen jullie tegen?
Joustra: ‘We hebben een bewoner gehad die juist iets wilde veranderen in de wijk. Hij zag elke avond vanaf z’n balkon jongens plastic tasjes in de bosjes verstoppen en die beste meneer begon filmpjes te maken. Maar het Nypels is het Nypels, dat wordt gezien. En daarop werd gereageerd. Zijn vrouw werd bedreigd, zijn zoontje werd onderweg naar het winkelcentrum lastiggevallen en zijn centjes werden afgepakt. Dit alles heeft enorme impact op het gezin gehad en zij zijn uiteindelijk verhuisd.’
Alberts: ‘Op het moment dat jij daar als overheid op gaat zitten en zegt: we gaan hier iets aan doen, dan raak je belangen. En dan komt er weerstand.’
Wat is het resultaat van deze aanpak?
Joustra: ‘Wat het ons vooral heeft gebracht, is dat we veel beter weten wat er echt speelt achter de voordeur. Op papier lijkt het vaak overzichtelijk, maar als je daar binnenkomt, zie je pas hoe complex levens zijn. Tegelijkertijd zie je ook hoeveel veerkracht en talent er zit. Dat vond ik misschien nog wel het meest opvallend: we kijken vaak naar problemen, maar er is ook zóveel potentieel dat onbenut blijft. Juist doordat we daar dichter op zitten, kunnen we daar ook iets mee doen.’
Dit is geen aanpak waarbij je snel resultaat ziet. Het is echt centimeterwerk.
Alberts: ‘We ondermijnen de voedingsbodem voor ondermijning. Ondermijning zit niet alleen in criminaliteit, maar juist in de omstandigheden daaromheen: armoede, schulden, wantrouwen, mensen die zich niet gezien voelen. Want zo gaat dat in de praktijk: een buurman zegt tegen z’n buurvrouw die het moeilijk heeft: ga vooral niet naar de gemeente, want dan halen ze je kinderen uit huis. Kom maar bij mij. Ik help je wel. Dan doe jij een keer een klusje voor mij. Of je zoon? Als je daar niets aan doet, blijft het bestaan. Door aanwezig te zijn, relaties op te bouwen en eerder te signaleren wat er speelt, proberen we dat stap voor stap kleiner te maken.’
Joustra: ‘Dit is geen aanpak waarbij je snel resultaat ziet, het is echt centimeterwerk. Je bouwt relaties op, je blijft terugkomen, je laat zien dat je betrouwbaar bent. Ondertussen leer je ook heel veel over je eigen systeem: waar het vastloopt, waar regels in de weg zitten, waar mensen tussen wal en schip vallen. We zijn daar beter in geworden. Uiteindelijk maakt dát dat je eerder kunt handelen en beter kunt aansluiten bij wat er nodig is.’
Alberts: ‘Een belangrijke tip: je moet willen zien wat er speelt. Want veel mensen willen het niet zien. Zolang het hen niet raakt, kijken ze weg.’
Tips uit Nieuwegein: wat kunnen andere gemeenten hiervan leren?
- Ga achter de voordeur: de werkelijkheid zit niet in systemen, maar in het dagelijks leven van bewoners.
- Werk vanuit vertrouwen én grenzen: wees nabij, maar wees ook duidelijk over wat wel en niet kan.
- Stop met de projectencarrousel: investeer in continuïteit en langdurige aanwezigheid.
- Organiseer je rondom de leefwereld: niet vanuit regels, maar vanuit wat mensen nodig hebben.
- Geef frontlijnprofessionals ruimte en rugdekking: zodat zij kunnen handelen op wat ze zien en ervaren.
Zaanstad op zoek naar de juiste balans tussen handhaven en helpen: ‘De menselijke maat staat niet voor soft zijn’
Méér aandacht voor mensen in de bijstand, betekent méér uitstroom. Daar is Aad Sweijen, hoofd Naleving bij de gemeente Zaanstad van overtuigd. Maar wie beter kijkt, ziet ook meer. ‘Uitkeringen zijn niet los te zien van de aanpak van ondermijning.’
Zaanstad heeft de samenwerking tussen afdelingen Werk en Inkomen en Naleving de afgelopen jaren ingericht. De kunst zit ‘m in de juiste balans tussen optreden en helpen, tussen handhaving en menselijke maat, zegt Rick Gonggrijp, coördinator van de taskforce met de veelzeggende naam Werken of Meedoen.
Wat zijn jullie anders gaan doen?
Sweijen: ‘We zijn een jaar of zeven, acht geleden echt anders gaan kijken. Toen constateerden we dat we sommige mensen in de bijstand al jaren niet hadden gesproken; soms al vijftien jaar niet. Dat kon zo niet langer. De gemeenteraad heeft toen unaniem besloten dat we iedereen in de bijstand minimaal één keer in de drie of vier jaar moeten spreken. Dat was het begin van een grote inhaalslag: er waren ongeveer 2.800 uitkeringen die we opnieuw gingen beoordelen op recht- en doelmatigheid. We wilden mensen in beeld krijgen, weer re-integreren. Dat zijn we gaan doen. En zo is de Taskforce Werken of Meedoen ontstaan.’
‘Die aandacht deed wonderen. Aandacht betekent per definitie méér uitstroom. Zeker als het om intensieve en persoonlijke aandacht gaat en we iemand ook echt blijven volgen. Dan ontstaat er een band. Ik heb het nu ook echt over de menselijke maat en over werken vanuit vertrouwen. Maar er zijn ook aardig wat burgers die niet te vertrouwen zijn. Daar moeten we niet naïef over zijn. Uitkeringen zijn niet los te zien van ondermijning. Wanneer een bijstandsconsulent nu het gevoel heeft dat er iets niet helemaal klopt, dan schakelt hij of zij Naleving in. Dan nemen wij het over.’
Het betekent niet dat we staan te dansen op het bureau wanneer we een uitkering beëindigen
Gonggrijp: ‘Dat is belangrijk, want die drempel om een onderzoek te doen naar onrechtmatige uitkeringen is echt een specialisme. Wij zijn daar volledig in geschoold. In gespreksvoering, in waarnemen, in volgen, in juridisch rapporteren. Hoe moet je iemand volgen? Welke vragen moet je wel of niet stellen? Hoe ga je om met agressie? Hoe maak je een tactisch plan? Alle mensen die bij ons werken hebben een handhavingsachtergrond.’
Sweijen: ‘Dit betekent niet dat we staan te dansen op het bureau wanneer we een uitkering beëindigen. We beëindigen pas als we daarover hebben nagedacht. Dat is de menselijke maat. Het is logisch nadenken: wat is het gevolg van je besluit? Help je iemand echt verder of maak je het probleem alleen maar groter?’
Gonggrijp: ‘Wat je vaak ziet bij andere gemeenten is dat bijstandsconsulenten twee rollen hebben: én helpen én controleren. Dan ben je van allebei een beetje en dat werkt niet.’
Aad Sweijen
Hoe ziet de praktijk in Zaanstad er nu uit?
Sweijen: ‘De bijstandsconsulenten zetten de bijstandsaanvragen waar iets vreemds mee is, door naar naleving en daarvan leidt 62 procent tot een afwijzing, intrekking of buiten behandeling. Mensen van ons team maken ook onderdeel uit van het interventieteam bij Het Pact in Zaandam-Oost, wat specifiek ook op de aanpak van ondermijning is gericht. Zij kennen de wijk echt door en door. Wanneer er een vreemde auto ergens staat, valt hen dat op.’
Gonggrijp: ‘Vanuit de nalevingskant zien we vooral kleine criminelen, veel drugsdealertjes. Zij willen allemaal een uitkering en een adres. Dan heb je voor de Nederlandse overheid inkomsten en word je met rust gelaten. Dat is wat er bij andere gemeenten vaak gebeurt. Een cliënt komt niet opdagen of wordt agressief, en dan denkt een consulent: laat maar zitten. Dan heb je het ultieme: iemand zit in de uitkering, is misschien crimineel actief en wordt met rust gelaten. Zo gaat dat hier niet. Wanneer een consulent op bankafschriften bijvoorbeeld veel tikkies van tien euro voorbij ziet komen, dan gaat er een belletje rinkelen en komt dat dossier bij ons terecht. Wij duiken erin en laten niet meer los.
Wanneer we veel tikkies van tien euro voorbij zien komen, dan gaat er een belletje rinkelen
We zien ook veel mensen die hier een briefadres hebben, maar ergens anders wonen. Zij hebben helemaal geen zin om op gesprek te komen, ze willen met rust worden gelaten. Dus ze gaan de boel frustreren: komen niet opdagen, hebben een grote mond. Maar dat werkt bij ons niet. We gaan aan die boom rammelen, we leggen een korting op. Soms zijn dat soort acties nodig om te laten zien dat we het menen.
Dit alles kost tijd. Wanneer iemand niet op komt dagen of zich ziek meldt bij een nieuw re-integratietraject, dan gaan we wel even thuis langs. Deze intensieve aanpak vraagt heel veel tijd.
We hebben nu met de raad afgesproken dat we 800 dossiers per jaar kunnen oppakken. Daarvoor zijn we uitgebreid met 10,6 fte. We zitten nu op 36 mensen bij naleving. Dit zijn aantallen waar collega’s in andere gemeenten vaak jaloers op zijn. Maar dit stelt ons in staat om op deze manier te werken.’
Rick Gonggrijp
Wat levert dit allemaal op?
‘Toen we hiermee begonnen ging de helft van de uitkeringen naar Zaandam-Oost en dat is sinds vorig jaar niet meer het geval. Dat is niet alleen zo met de uitkeringen. We zien heel veel lijnen afbuigen. Al die maatregelen en alle samenwerkingen in Oost hebben dus effect. Instanties merken het ook, schuldhulpverlening neemt af. Er wordt ontzettend veel geld gestoken in scholen, in extra uren voor kansarme kinderen. Ik denk dat we echt bezig zijn met een kanteling, en daarom houden we ook zo vast aan deze aanpak.’
De aanpak van Zaanstad oogst niet alleen maar lof, in de media verschenen eerder verhalen over de ‘schaduwzijde van de keiharde aanpak van Zaanstad tegen ondermijning en hoe de gemeente ingrijpt in het privélevens van mensen.’ De jacht op ‘verdachte inwoners’ zou uit de hand lopen?
Sweijen: ‘We liggen onder een vergrootglas, dus we moeten altijd alert en scherp zijn op wat we doen. Dat het klopt en juridisch houdbaar is. We beginnen altijd met een aanleiding. Als die aanleiding er is, dan gaan we zorgvuldig te werk.’
Gonggrijp: ‘Wij hebben altijd te maken met regels: wanneer mogen we een onderzoek doen, wat is proportioneel. Maar een crimineel heeft maar één doel en dat is doorgaan met zijn activiteiten, geld verdienen. Die zal alles uit de kast trekken om dat te blijven doen. Kijk, dit is echt ingewikkelde materie, dat weet onze burgemeester ook. Gelukkig staat hij helemaal achter deze aanpak en die back-up is zo belangrijk. Het is toch een moeras waarin we roeren.’
Nella, Team Enkelband: ‘Vergeet de meiden niet!’
‘Er gaat nu heel veel aandacht naar criminele jongens, maar onderschat de meiden niet’, zegt de 29-jarige Nella. Ze weet waar ze over praat. De straat heeft haar geleerd hoe ze moest manipuleren, hoe ze moest overleven. ‘Dat is niet wie ik ben, dat weet ik inmiddels.’ De jonge moeder zet haar ervaringen nu in om jongeren te helpen.
Waar zal ze haar verhaal beginnen? Nella kijkt even rond in het appartement in Rotterdam. Hier woont ze nu sinds september. Met haar drie kinderen. De eerste maanden zaten ze nog zonder vloer, zonder gordijnen. Ze was nét aan haar opleiding voor ervaringsdeskundige Social work begonnen. Mbo-4. De instaptoets had ze al gehaald.
‘De kinderen sliepen bij mij op bed. De basisschool hoorde wat over onze woonsituatie en de directrice, een schat van een vrouw, heeft ons toen geholpen. School bleek een fonds te hebben en een mentor heeft nog de vloer mee gelegd. Nu is het helemaal netjes.’ Dat was nét voor de feestdagen. Ze vertelt hoe blij haar zoontje en dochters met de kerstboom waren. Er was zó lang niets te vieren geweest.
Ik ben geen dom meisje, maar ik heb wel domme dingen gedaan
Een nieuw huis, haar studie, de stageplek bij Team Enkelband, gericht op jongeren met een detentieverleden. Ze is trots op wat ze dit jaar heeft bereikt. Op 13 januari 2025 kwam ze uit de gevangenis. Drugssmokkel. Gepakt onderweg van Curaçao. ‘Ik ben geen dom meisje, maar ik heb wel domme dingen gedaan’, blikt ze terug.
Jeugd
Het was niet de eerste keer dat ze vast zat. Op haar veertiende belandde ze in de jeugdgevangenis na een gewapende overval ‘in vereniging’. Het slachtoffer was een meisje waar Nella en haar vrienden ruzie mee hadden en dat liep enorm uit de hand. ‘Op die leeftijd wil je stoer doen, erbij horen. We waren veel met geld bezig, het ging altijd over geld maken.’
Ze had als kind al meegekregen dat geld alles was. Ze groeide op bij haar stiefvader en diens vriendin in Den Haag en ook daar ging het altijd over geld. Of beter: over het gebrek aan geld, over schulden. Haar stiefvader dealde, er waren altijd mensen over de vloer. Nella’s moeder woonde op Curaçao en zat vaak in detentie. ‘We belden vaak. Het was niet echt veilig opgroeien, we kregen weinig aandacht, soms klappen. Instanties gingen zich met mij en mijn broertje bemoeien.’
Woede
Nella groeide op tot een boos meisje, een woedende puber. ‘Ik begreep heel veel niet en ik vond heel veel niet eerlijk. Ik was zo opstandig. Nella nam haar broertje, die maar een jaartje jonger was, vaak in bescherming. Een verhuizing naar Curaçao maakte de situatie alleen maar erger. ‘Daar werden we echt verwaarloosd, mijn stiefvader werkte hele dagen als buschauffeur, wij moesten alles maar zelf uitzoeken.’
Het was haar moeder die de kinderen weer meenam naar Den Haag. ‘Ze was geschrokken hoe ze ons daar aantrof. We gingen weer terug naar Nederland, met een moeder die we eigenlijk nauwelijks kenden. We mochten alles van haar, haar nieuwe vriend was wel streng, dus dat werkte ook niet.’
De 13-jarige Nella hing veel op straat, kreeg ‘slechte vrienden’, spijbelde veel, dronk en gebruikte wiet. ‘Ik was altijd boos, ging vaak vechten. Meiden keken tegen me op, dat voelde goed. Ik was degene die altijd iedereen verdedigde. Ik heb een keer twee volwassen vrouwen geslagen, een hoop gedoe met de politie.’
Die woede heeft haar regelmatig in de problemen gebracht. Ze zette zich af tegen haar moeder, sliep vaak bij vrienden en kwam voortdurend in de problemen, met de gewapende overval als climax. ‘Dat was heel heftig, zat ik ineens vast.’
Ik wil niet dat mijn dochters ook weer mijn in voetstappen treden
Nadat ze haar straf had uitgezeten, kwam ze in jeugdinstellingen terecht. Kamertraining, gesloten instellingen. Ze liep vaak weg, speelde een kat-en-muisspel met de instanties, met haar voogd. ‘Niemand begreep me, niemand begreep mijn pijn. Dat straatleven deed me goed. Niet veel later raakte ik zwanger van m’n eerste dochter. Ik was 17.’
Ze is even stil. Ze zou het met de kennis van nu allemaal anders hebben aangepakt. Ze vertelt bijna zakelijk over de jaren die volgden, over de ex-vriend die haar vaak ‘helemaal’ in elkaar sloeg, over de geldproblemen, de toeslagenaffaire, de drugs. Over de vele pogingen op Curaçao en in Nederland om haar leven op te bouwen. Over de strijd in de rechtbank om het gezag van haar oudste dochter. Aan de muur vrolijke foto’s van haar drie kinderen. Ze wonen nu alle drie bij haar.
Masker
‘De laatste keer in detentie kwam het besef. Dit is niet mijn wereld, dit is niet wie ik ben. Ik ben gevormd door mijn familie, door verkeerde vrienden. Veel gedrag heb ik onbewust gekopieerd. Ik vond dingen normaal die helemaal niet normaal zijn. Maar ik wil dit leven niet, ik wil niet dat mijn dochters ook weer mijn in voetstappen treden’, klinkt het vastberaden. Ze leert nu stapje voor stapje zichzelf kennen. ‘Wie ben ik, wat vind ik belangrijk in het leven? Op de opleiding leer ik al mijn maskers te laten vallen, ze zijn niet meer nodig.’
Nog een jaar en dan heeft ze haar diploma ervaringsdeskundige op zak. Op school schrikken medestudenten soms van haar verleden. ‘Over welke ervaringen willen we het hebben’ zeg ik dan.’
Ze wil later met probleemmeiden gaan werken. ‘Ik weet wat ze meemaken. Waarom ze zo boos zijn op alles en iedereen. De kunst is om voorbij die boosheid te kijken. Daar zit vaak zo veel verdriet achter. Op een gegeven moment kreeg ik zelf het stempel ‘agressief’ en dan moest er een beveiliger met me mee als ik bij de gemeente kwam.’
Meisjes, vrouwen zijn niet alleen maar slachtoffer, zegt ze. ‘Het systeem leerde me soms wel me zo te gedragen. Maar ik zat helemaal niet te wachten op medelijden, de straat heeft me juist geleerd hoe ik moest overleven, hoe ik moest manipuleren. Je moet kunnen bluffen, mensen mogen niet ruiken dat je bang bent. Dat is een teken van zwakte en dan is het klaar.’
De kunst is om voorbij de boosheid te kijken. Daar zit vaak zo veel verdriet achter.
Wat voor haar het verschil had kunnen maken? ‘Daar denk ik vaak over na. Als er vroeger maar één iemand was geweest die er altijd voor me was, die niet wegging. Ik denk dat dit is wat heel veel meiden zoals ik was, nodig hebben.’
Toekomst
Ze kijkt met vertrouwen naar de toekomst. Ze wijst naar de foto van haar kinderen. Ook zij hebben al té veel meegemaakt, weet ze. Ze heeft afscheid genomen van de verkeerde mensen in haar omgeving en haar leven is rustig en kalm nu. ‘Dat vond ik in het begin heel beangstigend. Het is té stil, dacht ik dan. Er moest iets slechts gebeuren.’
De stage bij Team Enkelband helpt. ‘Ik heb heel bewust voor deze plek gekozen, ze werken met jongeren die ook uit de gevangenis komen. Oprichter Martin Miles en zijn collega’s geven me vertrouwen. Ze helpen me de muur die ik in al die jaren om me heen heb gebouwd, af te breken.’
- De naam ‘Nella’ is uit privacyoverwegingen gefingeerd.
Over Team Enkelband
Team Enkelband is opgericht in 2014 en biedt begeleiding aan kinderen, jongeren en volwassenen in de tijd na detentie. Missie: het verkleinen van de kloof tussen professionals en de doelgroep. Het team bestaat uit ervaringsdeskundigen die dezelfde taal spreken als de ex-gedetineerden. Met trainingen, workshops en consulten helpen zij hen weer de maatschappij in en voorkomen ze een terugval naar de criminaliteit. Daarnaast geven zij lezingen op scholen en instellingen, om het begrip voor vroegtijdige schoolverlaters, ‘probleem’-jongeren en ex-gedetineerden te vergroten.
Meiden minder vaak verdacht, maar wel jonger
In 2025 registreerde de politie in Nederland bijna 16.000 minderjarige verdachten van een misdrijf. Dat zijn er 12 procent minder dan in 2022. Minderjarigen vormen 11 procent van alle geregistreerde verdachten. Jongens worden nog altijd veel vaker verdacht dan meiden: bijna vier keer zo vaak. Wel worden meiden gemiddeld op jongere leeftijd als verdachte geregistreerd. In 2025 lag die piek bij meisjes op 15 jaar, met 74 geregistreerde verdachten per 10.000 15-jarige meiden. Bij jongens lag de piek op 18 jaar, met 317 per 10.000.
- Bron: ‘Opnieuw minder minderjarige verdachten’ (CBS, maart 2026)
Documentaire en verhalenbundel ‘De dunne lijn’
In de documentaire ‘De dunne lijn’ ontmoet je Rosa en Santiago. Net als Nella kwamen zij op jonge leeftijd op het criminele pad terecht. Na lange gevangenisstraffen doen zij er alles aan om hun leven weer op orde te krijgen. In de bijbehorende verhalenbundel vertellen experts over de risicofactoren die kunnen leiden tot delict gedrag, over mogelijke oplossingen en de belangrijke rol die het sociaal domein daarin speelt.
Van weerstand naar kracht: omgaan met signalen van ondermijnende criminaliteit
Een inwoner met schulden, maar met dure spullen, waar nog maar één hulpverlener over de vloer komt. Hoe kwetsbaar en afhankelijk is deze persoon eigenlijk? Jeroen Bakker en Kim van Dijsseldonk trainen professionals in het sociaal domein in anders kijken én handelen.
1. Kijk naar kwetsbaarheid en afhankelijkheid
Bakker: ‘Professionals in het sociaal domein moeten alert zijn op kwetsbaarheid en afhankelijkheidsrelaties bij cliënten. Is er sprake van een kwetsbare situatie? Is een cliënt sterk afhankelijk van anderen? Dat is de voedingsbodem. Pas later kom je bij signalen van ondermijnende criminaliteit, zoals uitbuiting of zorgfraude en zorgcriminaliteit. En dat betekent dus anders kijken.’
Van Dijsseldonk: ‘Heeft iemand voldoende inkomen en klopt de leefstijl wel met dat inkomen? Als iemand in armoede leeft, maar wel de duurste spullen heeft, dan gaan de alarmbellen af. Heeft iemand een sociaal netwerk? Hoeveel hulpverleners zijn er actief? Is iemand juist heel eenzaam? Wanneer iemand een klein netwerk heeft, dan kan iemand ook eerder afhankelijk worden van één persoon. Dat kan ook een hulpverlener zijn. Die afhankelijkheid kan ervoor zorgen dat de cliënt bijvoorbeeld geen klacht durft in te dienen.’
2. Erken het dilemma: vertrouwen versus veiligheid
Van Dijsseldonk: ‘Professionals willen het vertrouwen van hun cliënt ook niet schenden. In de beroepscode van sociale professionals zit geheimhouding als basishouding. Dat doorbreek je niet zomaar. Bij situaties zoals huiselijk geweld zie je dat professionals sneller melden, omdat dan de veiligheid in het geding is. Maar wat als je cliënt dader is, of strafbare dingen doet? Dan wordt het ingewikkeld. Laat staan als een cliënt zowel dader als slachtoffer is. Hulpverleners hebben geen opsporingsplicht. Dan moet je echt afwegen: wat weegt zwaarder? Het belang van je cliënt, of het maatschappelijk belang en de veiligheid van anderen én de cliënt?’
Bakker: ‘Ik heb meegemaakt dat een hulpverlener bij een cliënt een vuurwapen zag liggen. Hij dacht: als ik dit meld, dan ben ik het contact kwijt en komt er niemand meer in dat gezin. Dus hij maakte vanuit zijn rol eigenlijk een begrijpelijke keuze. We horen vaak dat professionals twijfelen: heb ik het wel goed gezien, moet ik dit wel melden? Maar het gaat om die optelsom van kwetsbaarheid, afhankelijkheid, gedrag en context.’
Wat weegt zwaarder? Het belang van je cliënt, of het maatschappelijk belang en de veiligheid van anderen én de cliënt?’
Van Dijsseldonk: ‘We laten mensen in onze training echt stoeien met dat afwegingskader. Wat zijn de feiten? Wat is het onderbuikgevoel? Hoe onderbouw je je keuze? Het is natuurlijk allemaal niet zwart-wit, maar je kunt wel leren om je afwegingen expliciet te maken. Met dit soort dilemma’s moet je ook niet in je eentje blijven rondlopen. Overleg met een collega van veiligheid; die kijkt weer vanuit een ander perspectief naar de situatie.’
3. Zorg dat duidelijk is waar je kunt melden
Bakker: ‘Wat gebeurt er als we melden? Wat gebeurt er als we niet melden? Ook dit soort scenariodenken helpt enorm. En soms is de uitkomst dat je bewust nog niets doet, maar dan is het wel een gezamenlijke afweging.
We horen terug dat professionals vaak wel eens iets hebben gezien, maar niet weten wat ze ermee moeten en waar ze dit kunnen melden. Het moet voor iedereen binnen een gemeente duidelijk zijn waar ze met signalen terecht kunnen. Ondermijning is een hot topic, maar uiteindelijk gaat het om de vraag: wat kan en ga jij doen in jouw rol? Het gaat om dat handelingsrepertoire. Wat betekent de aanpak van ondermijning concreet voor jouw handelen als professional.’
4. Bespreek casuïstiek samen met veiligheid én zorg
Van Dijsseldonk: ‘Zet professionals van veiligheid en sociaal domein regelmatig bij elkaar. Bespreek concrete casuïstiek. Ze kijken echt met een andere bril. Het is niet zo dat één perspectief leidend is, maar het is belangrijk om ze naar naast elkaar te zetten. Dat is ook wat er in onze trainingen gebeurt: de twee werelden worden meer met elkaar verbonden en collega’s gaan elkaar beter begrijpen. Het helpt om dilemma’s samen te bespreken. Het is geen wiskundige formule, maar maatwerk per casus. En dat betekent dat je met elkaar moet blijven nadenken: wat zien we, wat betekent dat en wat gaan we doen?’
Zet professionals van veiligheid en sociaal domein regelmatig bij elkaar. Ze kijken echt met een andere bril.
5. Stop met ‘ondermijning als spelletje’
Bakker: ‘Ondermijning is geen spelletje. Ik zie trainingen met escaperooms en nagebouwde drugslabs, maar bewustwording en kennisvergroting realiseer je niet alleen door een spel. Dit soort activiteiten zijn leuk en spannend, maar het heeft allemaal weinig met het echte werk te maken. Iedereen weet inmiddels wel hoe een hennepkwekerij eruitziet of ruikt. Het gaat erom dat je het hele verhaal dat achter ondermijnende criminaliteit schuilgaat, begrijpt. Dat betekent dat je onder de motorkap kijkt en het gesprek aangaat met de persoon tegenover je.’
Van Dijsseldonk: ‘Het echte vakmanschap zit in doorvragen. Hoe komt iemand aan zijn geld? Van wie is die woning? Wie beïnvloedt iemand? Het is altijd complex en verweven met iemands leven. Daarom moet je goed leren kijken en goed luisteren.’
Training ‘Van weerstand naar kracht’
De training ‘Van weerstand naar kracht: omgaan met signalen van ondermijnende criminaliteit’ is een samenwerking van Divosa, GOUDTrainingen en IMW Regio Tilburg. De trainers zijn experts in het veiligheids- en sociaal domein.
Jeroen Bakker is een ervaren onderwijskundige en adviseur op het gebied van veiligheid, ondermijning en weerbaarheid. Altijd met een praktijkgerichte insteek, verfrissende methodieken en creatieve invalshoeken, afgestemd op de doelgroep. Met opdrachtgevers als de politie, het OM, het RIEC, Dienst Justitiële Inrichtingen, provincies, waterschappen en diverse gemeenten, is Jeroen een doorgewinterde professional en verbinder, gespecialiseerd in ondermijning.
Kim van Dijsseldonk is manager van het kenniscentrum IMW regio Tilburg. Samen met haar team heeft ze programma’s ontwikkeld voor de post hbo-jeugdprofessional, de leerlijn diversiteit & inclusie, methodisch werken en de beroepscode sociaal werk.
Uit Sprank Magazine: Re-integratieofficier Bart Reedijk: ‘Het is een kleine moeite om je in te leven in de ander’
Bart Reedijk (l) en Hans Bosselaar • uit Sprank Magazine, december 2025 • tekst: Laura Cuijpers • foto: Nadine van den Berg
'Ik ben ooit in Den Haag begonnen met een nieuwe aanpak voor ex-gedetineerden', vertelt Bart Reedijk. 'Dat waren jongeren die een wat zwaarder misdrijf op hun naam hadden en een toekomst als draaideurcrimineel voor de boeg. Maar ik geloof in mensen. Er zit vaak veel meer in hen dan je denkt.'
Wat begon als pionieren in Den Haag, zette hij voort in de gemeente Dordrecht. Daar startte hij als de eerste re-integratieofficier van Nederland. In die functie begeleidt hij ex-gedetineerden om een succesvolle terugkeer in de maatschappij te realiseren en recidive te voorkomen. 'Bij de jongeren zijn veel hulpinstanties betrokken: reclassering, gemeente, sociale dienst… Het is belangrijk dat iemand de regie heeft en eigenaarschap toont. En dan bedoel ik niet iemand die als een luchtverkeersleider op afstand achter een bureautje zit. Ik heb contact met het hele netwerk, inclusief de cliënt zelf. Zo behaal je veel betere en veel snellere resultaten.'
Gedaankrijgers
De aanpak leidde in Dordrecht tot een forse daling van recidive onder jonge ex-gedetineerden. Naast zijn werk als re-integratieofficier werkt Reedijk sinds 2023 samen met bestuurskundige Hans Bosselaar van de Vrije Universiteit Amsterdam. Onder de naam ‘Gedaankrijgers’ leren ze professionals om effectief te werken in complexe systemen, te doen wat nodig is en zich niet te veel door regels te laten leiden.
Bosselaar: 'Bij meervoudige problematiek werken veel professionals samen, met allemaal een eigen specialisme. Als wetenschappers zien we dat dit slecht werkt. Ze spreken elkaars taal niet en hebben vaak ook een ander belang. De medewerker van de sociale dienst wil iemand bijvoorbeeld een training laten volgen die net is ingekocht. Maar een andere professional denkt dat het beter is om te beginnen met een leertraject of verslavingszorg. Niet alle professionals kunnen omgaan met die verschillende belangen en perspectieven.'
Zakelijk empathisch
Reedijks advies: bedenk vooral wat het belang is van de professional die tegenover je zit. 'Een voorbeeld: een jongen die zeven maanden had vastgezeten, mocht niet meer terugkomen op school. Ondanks eerdere afspraken. In plaats van de school daarop aan te spreken, vroeg ik door. Waarom zijn jullie ineens van gedachten veranderd? Er bleek een andere jongen na zijn detentie veel overlast te veroorzaken in de klas. Toen hebben we afgesproken dat we het een half jaar uitproberen en dat ze mij mogen bellen bij problemen. Het is een kleine moeite om je in te leven in de ander. En het was meteen geregeld.'
Empathie is een van drie competenties van professionals die goed kunnen omgaan met complexe systemen, beaamt Bosselaar. 'Je moet je kunnen inleven in die klantmanager of schoolbestuurder.' Een groot netwerk is ook handig. 'Veel van onze kandidaten scoren heel slecht op netwerken. Mijn tip is: zoek mensen met wie je op één lijn zit en werk met hen samen. Niet met de organisatie als geheel.'
Zonder visie val je snel terug op productienormen of de waan van de dag
Systeemwereld loslaten
De derde competentie is creativiteit. Bosselaar: 'Op het terrein van werk en inkomen is er een op productie gerichte en bedrijfsmatige cultuur ontstaan. Dat heeft de creativiteit een beetje de kop ingedrukt.' 'Ik zie bij onze trainingen vaak mensen die het werkgeluk zijn kwijtgeraakt. Dat is jammer', vult Reedijk aan.
Bosselaar: 'Professionals zitten soms met een caseload van vijftig cliënten. Ze gaan van overleg naar overleg met het idee: ik ga aan tafel zitten, vertel wat onze organisatie doet en wat ik nodig heb, en dan heb ik mijn ding weer gedaan. In plaats van met creativiteit en eigenaarschap een oplossing zoeken. Leidinggevenden zijn hieraan ook gewend geraakt. In medewerkers zit veel creativiteit, maar geef je hun de ruimte en waardeer je het ook als ze het anders doen?'
Denk daarbij aan rugdekking van bovenaf, zegt Reedijk. 'Toen ik net was gestart als re-integratieofficier, was dat soms wennen voor partijen. Ik ga weleens buiten de geijkte kaders. Toenmalig burgemeester Wouter Kolff gaf mij alle vertrouwen om te doen wat nodig was.'
Eyeopener
'Kies als leidinggevende een paar belangrijke thema’s waarop je je gaat richten', gaat Reedijk verder. Bosselaar: 'Zonder visie val je makkelijker terug op productienormen of de waan van de dag. Combineer dit met dienend leiderschap en je bent een heel eind. Bespreek met je team: als we die kant op willen, hoe gaan we dat doen? Al begin je maar met vaker bij elkaar binnenlopen.'
De training van ‘Gedaankrijgers’ is volgens Bosselaar vaak een eyeopener. 'Deelnemers zeggen meteen: ik ga het maandag anders doen. Die caseload ligt er dan natuurlijk ook weer. Maar ik denk echt dat veel mensen zich een nieuwe manier van werken eigen kunnen maken. Het is een kwestie van beginnen.'
Colofon
Divosa
Aidadreef 8 | 3561 GE Utrecht
Postbus 9563 | 3506 GN Utrecht
030 233 23 37
info@divosa.nl
www.divosa.nl
Auteur
Jessica Maas
Fotografie
Bas Losekoot
Web- en eindredactie
Remco van Brink (Divosa)
Versie
Mei 2026