Overslaan en naar de inhoud gaan

4 Impulsbudget sociale infrastructuur

1 Wat is het impulsbudget sociale infrastructuur?

Het budget vloeit voort uit de conclusies van het Berenschot-onderzoek, dat aantoont dat veel gemeenten en werkontwikkelbedrijven nog geen duidelijke toekomstvisie hebben of onvoldoende sturen op structurele vernieuwing.

De bijdrage start met € 35 miljoen in 2025 en loopt af naar € 19,8 miljoen in 2034. De middelen worden toegekend aan de grootste gemeente binnen een samenwerkingsverband rondom een werkontwikkelbedrijf. Het impulsbudget is tijdelijk geld, beschikbaar vanaf de meicirculaire 2025 tot en met 2034, met een totale looptijd van tien jaar. De bijdrage wordt uitgekeerd via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten en is bedoeld als impuls voor de transitie en transformatie van de sociale infrastructuur.

Het is van groot maatschappelijk belang dat er een toekomstbestendig vangnet en een springplank blijven bestaan voor inwoners die ondersteuning nodig hebben. Zodat zij (weer) aan het werk kunnen en zich blijven ontwikkelen. Het impulsbudget draagt hieraan bij door gemeenten en werkontwikkelbedrijven te ondersteunen in het versterken en vernieuwen van hun aanpak.

2 Is het impulsbudget vrij besteedbaar of is dit geoormerkt?

Het impulsbudget is formeel vrij besteedbaar, omdat het via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten wordt uitgekeerd. Dat betekent dat het ministerie van SZW het gebruik van het budget niet juridisch kan afdwingen of corrigeren, ook niet als het aan andere doelen wordt besteed.

Toch is de inzet van het impulsbudget niet vrijblijvend. Tussen het Rijk, de VNG, Cedris en Divosa zijn heldere bestuurlijke afspraken gemaakt waarin het doel van de middelen specifiek benoemd staat. Daarnaast worden de middelen uitgekeerd aan de grootste gemeente binnen een samenwerkingsverband rondom een werkontwikkelbedrijf. Daarmee zal ook vanuit de andere gemeenten druk ontstaan om de middelen aan het doel te besteden. Van gemeenten wordt verwacht dat zij samen met hun werkontwikkelbedrijf een plan opstellen voor de transitie van het werkontwikkelbedrijf of de bredere sociale infrastructuur.

Deze verwachting wordt ondersteund met concrete hulp: een landelijk adviesteam, handreikingen, en een lerend netwerk. Er wordt daarnaast een moreel appel gedaan op gemeenten om het budget in te zetten waarvoor het bedoeld is. Niet omdat het moet, maar omdat de toekomst van deze sector het vereist. Gemeenten die al verder zijn, worden uitgenodigd hun kennis en werkwijzen te delen zodat anderen daarvan kunnen leren.

3 Is een plan voor een toekomstbestendige sociale infrastructuur verplicht?

Een plan is niet wettelijk verplicht, maar wordt wel nadrukkelijk verwacht op basis van bestuurlijke afspraken. Gemeenten worden opgeroepen samen met hun werkontwikkelbedrijf een plan op te stellen voor toekomstbestendige inzet van de middelen.

4 Hoe komen de impulsbudgetten bij gemeenten en werkontwikkelbedrijven terecht?

Het impulsbudget wordt uitgekeerd aan de grootste gemeente binnen een samenwerkingsverband rond een werkontwikkelbedrijf. Die gemeente draagt verantwoordelijkheid voor de inzet, in samenspraak met andere betrokken gemeenten. De middelen worden verdeeld op basis van de maatstaf ‘aantal personen in het doelgroepenregister; gemeentelijke doelgroep’.

5 Hoe gaan we om met gemeenten die géén centrumgemeente zijn binnen het samenwerkingsverband voor het impulsbudget?

Het impulsbudget wordt uitgekeerd aan de grootste gemeente binnen een samenwerkingsverband, niet per se aan de centrumgemeente. Gemeenten die het geld niet ontvangen, maar wel deelnemen aan het samenwerkingsverband, moeten met de ontvangende gemeente onderlinge afspraken maken over inzet, samenwerking en verantwoording.

De ontvangende gemeente blijft bestuurlijk verantwoordelijk voor de inzet van het budget en legt verantwoording af aan haar eigen gemeenteraad. Om samenwerking en transparantie te bevorderen, roept de VNG gemeenten op om met elkaar een werkbare ‘modus’ te vinden. 

6 Wat als gemeenten binnen een samenwerkingsverband de budgetten niet allemaal voor het beoogde doel willen inzetten?

Gaat het samenwerken of afstemmen niet vanzelf? Adviesteam Sociale Infrastructuur (Platform Sociaal Domein) helpt met strategisch advies. Zij beschikken over de experts die in de regio kunnen ondersteunen en adviseren. Het Lerend netwerk (Cedris en Divosa) is gericht op het leren van elkaar en het delen van inspirerende voorbeelden. In het tweede halfjaar van 2025 zullen zij bijeenkomsten organiseren met de meest belangrijke thema’s die nu spelen. Maar ook zij zijn benaderbaar voor vragen en ondersteuning. Het Adviesteam werkt zeer nauw samen met Divosa en Cedris. De partijen denken graag mee over een werkbare aanpak, ook richting meerdere gemeenteraden. Onder andere via bijeenkomsten, zoals Raad op Zaterdag biedt de VNG extra ondersteuning voor raadsleden bij dit onderwerp. Neem contact op via socialeinfrastructuur@de VNG.nl

7 Hoe zijn de afspraken met de impulsmiddelen als je met twee regio's samenwerkt, waarbij de Wsw wordt uitgevoerd door een andere regio dan de andere regelingen?

Bij de verdeling van het impulsbudget is in sommige gevallen rekening gehouden met situaties waarin een gemeente nog is aangesloten bij verschillende regio’s: één voor de uitvoering van de Wsw en een andere voor de bredere sociale infrastructuur. Waar mogelijk is het budget gesplitst over twee samenwerkingsverbanden.

Daarnaast wordt van gemeenten verwacht dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in beide richtingen: naar de uitvoerende organisatie die de Wsw nog verzorgt, en naar het nieuwe verband waarin zij de rest van de infrastructuur vormgeven. Het is van belang dat de uitvoering aan beide kanten goed blijft functioneren en dat middelen zorgvuldig worden ingezet tijdens deze overgang.

Contactpersoon