Informeel contact: fundament onder inburgering
Laatste update: 28 mei 2026Inleiding
Inburgering wordt in beleid vaak benaderd vanuit taal, werk en onderwijs. Dat zijn belangrijke pijlers, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Wie een nieuw leven opbouwt in Nederland, heeft meer nodig: contact met anderen, een gevoel van verbondenheid en toegang tot netwerken.
Juist daar ligt de kracht van informele netwerken. Dit zijn sociale verbanden waarin mensen elkaar ondersteunen, vaak vrijwillig en vanuit gedeelde ervaringen of interesses. Ze zijn laagdrempelig, gebaseerd op vertrouwen en bereiken groepen die voor formele organisaties soms moeilijk toegankelijk zijn. Tegelijkertijd is de samenwerking tussen formele organisaties en deze netwerken nog niet vanzelfsprekend, terwijl onderzoek (zie hoofdstuk 1) laat zien dat juist die combinatie leidt tot betere ondersteuning en meer impact.
Leeswijzer
Deze publicatie verkent hoe vanuit de samenleving georganiseerd informeel contact bijdraagt aan integratie, en wat dat betekent voor de praktijk van gemeenten en organisaties. Vier praktijkverhalen staan centraal en laten zien dat informeel contact geen bijzaak is, maar een essentieel onderdeel van integratie en dat het organiseren en versterken ervan vraagt om een andere manier van kijken en samenwerken. In hoofdstuk 1 wordt het belang van informeel contact verkend aan de hand van onderzoek en praktijkervaringen. Hier wordt ook het Indicators of Integration Framework geïntroduceerd als lens om breder naar integratie te kijken.
De daaropvolgende hoofdstukken laten zien hoe dit er in de praktijk uitziet. In hoofdstuk 2 staat ElanArt centraal, waar creatieve activiteiten jongeren helpen om elkaar te ontmoeten en zich te ontwikkelen. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe Integreren doe je samen! in een uitgestrekte gemeente werkt aan lokale netwerken en ontmoeting dichtbij huis. In hoofdstuk 4 laat Buddy to Buddy zien hoe één-op-één contact kan uitgroeien tot duurzame netwerken, en hoe dit op grotere schaal georganiseerd kan worden. En in hoofdstuk 5 stelt BOOST Amsterdam zichzelf voor, een ontmoetingsplek waar mensen vanaf dag één kunnen binnenlopen.
Inhoud
Informeel contact: fundament onder inburgering
Laatste update: 28 mei 2026Inleiding
Inburgering wordt in beleid vaak benaderd vanuit taal, werk en onderwijs. Dat zijn belangrijke pijlers, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Wie een nieuw leven opbouwt in Nederland, heeft meer nodig: contact met anderen, een gevoel van verbondenheid en toegang tot netwerken.
Juist daar ligt de kracht van informele netwerken. Dit zijn sociale verbanden waarin mensen elkaar ondersteunen, vaak vrijwillig en vanuit gedeelde ervaringen of interesses. Ze zijn laagdrempelig, gebaseerd op vertrouwen en bereiken groepen die voor formele organisaties soms moeilijk toegankelijk zijn. Tegelijkertijd is de samenwerking tussen formele organisaties en deze netwerken nog niet vanzelfsprekend, terwijl onderzoek (zie hoofdstuk 1) laat zien dat juist die combinatie leidt tot betere ondersteuning en meer impact.
Leeswijzer
Deze publicatie verkent hoe vanuit de samenleving georganiseerd informeel contact bijdraagt aan integratie, en wat dat betekent voor de praktijk van gemeenten en organisaties. Vier praktijkverhalen staan centraal en laten zien dat informeel contact geen bijzaak is, maar een essentieel onderdeel van integratie en dat het organiseren en versterken ervan vraagt om een andere manier van kijken en samenwerken. In hoofdstuk 1 wordt het belang van informeel contact verkend aan de hand van onderzoek en praktijkervaringen. Hier wordt ook het Indicators of Integration Framework geïntroduceerd als lens om breder naar integratie te kijken.
De daaropvolgende hoofdstukken laten zien hoe dit er in de praktijk uitziet. In hoofdstuk 2 staat ElanArt centraal, waar creatieve activiteiten jongeren helpen om elkaar te ontmoeten en zich te ontwikkelen. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe Integreren doe je samen! in een uitgestrekte gemeente werkt aan lokale netwerken en ontmoeting dichtbij huis. In hoofdstuk 4 laat Buddy to Buddy zien hoe één-op-één contact kan uitgroeien tot duurzame netwerken, en hoe dit op grotere schaal georganiseerd kan worden. En in hoofdstuk 5 stelt BOOST Amsterdam zichzelf voor, een ontmoetingsplek waar mensen vanaf dag één kunnen binnenlopen.
1. Hoe informeel contact het verschil maakt
In een buurthuis zitten mensen aan een tafel. Er wordt gekookt, gelachen, soms gezocht naar woorden. Iemand vertelt over een feest uit haar land, een ander legt uit hoe dat hier gaat. Wat begint als een activiteit, verandert langzaam in iets anders: vertrouwen, herkenning, contact.
Voor Iyad Sandid zijn dit de momenten die ertoe doen. ‘Hier voelen mensen zich verbonden’, zegt hij. ‘Niet omdat het is georganiseerd met dat doel, maar omdat het ontstaat.’ Sandid weet waar hij over praat. Hij kwam zelf naar Nederland als nieuwkomer, woonde in verschillende azc’s en werkt inmiddels als onderzoeker bij OpenEmbassy. Samen met Sandrine Lafay, co-directeur van de organisatie, onderzoekt hij hoe nieuwkomers hun plek vinden in Nederland. Niet vanuit systemen of beleid, maar vanuit ervaringen. Hun conclusie is duidelijk: zonder informeel contact blijft inburgering onvolledig.
Sandrine Lafay en Iyad Sandid van OpenEmbassy. Foto’s door Lize Kraan.
Meer dan een traject
Inburgering wordt vaak benaderd als een traject met duidelijke doelen: taal leren, werk vinden of onderwijs volgen. Het zijn noodzakelijke stappen, maar volgens Sandrine vertellen ze maar een deel van het verhaal. ‘Wat mensen zelf aangeven nodig te hebben, gaat verder dan dat’, zegt ze. ‘Het gaat ook over ergens bij horen, over je thuis voelen. En dat ontstaat niet alleen via formele trajecten.’ OpenEmbassy probeert juist dat bredere perspectief zichtbaar te maken. De organisatie verzamelt ervaringen van nieuwkomers en vertaalt die naar inzichten voor gemeenten en maatschappelijke organisaties. Centraal staat steeds dezelfde vraag: wat heb je nodig om een nieuw leven op te bouwen in een land?
Ten grondslag aan de manier waarop ze dat doen, ligt het zogeheten Indicators of Integration Framework. Dat model kijkt niet alleen naar werk en onderwijs, maar ook naar sociale relaties, gevoel van veiligheid en toegang tot de samenleving. Het laat zien dat sociale verbindingen geen bijzaak zijn, maar een fundament onder succesvolle inburgering. Iyad: ‘Je kunt alles goed organiseren voor nieuwkomers, maar zonder echte contacten blijven ze aan de rand staan.’
Bron: Indicators of Integration-framework (Ager & Strang), doorontwikkeld door OpenEmbassy voor toepassing in Nederland.
De missing link: contact buiten de les
Die conclusie wordt bevestigd in het meerjarige onderzoek Perspectief inburgeraar (2022–2025), uitgevoerd door Regioplan, OpenEmbassy en BMC in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit onderzoek evalueert de Wet inburgering 2021 vanuit de ervaringen van nieuwkomers en richt zich onder meer op maatschappelijke begeleiding, taalverwerving en participatie. Uit het onderzoek blijkt dat veel inburgeraars behoefte hebben aan meer mogelijkheden om de taal buiten de les te oefenen en contact te hebben met Nederlandstaligen. In de praktijk blijkt dat lastig. Contact is er vaak wel, maar blijft aan de oppervlakte. Een kort gesprek met de buurman, een uitwisseling met een vrijwilliger – waardevol, maar niet voldoende om echt onderdeel te worden van een gemeenschap. ‘Je ziet dat mensen wel contact hebben,’ zegt Sandrine. ‘Maar het is moeilijk om van een eerste kennismaking naar een echte relatie te gaan.’ Juist daar zit voor veel nieuwkomers de behoefte: niet alleen oefenen met taal, maar ook vriendschappen opbouwen, een netwerk creëren en ergens bij horen.
Omstandigheden creëren waarin contact kan ontstaan
Dat maakt informeel contact een ingewikkeld onderwerp voor gemeenten. Want hoe stimuleer je iets dat per definitie niet te plannen en vooral ook heel persoonlijk is? ‘Je kunt het niet afdwingen’, zegt Sandrine. ‘Maar je kunt wel omstandigheden creëren waarin het kan ontstaan.’ Volgens Iyad vraagt dat om een andere manier van kijken naar inburgering: ‘Zie het niet als een individuele opgave, maar als iets dat zich afspeelt tussen mensen. Inburgering is geen proces dat alleen bij de nieuwkomer ligt. De omgeving speelt net zo goed een rol. Als die gesloten blijft, wordt het moeilijk om contact te maken.’
Zie inburgering niet als een individuele opgave, maar als iets dat zich afspeelt tussen mensen.
Waar ontmoeting ontstaat
In de praktijk blijkt dat ontmoeting vaak ontstaat op plekken waar het niet expliciet over inburgering gaat. In een sporthal, een buurthuis, een creatieve workshop of een gezamenlijke activiteit in de wijk. ‘Vrije tijd is daarin belangrijk’, zegt Sandrine. ‘Omdat mensen elkaar daar ontmoeten als mens, in hun rol als nieuwkomer, inburgeraar of vrijwilliger.’ Dat maakt het makkelijker om contact te verdiepen. Wie samen kookt, sport of muziek maakt, heeft een gedeeld vertrekpunt. Vanuit daar ontstaat ruimte voor gesprek, voor uitwisseling, voor vertrouwen. Iyad ziet dat terug in de bijeenkomsten die hij begeleidt. Zoals de vrouwen die samenkomen om te koken en ervaringen te delen. ‘Het begint met iets eenvoudigs’, zegt hij. ‘Maar wat er gebeurt, is dat mensen elkaar ondersteunen. Dat ze zich minder alleen voelen. Dat heeft direct effect op hoe iemand zich voelt in een nieuwe omgeving.’
De stille kracht van informele netwerken
Veel van dit soort ontmoetingen vinden plaats binnen informele netwerken: initiatieven van bewoners, vrijwilligers en gemeenschappen zelf. Ze ontstaan vaak vanuit een behoefte om elkaar te ondersteunen en zijn daardoor laagdrempelig en toegankelijk. Juist die netwerken spelen een belangrijke rol in het bereiken van mensen die de weg naar formele instanties niet vinden of daar minder vertrouwen in hebben. Ze versterken sociale samenhang en dragen bij aan participatie en onderling vertrouwen. Tegelijkertijd zijn ze niet altijd goed zichtbaar. Gemeenten weten niet altijd wat er speelt, en nieuwkomers weten niet altijd waar ze terechtkunnen. ‘Er gebeurt vaak al heel veel,' zegt Sandrine. ‘Maar het is versnipperd. De uitdaging is om dat beter in beeld te krijgen en toegankelijk te maken.’
Niet het verschil in achtergrond staat centraal, maar wat mensen delen.
Begin bij de mensen zelf
De grootste uitdaging zit uiteindelijk niet in het creëren van contact, maar in het verdiepen ervan. Want waar een eerste kennismaking relatief snel ontstaat, vraagt een duurzame relatie om tijd, herhaling en vertrouwen. Onderzoek van OpenEmbassy, recent bijvoorbeeld in Maastricht, laat zien dat juist activiteiten waarin mensen samen iets doen, helpen om die stap te maken. Ze bieden een context waarin contact zich kan ontwikkelen tot iets duurzamers. Daarbij speelt gelijkwaardigheid een belangrijke rol. Niet het verschil in achtergrond staat centraal, maar wat mensen delen.
Een belangrijke les uit het onderzoek is dat initiatieven beter werken wanneer ze aansluiten bij de behoeften van nieuwkomers zelf. ‘Wat we vaak zien, is dat oplossingen worden bedacht zonder de mensen om wie het gaat’, zegt Iyad. ‘Dan sluit het niet goed aan.’ Daarom werkt OpenEmbassy met co-creatie: samen met nieuwkomers onderzoeken wat nodig is en hoe dat vorm kan krijgen. Dat leidt niet alleen tot betere oplossingen, maar draagt ook direct bij aan verbinding. ‘Het proces zélf brengt mensen bij elkaar’, zegt Sandrine. ‘Je bouwt al aan contact terwijl je samen iets ontwikkelt.’
Drie inzichten voor gemeenten om ruimte te maken voor informeel contact
De vraag is niet óf informeel contact belangrijk is, maar hoe je er als gemeente ruimte voor maakt. Deze drie inzichten helpen daarbij:
- Beleid: creëer de voorwaarden, niet het contact zelf
Zorg voor ruimte in beleid en financiering voor informele initiatieven en gedeelde ontmoetingsplekken (zoals buurthuizen of sportlocaties). Vermijd overregulering: contact laat zich niet afdwingen, maar wel mogelijk maken. - Uitvoering: maak ontmoeting concreet en zichtbaar
Professionals (bijvoorbeeld klantmanagers, participatiecoaches of welzijnswerkers) spelen een sleutelrol in het verbinden van mensen. Zij kunnen actief verwijzen naar activiteiten, zorgen dat aanbod begrijpelijk en toegankelijk is (bijv. meertalig) en nieuwkomers letterlijk de eerste stap laten zetten. - Samen: werk vanuit de leefwereld van mensen
Effectieve initiatieven ontstaan samen met nieuwkomers en lokale netwerken. Organiseer co-creatie (bijv. ontwerpsessies of wijkbijeenkomsten) en verbind formele en informele partijen, zodat ontmoeting niet iets naast het beleid is, maar er onderdeel van wordt.
Meer weten?
Vrouwelijke inburgeraars en de kracht van een netwerk (Divosa • mei 2026)
Versterking informele netwerken (Kennisplatform Inclusief Samenleven • augustus 2024)
2. ElanArt: hoe kunst jongeren verbindt en in beweging brengt
Op een maandagmiddag stappen jongeren uit een bus bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Even weg uit het azc. Binnen wachten een theaterzaal, muziekinstrumenten en andere jongeren. Studenten, vrijwilligers, leeftijdsgenoten. Voor even is er geen traject, geen stilstand, geen onzekerheid.
‘Het lijkt misschien klein’, zegt Masoud Rahaee, oprichter van ElanArt. ‘Maar voor deze jongeren is dit een uur zonder stress. Een uur waarin ze weer kunnen nadenken over wie ze zijn en wat ze willen.’ Het is precies daar, in dat soort momenten, dat ElanArt het verschil maakt. ElanArt is een stichting die jonge nieuwkomers via kunst en cultuur in contact brengt met de samenleving. Met projecten op het gebied van theater, muziek en beeldende kunst verbindt de organisatie nieuwkomers met studenten, vrijwilligers en professionals. Zo ontstaat ruimte voor ontmoeting, ontwikkeling en perspectief.
Milad en Masoud Rahaee van ElanArt. Foto door Lize Kraan.
Van oorlog naar kunst
Masoud weet uit eigen ervaring hoe groot de afstand is tussen aankomen en meedoen. Hij groeide op in Iran, maakte oorlog mee en vluchtte vanwege de repressie door het islamitische regime uiteindelijk naar Nederland. Jaren later kijkt hij terug op die periode als een tijd van verwarring en stilstand. ‘In een azc zit je vooral te wachten’, zegt hij. ‘Je zit veel in je hoofd. Er is weinig perspectief.’ Een onverwachte ontmoeting bracht daar verandering in. Via een begeleider kwam hij terecht op een kunstacademie. Dat bleek een keerpunt. ‘Daar gebeurde iets’, zegt hij. ‘Ik kreeg weer het gevoel dat ik iets kon. Dat ik iets kon opbouwen.’ Dat inzicht vormt de basis van ElanArt: ‘Als je jongeren perspectief wilt geven, moet je beginnen met ruimte. Ruimte om te ontdekken, te creëren en weer vooruit te kijken.’
Je bent ergens vandaan gevlucht, maar je bent nog nergens aangekomen.
De kloof overbruggen
Die ruimte is nodig, omdat er volgens Masoud een kloof bestaat tussen het leven in een azc en de Nederlandse samenleving. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. In het beleidsplan van ElanArt wordt die kloof scherp beschreven: jongeren raken hun gevoel van identiteit kwijt, leven in onzekerheid en hebben weinig mogelijkheden om zich te ontwikkelen. ‘Je bent ergens vandaan gevlucht’, zegt Masoud. ‘Maar je bent nog nergens aangekomen.’ ElanArt probeert die kloof te overbruggen door jongeren letterlijk en figuurlijk in beweging te brengen. Dat gebeurt via kunst en cultuur: theater, muziek, dans en beeldende kunst. Niet als doel op zich, maar als middel om contact te maken. ‘Kunst is een taal die iedereen begrijpt’, zegt Masoud. ‘Je hoeft niet eerst perfect Nederlands te spreken om mee te doen.’
Een eerste stap: uit het hoofd
Voor Milad, nu 22 en vrijwilliger bij ElanArt, begon het met een toevallige ontmoeting bij de receptie van het azc. Masoud sprak hem aan en nodigde hem uit om mee te gaan. ‘Eerst dacht ik: misschien volgende keer’, vertelt hij. ‘De tweede keer ging ik mee.’ Wat hij aantrof, was anders dan alles wat hij kende. Geen verplicht programma, maar een plek waar hij werd uitgenodigd om mee te doen. ‘Je komt uit een situatie waarin je alleen maar wacht’, zegt hij. ‘En ineens ben je ergens waar je wordt aangemoedigd om iets te doen, samen met anderen.’ Dat lijkt klein, maar het effect is groot. ‘Je komt in een andere modus’, zegt hij. ‘Je begint anders te denken. Over wat je kunt, wat je wilt.’
Van deelnemer naar maker
Wat ElanArt onderscheidt, is dat jongeren niet alleen deelnemen, maar mede vormgeven aan wat er gebeurt. Projecten worden samen bedacht en uitgevoerd. ‘Het is niet mijn project’, zegt Masoud. ‘Het is van iedereen.’ Dat maakt dat jongeren eigenaarschap ervaren. Milad herinnert zich hoe hij, zonder enige ervaring, terechtkwam in een theaterproject. ‘Ik had nooit gedacht dat ik op een podium zou staan’, zegt hij. ‘Maar iemand zei: probeer het gewoon.’ Die ervaring werkte door. Later stond hij zelfs op het podium bij een optreden voor koningin Máxima. Niet als toeschouwer, maar als deelnemer. ‘Dat soort momenten geven zelfvertrouwen’, zegt Masoud. ‘Dat iemand denkt: misschien kan ik dit wel.’
ElanArt in beeld
Samen muziek maken
Foto's door ElanArt
Sportactiviteiten
Theatervoorstelling Blue
Netwerken die deuren openen
Naast activiteiten draait ElanArt om iets anders: het bouwen van netwerken. Jongeren komen in contact met studenten, docenten, kunstenaars en organisaties. Dat gebeurt niet toevallig. ElanArt werkt actief samen met onder andere hogescholen, buurtcentra en bedrijven. Jongeren worden meegenomen naar plekken waar ze nieuwe mensen ontmoeten en nieuwe mogelijkheden zien. ‘Hun wereld wordt groter’, zegt Masoud. ‘Ze zien wat er mogelijk is.’ Voor veel jongeren is dat de eerste stap richting opleiding, vrijwilligerswerk of een baan.
Wat werkt – en waarom
Het succes van ElanArt zit niet in één aanpak, maar in een combinatie van elementen. Allereerst is er de nadruk op lichtheid. Waar veel initiatieven zich richten op verplichtingen en doelen, begint ElanArt bewust met ontspanning. ‘Je moet eerst iemand laten lachen’, zegt Masoud. ‘Dan ontstaat er ruimte.’ Vanuit die ruimte kunnen jongeren stappen zetten. Niet omdat het moet, maar omdat ze het zelf willen. Daarnaast is er de nadruk op gelijkwaardigheid. Jongeren worden niet benaderd als ‘deelnemer’ of ‘cliënt’, maar als maker, als talent. En tot slot is er de verbinding met de buitenwereld. Door activiteiten buiten het azc te organiseren, wordt de stap naar de samenleving kleiner.
Een uur verschil
Aan het einde van de middag stappen de jongeren weer in de bus. Terug naar het azc. Het wachten gaat door, de onzekerheid is niet verdwenen. Maar iets is veranderd. Masoud: ‘Ze komen terug met energie, met ideeën. Met plannen.’ Aan de buitenkant lijkt er weinig veranderd, maar van binnen gebeurt er iets wezenlijks. Juist daar zit de kracht: niet in het veranderen van de omstandigheden, maar in wat het bij mensen in beweging zet. ‘Als iemand weer gelooft dat hij iets kan’, zegt Masoud, 'dan begint het pas echt.’
Wat kunnen gemeenten leren van ElanArt?
Initiatieven zoals ElanArt laten zien dat het versterken van informeel contact vraagt om een andere blik op inburgering. Niet alleen sturen op taal en werk, maar ook investeren in ontmoeting, ontwikkeling en netwerkvorming. Dit kun je als gemeente doen om vergelijkbare initiatieven te versterken:
- Samenwerking die blijft
Niet alleen losse projecten, maar duurzame samenwerking en vaste afspraken tussen gemeenten en partners. - Ruimte om te doen wat werkt
Vertrouwen in een aanpak die begint bij ontmoeting en ontwikkeling, ook als resultaten niet direct zichtbaar of meetbaar zijn. - Ondersteuning in de praktijk
Denk aan toegang tot locaties, het verbinden met lokale netwerken en het actief doorverwijzen van deelnemers.
Milad en Masoud Rahaee van ElanArt. Foto door Lize Kraan.
3. Integreren doe je samen!: de kracht van lokaal verbonden zijn
De eerste keer dat Khadija binnenstapt, begrijpt ze weinig van wat er gezegd wordt. De woorden gaan te snel, de omgeving is nieuw, het voelt onwennig. Ze is net in Nederland en alles moet nog beginnen. Tot ze iemand ontmoet die haar taal spreekt. Het zijn precies die momenten waar Integreren doe je samen! om draait: laagdrempelige ontmoetingen waarin contact vanzelf ontstaat. Voor Khadija begon het daar. ‘Toen ging de deur voor mij open’, zegt ze. ‘Eindelijk kon ik gewoon praten.’
In Koerdistan werkte Khadija als docent. In de gemeente West Betuwe moest ze opnieuw beginnen. De taal, de systemen, het ontbreken van een netwerk: alles was nieuw. Via de activiteiten van Integreren doe je samen! kwam ze stap voor stap in contact met anderen. Ze leerde de taal in de praktijk en bouwde een netwerk op. Inmiddels is ze zelf actief als vrijwilliger, onder andere bij een van de taalkringen, maar ook in een tweedehands winkel. ‘Nu kan ik weer iets doen’, zegt ze. ‘Dat is belangrijk voor mij.’ Haar ontwikkeling laat zien wat informeel contact kan betekenen: niet alleen voor taal, maar ook voor zelfvertrouwen en participatie.
Khadija, Marijke en Manon van Integreren doe je samen! Foto door Lize Kraan.
Een netwerk als opstap
Integreren doe je samen! ontstond vanuit een lokale beweging na de onrust rond de komst van een azc in Geldermalsen. Een groep inwoners besloot dat het anders moest: als mensen zich niet welkom voelen, komt integratie niet op gang. Het initiatief is in tien jaar uitgegroeid tot een netwerk van ruim honderd vrijwilligers in de gemeente West Betuwe. De organisatie bereikt een groot deel van de statushouders in de regio en fungeert als een zogenoemd ‘opstapnetwerk’: een plek waar mensen binnenkomen, contact leggen en hun weg verder vinden. Nieuwe inwoners komen niet toevallig binnen. Via de gemeente, welzijnsorganisaties en eerder VluchtelingenWerk krijgt de stichting zicht op wie er nieuw is in de gemeente. Vaak worden mensen al in de eerste weken uitgenodigd of zelfs meegenomen naar de locatie om kennis te maken. De aanpak is breed. Nieuwe inwoners krijgen praktische ondersteuning, zoals een tweeedehands startfiets en huisraad, maar het zwaartepunt ligt bij activiteiten en ontmoeting. ‘We gebruiken die eerste stap om contact te maken’, zegt voorzitter Marijke van den Bosch. ‘Daarna gaat het om meedoen.’
Dichtbij maakt verschil
De gemeente West Betuwe telt meer dan twintig kernen, verspreid over een groot gebied. Voor nieuwkomers zonder netwerk of vervoer kan dat een drempel vormen om anderen te ontmoeten. Daarom organiseert de stichting als het even kan activiteiten op meerdere locaties en wordt bewust ingezet op lokale aanwezigheid. Taalkringen, fietslessen en soms een aanschuiftafel vinden plaats in verschillende dorpen. Ook taalmaatjes worden vaak in het eigen dorp gekoppeld. ‘Als iets dichtbij is, ga je sneller’, zegt Marijke. ‘Dat maakt echt verschil.’
Alleen formeel werkt niet. Maar alleen informeel ook niet. Het moet samenkomen.
Informeel als aanvulling
De kracht van het initiatief zit in de informele werkwijze. Waar formele trajecten zich richten op taal, werk en regelgeving, richt Integreren doe je samen! zich op het dagelijks leven: ontmoeten, meedoen en begrijpen hoe dingen werken. ‘Alleen formeel werkt niet’, zegt Marijke. ‘Maar alleen informeel ook niet. Het moet samenkomen.’ De stichting vervult daarin een verbindende rol. Ze brengt statushouders in contact met inwoners en taalmaatjes en verwijst waar nodig door naar professionele ondersteuning. Andersom werkt het ook: signalen die tijdens activiteiten naar boven komen – bijvoorbeeld over huisvesting, gezondheid of regelingen – worden opgepakt en gedeeld met gemeente of welzijnswerk. Ook is er contact met uitvoerders, zoals welzijnswerkers en andere begeleiders, die deelnemers doorverwijzen of aansluiten bij activiteiten. Die rol omschrijven ze zelf als ‘smeerolie’: een schakel tussen formele systemen en het dagelijks leven, die helpt om mensen daadwerkelijk in beweging te krijgen.
Drie vormen van contact
In de praktijk richt het netwerk zich op drie typen verbindingen: contact met mensen met een vergelijkbare achtergrond, contact met andere inwoners en contact met formele instanties. Die combinatie blijkt belangrijk. Nieuwkomers bouwen eerst vertrouwen op in herkenbare contacten, waarna de stap naar een breder netwerk en formele structuren kleiner wordt.
De activiteiten vormen de kern van het netwerk. Inloopochtenden, taalkringen, fietslessen, kookworkshops en gezamenlijke evenementen zorgen voor regelmatige ontmoeting. Tijdens taalkringen oefenen deelnemers de taal en bespreken ze thema’s uit het dagelijks leven. Tegelijkertijd ontstaan er contacten en vriendschappen. Ook praktische activiteiten, zoals fietslessen en gezamenlijke maaltijden, dragen bij aan participatie en zelfredzaamheid.
Mensen helpen elkaar, stellen vragen, zoeken elkaar op.
Die activiteiten vormen de kern van het netwerk – en precies daar ziet vrijwilliger Manon Koster wat het oplevert. Via haar werk in het onderwijs rolt ze erin; inmiddels koppelt ze taalmaatjes en begeleidt ze activiteiten. Tijdens een taalkring ziet ze hoe snel het kan gaan: eerst nog zoekend naar woorden, even later wordt er gelachen, helpen deelnemers elkaar en ontstaan er gesprekken die verder gaan dan taal alleen. ‘Je begint met taal’, zegt ze, ‘maar al snel gaat het over veel meer. Mensen helpen elkaar, stellen vragen, zoeken elkaar op.’ Juist de kleinschaligheid maakt daarin het verschil. Activiteiten in het eigen dorp verlagen de drempel om binnen te stappen – en zorgen ervoor dat contact blijft. Op jaarbasis gaat het om vele honderden contactmomenten en duizenden uren inzet van vrijwilligers.
Van deelnemer naar vrijwilliger
Een opvallend patroon is dat deelnemers na verloop van tijd zelf actief worden binnen het netwerk. Ongeveer een vijfde van de vrijwilligers heeft zelf een migratieachtergrond. Ook Khadija maakt die beweging. Wat begint als deelnemen, groeit uit tot bijdragen. ‘Je krijgt hulp, maar je geeft ook iets terug’, zegt ze. Een ontwikkeling die Manon vaker ziet. ‘Mensen ontdekken weer waar ze goed in zijn’, zegt ze. ‘Ze krijgen zelfvertrouwen en nemen steeds meer initiatief.’ Die wederkerigheid is volgens Marijke van den Bosch essentieel. ‘Het maakt mensen onderdeel van het netwerk.’
Integreren doe je samen! in beeld
Sinterklaasfeest samen met Help Elkaar, een stichting voor minima
Foto’s door Integreren doe je samen!
Zomerschool, gehouden in het voedselbos
Meehelpen met het fruitcorso, een traditie in de regio
Druk op de integratie
Tegelijkertijd staan de omstandigheden onder druk. Wachtlijsten voor woningen, onderwijs en gezinshereniging zorgen ervoor dat veel statushouders langer in een onzekere situatie blijven. Steeds vaker verblijven mensen in tijdelijke groepslocaties voordat ze een eigen woning krijgen, soms jarenlang. ‘Dat maakt het lastiger om echt te beginnen’, zegt Marijke van den Bosch. ‘Mensen blijven in een soort tussenfase.’ Juist in die periode speelt informeel contact een belangrijke rol. Het voorkomt stilstand en helpt mensen om actief te blijven, maar het is niet gemakkelijk om die informele contacten op te bouwen.
Een eerste stap
Voor Khadija begon het met één ontmoeting. Iemand die haar taal sprak, haar begreep en haar hielp de eerste stappen te zetten. Van daaruit groeide haar netwerk. Ze leerde, ontmoette en vond haar plek opnieuw. ‘Nu kan ik anderen helpen’, zegt ze. En precies daarin wordt zichtbaar wat het netwerk mogelijk maakt.
Wat vraagt dit van gemeenten?
Het verhaal van Integreren doe je samen! laat zien dat informeel contact een belangrijke bijdrage kan leveren aan integratie – juist waar netwerken niet vanzelf ontstaan. Zoals in hoofdstuk 1 beschreven, gaat het daarbij niet alleen om taal en werk, maar ook om sociale relaties, vertrouwen en meedoen in het dagelijks leven.
Voor gemeenten is dit vaak geen kerntaak, maar wel een kans om bestaande inspanningen te versterken. De samenwerking met initiatieven als dit vindt in de praktijk vooral plaats op uitvoeringsniveau en vraagt om een ondersteunende rol.
Wat helpt:
- Werk via de uitvoering
Zorg dat klantmanagers, welzijnswerkers en andere professionals initiatieven kennen en actief kunnen doorverwijzen en schakelen. - Faciliteer zonder over te nemen
Ondersteun met ruimte, locaties en verbindingen, maar laat de werkwijze en dynamiek bij het initiatief. - Investeer in continuïteit en vertrouwen
Vermijd korte projecten en strakke kaders; geef initiatieven de ruimte om relaties op te bouwen en te laten groeien.
Foto door Lize Kraan.
4. Buddy to Buddy: van één ontmoeting naar een eigen netwerk
Drie maanden woont Ehab in zijn nieuwe huis in Amersfoort als hij zich iets realiseert: mensen leren kennen gaat hier niet vanzelf. ‘Ik woonde in Nederland en ik groette mijn buren’, zegt hij, ‘maar ik kende geen Nederlander.’ Hij meldt zich aan bij Buddy to Buddy. Kort daarna schuift hij aan bij een matchingsdiner en ontmoet hij zijn buddy Julia. ‘Dat was de eerste keer dat iemand echt vroeg: hoe gaat het met je?’
Ehab en Julia spreken af. Eerst voorzichtig, daarna vanzelfsprekender. Ze wandelen, drinken koffie, praten. Eén keer per week, soms vaker. Die afspraken geven houvast. ‘Je kijkt ernaar uit’, zegt Ehab. ‘Het geeft energie.’ Langzaam verandert er iets. Hij spreekt makkelijker mensen aan, stuurt berichten, legt zelf contact. Na een paar maanden viert hij zijn verjaardag. Niet meer alleen, maar met een groep van bijna veertig mensen om zich heen. ‘Ik was niet meer alleen’, zegt hij. Via zijn buddy vindt hij ook weer aansluiting bij zijn vak. Hij loopt stage in de architectuur en vindt daarna werk. Maar wat hem het meest bijblijft, is iets anders. ‘Je krijgt niet alleen een buddy’, zegt hij. ‘Je krijgt een netwerk.’
Willemijn en Ehab van Buddy to Buddy. Foto door Lize Kraan
Hoe het werkt
Achter die ogenschijnlijk eenvoudige ontmoetingen zit een doordachte aanpak. Iedere deelnemer start met een intakegesprek. Daarin wordt niet alleen gekeken naar praktische zaken, maar vooral naar interesses, verwachtingen en motivatie. Op basis daarvan maken coördinatoren een match tussen een nieuwkomer en een inwoner. Die eerste ontmoeting vindt plaats tijdens een matchingsdiner. In een informele setting maken alle deelnemers kennis met elkaar. Pas daarna worden de definitieve koppels gevormd.
Vanaf dat moment trekken buddy’s vier maanden met elkaar op. Ze spreken gemiddeld één keer per week af en bepalen zelf wat ze doen: wandelen, koken, sporten of gewoon praten. Die ruimte is bewust. ‘Het moet geen vrijwilligerswerk worden’, zegt oprichter en directeur Willemijn Voorham. ‘Het gaat erom dat mensen elkaar echt leren kennen.’ Tegelijk is het traject niet vrijblijvend. Gedurende de vier maanden organiseert Buddy to Buddy groepsactiviteiten en ‘buddytalks’, waarin deelnemers ervaringen delen en vragen bespreken. Coördinatoren blijven betrokken en begeleiden waar nodig. Die combinatie van vrijheid en structuur blijkt cruciaal. ‘Je hebt tijd nodig om verschillen te overbruggen’, zegt Willemijn. ‘Maar ook kaders, zodat mensen het volhouden.’ Ehab herkent dat. ‘Je weet waar je instapt’, zegt hij. ‘Dat helpt.’
Dit verandert pas als mensen elkaar leren kennen.
Een eenvoudig idee
Het idee achter Buddy to Buddy ontstaat in 2015 in Zutphen. Willemijn ontmoet een vrouw die al jaren in Nederland woont, maar nog nooit bij iemand thuis is geweest. ‘Dat raakte me’, zegt ze. Niet lang daarna volgt een debat over de komst van een azc. Het gesprek verhardt. Het gaat over aantallen en zorgen, minder over mensen. ‘Ik dacht: dit verandert pas als mensen elkaar leren kennen.’ Ze zet een eenvoudig idee neer: koppel inwoners en nieuwkomers één-op-één, op basis van gelijkwaardigheid. Geen hulpverlening, maar contact. Binnen korte tijd meldden honderden inwoners zich aan.
Lokaal én landelijk
Wat begint in Zutphen groeit uit tot een landelijke organisatie. Inmiddels zijn er meer dan 17.000 buddy’s actief in tientallen gemeenten. De organisatie werkt volgens een social franchise-model. Dat betekent dat er een landelijke aanpak is, maar dat de uitvoering lokaal gebeurt. Elke stad of gemeente heeft een eigen team van coördinatoren en vrijwilligers. Zij kennen de lokale situatie, werken samen met partners en zorgen voor de uitvoering van het programma. Tegelijk bewaakt de landelijke organisatie de methodiek, ondersteunt nieuwe locaties en zorgt voor kennisdeling. ‘Het moet lokaal gedragen zijn’, zegt Willemijn. ‘Maar je wilt ook kwaliteit en continuïteit.’ Juist die combinatie maakt dat het concept werkt in uiteenlopende gemeenten – van grote steden tot kleinere plaatsen.
Je ziet mensen veranderen, ze worden opener, krijgen meer vertrouwen
Wat het oplevert
De impact is zichtbaar. Ongeveer 70 procent van de deelnemers houdt na afloop contact met zijn of haar buddy. Daarnaast groeit het netwerk van nieuwkomers. Tijdens het traject leren zij gemiddeld zes nieuwe mensen kennen, naast hun buddy. Het gaat dus niet alleen om één relatie, maar om toegang tot een bredere gemeenschap.
Voor Ehab blijft het niet bij één traject. Wat begint met een ontmoeting, verandert zijn richting. Hij werkt als architect, maar merkt hoe groot de impact van het buddycontact is – voor hemzelf en voor anderen. ‘Het verandert echt iets in je leven’, zegt hij. Hij neemt een besluit dat niet vanzelfsprekend is. Hij stopt met zijn werk als architect en gaat aan de slag bij Buddy to Buddy. Eerst als vrijwilliger, later als coördinator in Nijkerk en Utrecht. ‘Ik wilde iets doen wat echt verschil maakt.’ In die rol ziet hij dagelijks wat contact kan betekenen. Nieuwe koppels die elkaar ontmoeten. De spanning van het begin, en daarna de ontspanning. ‘Je ziet mensen veranderen’, zegt hij. ‘Ze worden opener, krijgen meer vertrouwen.’
Buddy to buddy in beeld
Foto’s door Buddy to Buddy
Wat vraagt dit van gemeenten?
- Geef ruimte, maar voorkom overregulering
Initiatieven als Buddy to Buddy werken juist omdat het contact informeel en gelijkwaardig is. Te veel regels, verantwoordingsdruk of verplichte formats kunnen dat ondermijnen. Ondersteun, maar laat de uitvoering bij de organisatie. - Investeer niet alleen in pilots, maar ook in continuïteit
Het opbouwen van vertrouwen en netwerken kost tijd. Tijdelijke subsidies of projectfinanciering zorgen voor onderbreking, terwijl juist langdurige inzet nodig is om impact te maken. - Versterk wat er al is en verbind met het sociaal domein
Lokale initiatieven hebben vaak al bereik en vertrouwen. Door hen actief te betrekken en te verbinden met formele partijen (zoals welzijn, onderwijs en werk), ontstaat een sterkere keten zonder dat het informele karakter verloren gaat.
Foto door Lize Kraan
5. BOOST Amsterdam: een plek waar je meteen mee mag doen
Geen verplichte formele trajecten, maar een warme, open plek waar mensen vanaf dag één kunnen binnenlopen, Nederlands oefenen, vaardigheden opdoen, een netwerk opbouwen of simpelweg koffie drinken: dát is BOOST Amsterdam. ‘Je hoeft hier niet eerst in een systeem te passen voordat je welkom bent’, zegt directeur Karin Arendsen.
Die openheid vormt al bijna tien jaar de kern van BOOST. In het buurtcentrum in Amsterdam-Oost lopen dagelijks meer dan honderdvijftig bezoekers binnen: nieuwkomers met- en zonder papieren, buurtbewoners, vrijwilligers, studenten en professionals. In de gezamenlijke ruimte wordt gegeten, ergens verderop begint een taalcafé en in een ander lokaal oefenen deelnemers met verkeersregels en fietsen in de stad of krijgen zij hulp geboden bij digitale vaardigheden.
Karin en Moneer bij BOOST Amsterdam. Foto door Lize Kraan.
Voor Moneer was BOOST een van de eerste plekken waar hij zich echt onderdeel voelde van de stad. Een vriend vertelde hem over de organisatie toen hij nog in een azc verbleef. Kort nadat hij naar Amsterdam verhuisde, stapte hij binnen. ‘Voor mij is BOOST Nederland’, zegt hij. ‘Ik ontmoet daar Nederlanders, maar ook mensen uit heel veel andere landen. Het is een plek waar je kunt leren, praten en jezelf ontwikkelen.’
Van burgerinitiatief naar ontmoetingsplek
BOOST ontstond in 2016, in een periode waarin veel mensen uit Syrië en Afghanistan naar Nederland vluchtten. Een groep Amsterdammers vond dat de opvang menselijker en kleinschaliger moest kunnen en startte eerst een opvanginitiatief. Al snel ontstond daarnaast de behoefte aan een plek waar nieuwkomers ook buiten het azc en tijdens hun inburgeringstraject contact konden leggen, de taal konden oefenen en hun weg in de stad konden vinden.
Die plek werd BOOST. Wat begon als een lokaal burgerinitiatief groeide uit tot een bruisende ontmoetingsplek met meer dan tweehonderd vrijwilligers en een breed programma: taalcafés, fietslessen, sportactiviteiten, creatieve workshops, een mamacafé en ondersteuning richting werk of opleiding. Maar volgens Karin draait het uiteindelijk niet om het aanbod zelf. ‘Het belangrijkste is dat mensen vanaf dag één mee mogen doen’, zegt ze. ‘Niet eerst jarenlang wachten tot alles geregeld is.’ Dat meedoen gebeurt bewust laagdrempelig. Er zijn geen ingewikkelde intakeprocedures of vaste trajecten. Mensen kunnen binnenlopen, aansluiten en zelf kiezen waar ze behoefte aan hebben. Volgens Karin zit juist daarin de kracht: ‘Als je heel lang niet mee mag doen, loop je een enorme achterstand op. Die haal je later bijna niet meer in.’
Een plek om te oefenen
Veel deelnemers komen in eerste instantie voor Nederlandse les. Dat gold ook voor Moneer. Maar al snel werd BOOST voor hem meer dan een plek om grammatica te oefenen. Hij hielp achter de bar, leerde nieuwe mensen kennen en begon zelf vrijwilligerswerk te doen. ‘Dat was in het begin spannend’, vertelt hij. ‘Maar het hielp me om opener te worden en meer met mensen te praten.’
Volgens Karin verschilt die aanpak wezenlijk van formele inburgeringstrajecten. Waar formele lessen vaak gericht zijn op examens en taalniveaus, probeert BOOST vooral een omgeving te creëren waarin mensen de taal vanzelf gebruiken in het dagelijks leven. Dat is bijna altijd maatwerk: het individu en diens taaldoelen in het dagelijks leven staan centraal. ‘Je leert een taal niet alleen uit een boek’, zegt ze. ‘Daarvoor moet je veel oefenen, in een veilige omgeving.’
Dat veilige oefenen blijkt belangrijk. Moneer merkt dat vrijwilligers hem bewust stimuleren om Nederlands te spreken, ook als Engels makkelijker zou zijn. ‘Ze spreken goed Engels’, zegt hij lachend. ‘Maar als ik in het Engels begin, doen ze alsof ze me niet begrijpen. Dan moet ik Nederlands proberen.’ Juist daardoor durfde hij steeds meer te praten. Niet alleen tijdens de lessen, maar ook aan de bar, tijdens activiteiten en in gesprekken met andere deelnemers. ‘Zo leer je woorden echt gebruiken’, zegt hij. ‘Niet alleen in de klas, maar gewoon met mensen.’
BOOST in beeld
Foto’s door Rasmus Starink
Volgens BOOST zit daar een belangrijke les voor gemeenten en aanbieders van inburgeringstrajecten. Informeel contact is geen extraatje naast inburgering, maar helpt mensen juist sneller taalvertrouwen op te bouwen en hun weg te vinden in de samenleving. Karin ziet regelmatig deelnemers binnenkomen die nog helemaal geen Nederlands spreken, die bij hen flinke stappen zetten voordat hun formele traject überhaupt begint: ‘Mensen komen bij ons binnen als ze nog geen Nederlands spreken en starten met hun inburgeringstraject op A2 of B1 niveau. Dat betekent een enorme versnelling tijdens je inburgering.’ Dat geldt ook voor Moneer. Inmiddels is hij begonnen aan zijn formele traject – op een hoger taalniveau dan waarmee hij binnenkwam.
Van deelnemer naar vrijwilliger
Wat BOOST bijzonder maakt, is dat deelnemers en vrijwilligers voortdurend van rol wisselen. Mensen die eerst deelnemer waren, geven later zelf les, organiseren activiteiten of begeleiden anderen. Daardoor voelt BOOST volgens Karin niet als een organisatie vóór nieuwkomers, maar als een gemeenschap waarin mensen samen verantwoordelijkheid dragen. Moneer ziet dit ook zo. Hij voelt zich onderdeel van de stad. ‘Bij BOOST voelde ik vanaf de eerste dag dat ik ergens hoorde’, zegt hij. Ook andere organisaties weten de plek inmiddels te vinden. In het gebouw organiseren maatschappelijke organisaties activiteiten en spreekuren, van medische ondersteuning tot informatiebijeenkomsten. BOOST groeide daardoor uit tot een centraal punt in de stad waar formele en informele ondersteuning samenkomen.
Bij BOOST voelde ik vanaf de eerste dag dat ik ergens hoorde
De samenwerking met de gemeente Amsterdam speelt daarin een belangrijke rol. De gemeente ondersteunt BOOST financieel, maar betrekt de organisatie ook steeds vaker als partner bij nieuwe vraagstukken rond integratie en participatie. ‘Ze kloppen bij ons aan als ze zien dat ergens een gat in het systeem ontstaat’, vertelt Karin. Volgens haar werkt die samenwerking juist omdat BOOST voldoende ruimte houdt om vanuit de praktijk te werken. Niet alles hoeft vastgelegd te worden in protocollen of trajecten. Soms begint participatie simpelweg met een plek waar mensen welkom zijn.
Wat kunnen gemeenten leren van BOOST?
BOOST laat zien dat informeel contact niet alleen bijdraagt aan welzijn en ontmoeting, maar ook aan taalontwikkeling, participatie en het voorkomen van moeilijk in te lopen achterstanden. Juist in de periode vóór of aan het begin van de formele inburgering kan dat verschil maken. Voor gemeenten ligt de meerwaarde daarom niet alleen in extra ondersteuning, maar ook in het versterken van wat formele trajecten vaak moeilijk kunnen bieden: dagelijks contact, oefenruimte, netwerkvorming en eigen regie.
Wat kunnen gemeenten concreet doen?
- Maak vroeg contact mogelijk
Wacht niet tot een formeel inburgeringstraject start. Zorg dat nieuwkomers vanaf dag één toegang hebben tot laagdrempelige ontmoetingsplekken, taalcafés en activiteiten in de stad of wijk. - Verbind uitvoering aan informele initiatieven
Zorg dat klantmanagers, welzijnswerkers en taalaanbieders weten welke initiatieven er zijn en actief kunnen doorverwijzen. Organiseer korte lijnen en regelmatig contact tussen formele en informele partijen. - Ondersteun zonder over te nemen
Help met structurele randvoorwaarden – zoals locaties, financiering en zichtbaarheid – maar laat ruimte voor de informele en open werkwijze die juist de kracht van dit soort initiatieven vormt.
Karin en Moneer bij BOOST Amsterdam. Foto door Lize Kraan.
Colofon
Divosa
Aïdadreef 8 | 3561 GE Utrecht
Postbus 9563 | 3506 GN Utrecht
030 - 233 23 37
info@divosa.nl
divosa.nl
Auteur
Frans van Hout
Fotografie
Door de initiatieven zelf en door Lize Kraan. Foto in header door Buddy to Buddy.
(Eind)redactie
Jet van Mierlo en Iris Ruijs
Webredactie
Maria Krikken
Yoni Kleiboer