Overslaan en naar de inhoud gaan

Korte analyse van de knelpunten

Voordat we de maatregelen op een rij zetten, kijken we eerst even terug. In (de financiering van) de jeugdwet zit een aantal weeffouten die je niet zelf kunt oplossen. Hiervoor is er de hervormingsagenda en het advies van de Commissie Van Ark.

Terugkijkend kunnen we stellen dat de decentralisatie was gebaseerd op onrealistische verwachtingen over de capaciteit van gemeenten om de jeugdzorg efficiënt en effectief te organiseren. De decentralisatie ging gepaard met ingrijpende bezuinigingen, die de financiële basis van de jeugdzorg op voorhand ondermijnden. Gemeenten kregen en krijgen onvoldoende middelen om de transitie goed uit te voeren en zorg adequaat te organiseren. Dit financiële knelpunt wordt naar verwachting niet binnen afzienbare tijd opgelost.

Inmiddels krijgt één op de zeven jongeren een of andere vorm van jeugdzorg. De afgelopen jaren is het aantal jongeren dat gebruik maakt van jeugdzorg weliswaar gestabiliseerd, maar de kosten van de jeugdzorg stijgen door allerlei factoren nog fors.

Ook veel aanbieders kampen met acute financiële problemen. Naar schatting 30% heeft het financieel (te) zwaar, wat de continuïteit en toegankelijkheid bedreigt. Vooral de traditionele, grote(re) aanbieders kampen met hoge personeelskosten en andere vaste (huisvestings-)lasten en tarieven die onder druk staan. Ze doen daarom met enige regelmaat een beroep op gemeenten om financieel bij te springen. Het is aan de individuele gemeente om ervoor te kiezen dat al dan niet te doen. Dit laten we hier verder buiten beschouwing.

De sector is door de decentralisaties sterk versnipperd geraakt. Gemeenten hebben de decentralisaties ook letterlijk genomen en elk een eigen beleid gemaakt. Dit leidt tot onoverzichtelijkheid met als gevolg wantrouwen tussen inwoners, aanbieders, gemeenten en het Rijk. Dit bemoeilijkt een gezamenlijke aanpak. Er is een gebrek aan regionale en domeinoverstijgende samenwerking, wat de kwaliteit van de zorg en dan met name de specialistische zorg beïnvloedt.

Tenslotte, de versnipperde toegang met een zelfstandige indicatiebevoegdheid voor (huis-)artsen en gecertificeerde instellingen draagt niet bij aan het grip krijgen op de kosten. Zij kunnen immers zonder afstemming met de gemeente een voorziening voorschrijven, de gemeente staat uiteindelijk wel aan de lat als het gaat om de kosten.