Overslaan en naar de inhoud gaan

3 Een diagnose stellen

3.1 Willen, referentiekader en kunnen

Bij het stellen van een diagnose breng je drie aspecten van de jongere in beeld:

  1. willen
  2. referentiekader
  3. kunnen

3.1.1 Willen

Bij het willen gaat het vooral om de vraag wanneer en waarvoor de motivatie van een jongere maximaal is en voor welke tweede keuzes ze zich ook willen inzetten als hun eerste keuze niet haalbaar blijkt. Er zijn drie elementen te onderscheiden aan motivatie:

  • de richting van de motivatie: wat wil de jongere?
  • de hoeveelheid motivatie: hoeveel moeite wil de jongere daarvoor doen?
  • het referentiekader: waarom wil de jongere dat? Wat vindt de jongere normaal? Hoe ziet de jongere de maatschappij? Vertrouwt hij op de overheid?

Motivatie is altijd ergens op gericht. Probeer een zo duidelijk mogelijk beeld te krijgen van iemands drijfveren en van waar iemand zichzelf over een paar jaar ziet. Waar loopt iemand warm voor, is iemand bereid daarvoor in beweging te komen en is dat morgen ook nog zo?

De (intrinsieke) motivatie waar je mee aan het werk gaat kan uiteindelijk een ander, ook positief, resultaat opleveren. Zo probeert de Buzinezzclub jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt hun ondernemersdroom te laten verwezenlijken. De jongeren werken met een actieplan op maat aan hun doelen en volgen workshops en trainingen. Uiteindelijk blijkt maar voor 10% van de deelnemers ondernemen haalbaar. De meesten gaan terug naar school of op zoek naar een baan (1).

Achterhaal dan of jongeren binnen hun mogelijkheden bereid zijn de moeite te doen die nodig is om hun ambities te realiseren. Bedenk dat je motivatie niet zonder meer kunt afleiden uit gedrag, want dat wordt ook bepaald door iemands kunnen.

Motivatie kan ook van buitenaf komen. Financiële prikkels en sancties werken meestal kort en verstoren en ondermijnen op langere termijn de intrinsieke motivatie (2).  Maar de invloed van een ondersteunend en stimulerend sociaal netwerk is meestal juist groot.

Wat werkt bij het stellen van een diagnose?
  • Vermijd een discussie en stel open vragen. Probeer jongeren zelf te laten ontdekken en formuleren wat ze willen en in hoeverre en onder welke voorwaarden dat haalbaar is.
  • Kijk niet normatief naar de motivatie van de jongere en geef er geen oordeel over.

3.1.2 Referentiekader

Iemands referentiekader is niet zo makkelijk te veranderen. Daarbij aansluiten en bijsturen is dan productiever dan de strijd aangaan. Het volgende citaat laat zien dat een jongere andere ambities heeft dan ons sociale systeem als normaal definieert.

"Als je geen werk hebt, ga je 12 uur naar buiten, kom je ’s nachts weer naar huis, ga je weer slapen, word je weer wakker, heel de dag gaat hetzelfde. Dan heb je elke keer hetzelfde ritme. En wat gebeurt er: na een tijdje raak je gewend aan die ritme. En dat wil zeggen: als je werk hebt, wil je niet meer gaan, wil je uitslapen tot 12 uur...

Kijk, ik ben met iemand bevriend geraakt, ik ben dagelijks bij de moskee. We staan om 6 uur ‘s ochtends op, gaan bidden, ontbijten en brengen dan de hele dag in de moskee door. Ik voel me heel goed, ik ben elke dag vrolijk, gelukkig en als ik bij de andere kant zou zitten, zou ik misschien nou al in aanraking zijn gekomen met justitie, politie, dit en dat."

Deze jongen is erin geslaagd zijn dagritme zonder echte bezigheden te vervangen door een nieuwe invulling waarvoor hij zijn bed uit komt. Maar ook die botst met de (impliciete) normen van ons sociale systeem, waarin we in de praktijk meestal aansturen op laaggeschoold flexibel werk. Onderaan beginnen is goed te verkopen aan jongeren die het gevoel hebben dat ze erbij horen en die erop vertrouwen dat ze daarna door kunnen groeien. Als dat gevoel en dat vertrouwen ontbreekt, kan het de moeite waard zijn om te onderzoeken of meegaan in de eigen motivatie van een jongere perspectief kan opleveren.

3.1.3 Kunnen

Kunnen is alles wat jongeren hebben om hun ambities waar te maken. Het omvat behalve individuele competenties ook het sociale netwerk van een jongere en de kansen die jongeren krijgen of juist niet krijgen omdat ze gediscrimineerd worden of geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) kunnen laten zien.  Het sociale netwerk van een jongere is nuttig omdat daarin mensen kunnen zitten die zorg kunnen bieden, kunnen helpen met dingen die de jongere niet begrijpt of niet kan of die toegang kunnen verschaffen tot banen en kansen (via-via’s).

Bij ‘kunnen’ zijn drie niveaus te onderscheiden (3):

  1. menselijk kapitaal (microniveau): individuele competenties en specifieke talenten en hulpbronnen zoals een fiets, ov-kaart of spaargeld. Instrumenten om dit in kaart te brengen zijn bijvoorbeeld competentiescans (zie het diagnoseschema).
  2. sociaal kapitaal (mesoniveau): het sociale netwerk en hulpbronnen daarin. Een instrument om het sociaal kapitaal in kaart te brengen is een netwerkkaart te maken van VIP’s (en VAP’s) (4). 
  3. maatschappelijke kansen (macroniveau): krijgt iedereen wel evenveel kansen om te participeren? Jongeren krijgen soms te maken met discriminatie op grond van hun leeftijd, slechte gezondheid of beperkingen, niet-westerse achtergrond, of omdat ze laagopgeleid zijn, tot een achterstandsgroep horen of in een achterstandswijk wonen (5). Ook een justitieel verleden kan hun kansen verkleinen.

Een justitieel verleden hoeft een VOG niet altijd in de weg te staan. Bij de beoordeling wordt ook gekeken naar de leeftijd van de aanvrager, de tijd die verstreken is sinds iemand het strafbare feit pleegde, de ontwikkeling die iemand sindsdien doorgemaakt heeft en de relevantie van dat feit voor de beoogde functie (6).

Voor de diagnose zijn dus vier dingen van belang:

  • de competenties van de jongere
  • het sociale netwerk van de jongere
  • de maatschappelijke kansen van de jongere
  • waarvoor de jongere gemotiveerd is: normaal meedoen, op een alternatieve manier meedoen of niet meedoen (het opgegeven hebben)

Het diagnose-schema van willen en kunnen laat zien hoe je een diagnose van een jongere kunt vertalen in een interventiestrategie.

Hoe je de juiste interventie kiest, wordt verder uitgewerkt in het SLIM-model (zie hoofdstuk 4).

Voetnoten
  1. Zie voor meer informatie de website van de Buzinezzclub
  2. Bekijk de YouTube-video Promoting Motivation, Health, and Excellence: Ed Deci at TEDxFlourCity.
  3. Lees meer over de Capability-benadering (kunnen) in het essay Social Exclusion: Concept, Application, and Scrutiny van Amartya Sen (pdf, 419 kB) op de website adb.org.
  4. Lees meer over sociaal kapitaal op de webpagina over Robert D. Putnam op de website canonsociaalwerk.eu.
  5. Meer informatie over discriminatie is te lezen in de factsheets discriminatie op de website van Radar.
  6. Lees meer over de VOG en jongeren op de website van screeningsautoriteit Justis.