Overslaan en naar de inhoud gaan

3 Een diagnose stellen

3.2 Diagnose met een gesprek

Om het willen en kunnen in beeld te brengen kun je een gesprek voeren met de jongere. Welke vragen kun je stellen?

3.2.1 Vragen over willen

De motivatie van jongeren kun je in beeld brengen met vragen als de volgende:

  • Als je nou op een ochtend wakker wordt en je toekomstdroom door een wonder is uitgekomen, wat is er dan allemaal anders? Waar merk je aan dat je droom is uitgekomen? Waar ga je dan heen als je de deur uit gaat? Hoe ziet het er daar uit? Wat doe je daar? Hoe voel je je?
  • Wie zijn belangrijk voor je? Wat doen zij? Werken ze of zitten ze op school? Wat verwachten ze van jou? Hoe zien ze jouw toekomst?
  • Wat is voor jou het belangrijkst: vrienden en vriendinnen (op straat), je familie of gezin of je school? Waar hoor je het meeste bij?
  • Heb je het gevoel dat voor jou ook een normale toekomst is weggelegd met school, werk of een gezin? Heb je er vertrouwen in dat instanties je kunnen helpen? Heb je het gevoel dat je bij de samenleving hoort? En zo niet, wat zie je dan wel als jouw groep? Waar hoor je dan wel bij?
  • Op een schaal van 1 tot 10, hoe hard doe je nu je best voor die droom? Waarom niet minder? Hoe zou het meer kunnen worden?
  • Op een schaal van 1 tot 10, hoe belangrijk vinden je familie en vrienden dat je met je toekomst bezig bent?

3.2.2 Vragen over kunnen

Van het kunnen van jongeren kun je je een beeld vormen door vragen te stellen zoals:

  • Over de schoolloopbaan
    Waarom ben je toen naar die school gegaan? Wat ging er goed op school? Wat ging er niet zo goed? Wat heb je geleerd? Waar liep je tegenaan? Heb je gespijbeld? Wat zeiden leraren over jou? Jongeren noemen vaak alleen de naam van een school en niet welk type onderwijs het was. Het is daarom handig om zelf de namen en locaties van praktijkscholen en vso-scholen in je regio te kennen.
  • Over de manier van leren
    Hoe leer je het beste nieuwe dingen? Hoe heb je geleerd wat je nu kunt? Door uitleg te lezen, uit te proberen, aanwijzingen te volgen of het zelf te bedenken? Hoe zoek je bijvoorbeeld uit hoe je nieuwe mobiel werkt?
  • Over het cv, voor zover een jongere al gewerkt heeft
    Wat ging goed en wat ging minder goed. Wat vond je het leukst om te doen? Hoe vond je je collega’s? Wat vond je leidinggevende van jou? Waarom ben je daar weg gegaan? Ga na of er in het cv een voortgaande lijn in te herkennen is of met vaak een nieuwe start. Of is het een gatenkaas? Zijn de baantjes die erop staan representatief voor de mogelijkheden van de jongere, of waren het instrumentele bijbaantjes? Is de jongere in staat een goed cv te maken?
  • Over hobby’s en passies
    Zijn er dingen waar je veel mee bezig bent? Wat vind je daar leuk aan? Wat moet je daarvoor kunnen?
  • Over de sociale omgeving
    Wie kunnen je stimuleren en steunen bij het zoeken van een school of baan? Kun je de banden met die personen aanhalen? Wie uit je omgeving zou je graag als mentor betrekken bij het traject? Wie zijn een belemmering voor participatie? Wat bindt je toch aan die mensen? Hoe kan je zorgen dat zij school of werk minder in de weg staat?
  • Over maatschappelijke kansen
    Kun je een VOG krijgen? Heb je ervaring met discriminatie? Zo ja, hoe ga je daarmee om?