Overslaan en naar de inhoud gaan

2 Instroom

2.3 Vooral alleenstaanden stromen in de bijstand in

Van de mensen die tussen januari 2016 en juli 2021 instroomden in de bijstand, was de meerderheid alleenstaand (66,3%). Daarna volgen de leefvormen ‘(echt)paar’ (20,1%), ‘alleenstaande ouder’ (13,5%) en ‘anders’ (0,1%). Onder ‘anders’ valt bijvoorbeeld co-ouderschap en gedeeltelijk verblijf in een inrichting.

 

Het aandeel alleenstaanden in de totale maandelijkse instroom is toegenomen: in 2016 (1e helft) was de instroom van alleenstaanden in de bijstand 64% en in 2021 (1e helft) was dit 69%. Bij de leefvorm ‘alleenstaande ouder’ is in die periode juist een lichte afname te zien (van 14% naar 12%). Dit heeft mogelijk te maken met de Wet hervorming kindregelingen per 2015. (1) Deze wetswijziging maakte het voor alleenstaande ouders in de bijstand financieel aantrekkelijker om de uitkering in te wisselen voor betaald werk. De categorie ‘(echt)paar’ is ook iets afgenomen, namelijk van 22% naar 18%.

Wanneer we de instroom uitsplitsen naar leefvorm én geslacht, ontstaat een ander beeld. Hier valt namelijk meteen op dat er (veel) meer alleenstaande moeders instromen dan vaders: maar liefst 92,0% van de alleenstaande ouders die instromen in de bijstand, is vrouw. Slechts 8,0% is man. Een sterke oververtegenwoordiging van alleenstaande moeders, hoewel iets minder extreem, valt ook terug te zien in CBS-cijfers van de Nederlandse bevolking. Daaruit blijkt dat in de jaren 2016 t/m 2020 gemiddeld 81% van de personen (tussen 15 en 75 jaar) in een eenouderhuishouden vrouw is. Daarentegen is van de alleenstaanden die instromen in de bijstand, een groter aandeel man (64,7%) dan vrouw (35,3%). Dit ten opzichte van 49% mannen onder de alleenstaanden in de Nederlandse bevolking.

Voetnoten

  1. Factsheet Parttime werk in de bijstand, Divosa, december 2019.

Inhoud