Overslaan en naar de inhoud gaan

Reactie consultatie wetsvoorstel inzake huisvesting vergunninghouders

Geachte mevrouw Keijzer,

Divosa is de vereniging van directeuren en leidinggevenden in het sociaal domein en maakt zich sterk voor de gemeentelijke uitvoering. Vanuit dit perspectief gaan wij in op het wetsvoorstel.

In deze reactie uiten wij zorgen over de impact van deze voorgestelde wetswijziging op de asielketen, het huidige inburgeringsstelsel en de ongewenste gevolgen voor zowel de maatschappij als de gemeentelijke uitvoering.

In een aantal hoofdpunten zetten wij deze zorgen uiteen.
1.    Tegenstrijdig beleid rondom huisvesting statushouders
2.    Statushouders verblijven langer op azc, asielketen raakt verder verstopt 
3.    Inburgering stagneert
4.    Financiële onzekerheid voor gemeenten bij uitvoering Inburgering 
5.    Integrale benadering vanuit sociaal domein wordt onmogelijk gemaakt
6.    Statushouder zelf huisvesting laten regelen zorgt voor onnodige risico’s en kwetsbaarheid
7.    Oude inburgeringsstelsel werkte niet
8.    Woningtekort blijft het probleem

Onze oproep is om zowel de regierol van gemeenten in de inburgering mogelijk te houden, als ook de beleidsruimte van de gemeente om statushouders voorrang te verlenen op huisvesting te behouden. Met dit wetsvoorstel worden de beleidsruimte en regierol van gemeenten ontnomen. En er wordt geen alternatief geboden.  

1    Tegenstrijdig beleid rondom huisvesting statushouders

In één week zien we dat het kabinet met twee tegengestelde voornemens komt als het over de huisvesting van statushouders gaat. Voor gemeenten, de samenleving en statushouders. Dit wetsvoorstel staat haaks op de kamerbrief gedeeld op 14 februari 2025, waarin de minister van Asiel en Migratie, Marjolein Faber, gemeenten oproept de doorstroom van statushouders vanuit opvanglocaties te bevorderen. Naast een oproep wordt aangekondigd dat gemeenten beloond zullen worden per gehuisveste statushouder. 

Aan de ene kant houdt de minister van Asiel en Migratie gemeenten een bonus voor als zij een statushouder in een woning huisvest. En moedigt zij het opzetten van 'doorstroomlocaties' aan. Aan de andere kant wil de minister van Volkshuisvesting gemeenten verbieden om statushouders met voorrang te huisvesten, óók in doorstroomlocaties.

Hier is sprake van tegenstrijdig en dus onduidelijk beleid. 

2    Statushouders verblijven langer op azc, asielketen raakt verder verstopt 

In de memorie van toelichting is geconcludeerd dat op dit moment het merendeel van de gehuisveste vergunninghouders met een vorm van voorrang of directe bemiddeling wordt gehuisvest in de gemeenten. Door de beleidsruimte van gemeenten te ontnemen om vergunninghouders toe te voegen aan de urgentieregeling, zal de duur van het verblijf van vergunninghouders op een COA locatie of tijdelijke opvanglocatie zo geven gemeenten aan onvermijdelijk flink toenemen.

Doordat de uitstroom stagneert, blijven statushouders langer in COA-opvang, wat leidt tot verdere verstopping van de asielketen en een vertraagde start van de inburgering. Het COA verzorgt op dit moment voor vergunninghouders binnen twee weken dat zij hun vergunning krijgen, de koppeling met een gemeente die past bij het toekomstperspectief van de inburgeraar en die spreiding over het land van statushouders bevordert. Tevens helpt dit gemeenten om aan de taakstelling te voldoen. Het huidige inburgeringsstelsel is gestoeld op de taakstelling en daarmee de koppeling van statushouders aan gemeenten.

3    Inburgering stagneert

Gemeenten hebben veelal geen mogelijkheid om vroegtijdig met de inburgering van alle statushouders in de opvang te starten. Het valt buiten hun wettelijke verantwoordelijkheid. De financiële middelen om dit te realiseren ontbreken, aangezien deze pas beschikbaar komen zodra een statushouder in de gemeente is gehuisvest. Naast de financiële risico’s zijn er diverse praktische belemmeringen die een vroege start vanuit de opvang in de weg staan. Deze belemmeringen zorgen nu al voor problemen in de praktijk. Bijvoorbeeld het gebrek aan goede studiefaciliteiten, een eigen werkruimte, kinderopvang en de grote reisafstanden tussen azc-locaties en de gekoppelde gemeente.

Doordat de wachttijd op een woning voor statushouders langer zal worden (gemiddeld wachten woningzoekenden in Nederland zo’n zeven jaar), zal inburgering en daarmee integratie achterblijven. Als de inburgering van statushouders achterblijft, kan dit leiden tot belemmeringen in hun deelname aan de samenleving, zoals beperkte toegang tot werk en onderwijs. Dit vergroot het risico op sociaal isolement, ongelijkheid en afhankelijkheid van sociale voorzieningen. Daarnaast kan een gebrek aan integratie leiden tot verminderde sociale cohesie en spanningen binnen gemeenschappen, wat de maatschappelijke samenhang en wederzijds begrip onder druk zet.

Tevens is het inburgeringsstelsel volledig afhankelijk van de taakstelling en daarmee de eerlijke spreiding van statushouders over het land. Zonder voldoende huisvestingsmogelijkheden verliezen de koppelingen tussen COA, statushouders en gemeenten hun waarde. Dit kan als ongewenst neveneffect hebben dat statushouders zich bijvoorbeeld in grote steden concentreren. De wachttijd voor een woning in deze steden is zeer lang (Amsterdam 11 jaar) en heeft als effect dat inburgering achterblijft. 

4    Financiële onzekerheid voor gemeenten bij uitvoering Inburgering

Hoewel de ambitie van de Wi2021 is dat gemeenten vroeg starten met de inburgering, dat wil zeggen voordat een statushouder is gehuisvest in de gekoppelde gemeente, komen de financiële middelen voor de gemeente pas vrij als deze statushouder ook daadwerkelijk is gehuisvest. Het tijdig kunnen starten en realiseren van een vroege start van de inburgering komt met dit wetsvoorstel in de knel. Vergunninghouders zijn bij het zoeken naar een eigen woning niet gebonden aan de koppeling die COA maakt aan een gemeente en daarmee is het voor gemeenten een nog groter risico om vroegtijdig te starten met een inburgeringstraject.

Voor de gemeente is vroeg starten door dit wetsvoorstel niet uitvoerbaar, omdat het risico te groot is dat zij niet tijdig of helemaal geen financiële middelen ontvangen voor de betreffende statushouder.

Deze wetswijziging zal een golf van verhuisbewegingen en administratie op gang brengen waarbij het zicht en regie op deze doelgroep van gemeenten wordt ontnomen, terwijl zij wel de financiële en maatschappelijke risico’s voor hun rekening krijgen als iemand uit beeld raakt. Bijvoorbeeld door dakloosheid of doordat een statushouder zich bij iemand uit zijn netwerk voegt zonder zich in de gemeente in te schrijven. Bovendien, als een statushouder zich wel inschrijft in de gemeente heeft dit direct gevolgen op welke gemeente op dat moment verantwoordelijk is voor de uitvoering van bijvoorbeeld de participatiewet en de inburgeringswet. Bij meerdere verhuisbewegingen ontstaan telkens risico’s voor zichtbaarheid, administratieve kosten en de onmogelijke uitvoerbaarheid van de regierol van gemeenten om deze inwoners te begeleiden naar zelfredzaamheid. De verhuisbewegingen die noodgedwongen zullen ontstaan brengen dus veel financiële onzekerheid met zich mee; alle risico’s komen op het bordje van de gemeente terecht. 

5    Integrale benadering vanuit sociaal domein wordt onmogelijk gemaakt

In de Memorie van toelichting op de Wet inburgering 2021 , staat over het inburgeringsstelsel: “Inburgering staat niet op zichzelf, maar kan enkel worden bereikt als de uitvoeringspraktijk in verbinding staat met andere relevante onderdelen van het sociaal domein, met name participatie en werk.’’ Het wordt gemeenten met dit wetsvoorstel onmogelijk gemaakt om een integrale aanpak te hanteren om met de inburgering en participatie (denk aan begeleiding naar betaald werk) te starten terwijl een statushouder nog niet duurzaam is gehuisvest in de betreffende gemeente. Hierdoor kunnen gemeenten statushouders niet tijdig de juiste ondersteuning bieden op het gebied van taal, werk en maatschappelijke begeleiding, wat de kansen op een succesvolle integratie tegenwerkt.

6    Statushouder zelf huisvesting laten regelen zorgt voor onnodige risico’s en kwetsbaarheid

Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat de vergunninghouder over een netwerk beschikt, bijvoorbeeld van familie of vrienden. Als dat inderdaad zo is, dan is dit geen duurzame en stabiele huisvesting. Als iemand geen netwerk heeft, korte tijd bij familie of vrienden inwoont of vaak van woonplaats verandert, zullen gemeenten geen zicht meer hebben op deze inburgeraars. Deze doelgroep spreekt vaak nog niet de Nederlandse taal en is nog beperkt zelfredzaam omdat ze nog niet bekend zijn met hoe alles in Nederland werkt, denk aan huisvesting, financiën en arbeidsmarkt. Dit brengt een kwetsbaarheid mee voor deze doelgroep, daarnaast is het bekend dat een stabiele basis belangrijk is voor de integratie in Nederland.

Gemeenten geven aan dat een bijkomend risico is dat het netwerk van de statushouder waarschijnlijk in wijken is te vinden met veel sociale huurwoningen. In zulke wijken is de druk op maatschappelijke hulp en begeleiding vaak al groot. Dit verhoogt de kans op overbewoning en zet ook extra druk op de leefbaarheid. De gevolgen van overbewoning of noodgedwongen maatschappelijke opvang om dakloosheid tegen te gaan hebben grote gevolgen, zowel een toename aan maatschappelijke kosten als de leefbaarheid van wijken. Dit wetsvoorstel vergroot het risico van dakloosheid, gevaar op overbewoning en sociale spanningen.  

7    Oude inburgeringsstelsel werkte niet

Dat de regie van de inburgering en huisvesting van statushouders bij de gemeente ligt, is een bewuste keuze in het huidige stelsel. Evaluaties van de Wet inburgering 2013 hebben aangetoond dat het niet realistisch is om aan te nemen dat statushouders volledig zelfstandig al hun weg kunnen vinden in Nederland. Omdat zij nog onvoldoende op de hoogte zijn van hun rechten en plichten, de Nederlandse taal nauwelijks beheersen en vaak weinig maatschappelijke begeleiding ontvangen voordat zij zijn gehuisvest in de gemeente, bevinden zij zich in een kwetsbare positie wanneer zij zelf voor hun huisvesting moeten zorgen.

Naar verwachting zullen statushouders zich uitsluitend in bepaalde steden willen vestigen en komt hiermee integratie en inburgering verder onder druk te staan. Zonder een evenwichtige spreiding wordt de integratie bemoeilijkt en ontstaan er concentraties van kwetsbare groepen. Dit kan leiden tot maatschappelijke problemen als verhoogde druk op voorzieningen en verminderde sociale cohesie. 

8    Woningtekort blijft het probleem

Beoogde doel van dit wetsvoorstel is het creëren van een ‘eerlijker stelsel’, maar het effect op statushouders, gemeenten en de maatschappij is veel heftiger dan het daadwerkelijk bereiken van dit doel. Statushouders zullen achteraan aansluiten op de wachtlijsten voor veelal sociale huurwoningen en daarmee niet zozeer de wachttijd voor andere woningzoekenden verlagen, maar het aantal kandidaten op wachtlijsten langer maken. De kern van het probleem van te weinig beschikbare sociale huurwoningen of alternatieve huisvesting zoals tijdelijke flexwoningen is niet de statushouder, maar het tekort aan geschikte huisvesting. Dit probleem wordt met het wetsvoorstel niet opgelost. Daar zullen we gezamenlijk aan moeten werken. 

Conclusie

De voorgestelde wetswijziging heeft impact op de asielketen, op het huidige inburgeringsstelsel en de samenleving, de gemeentelijke uitvoering in het bijzonder. Er is een tekort aan woningen. Vanuit die optiek is het logisch dat het kabinet naar oplossingen zoekt. Maar dit mag er niet toe leiden dat vergunninghouders op straat belanden. Niet alleen zet dat een rem op de inburgering; gemeenten,  die verantwoordelijk zijn voor inburgering, hebben er dan een probleem bij.

Divosa pleit voor het in stand houden van de regierol van gemeenten in de inburgering. En voor het behouden van de beleidsruimte die gemeenten hebben bij het invullen van de eigen urgentieregeling.

Met vriendelijke groet,

Victor Everhardt
Voorzitter
Verenigingsbureau Divosa