Overslaan en naar de inhoud gaan

3 42% geslaagd voor het inburgeringsexamen

3.1 42% geslaagden

Eind 2021 is 42,3% van de gezinsmigranten die sinds 2014 naar Nederland is gekomen geslaagd voor het inburgeringsexamen. Onder statushouders is dat percentage iets hoger, namelijk 44,1%.

Deze gezinsmigranten vallen (net als de statushouders die wij volgen) nog onder de oude wet. Dat betekent dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun inburgering en binnen drie jaar moeten slagen. Zij kunnen geld lenen om de inburgering te bekostigen.

10% van de gezinsmigranten heeft eind 2021 een verlenging lopen op de inburgeringstermijn. Dat is veel minder dan bij statushouders waarbij 21% van de groep een verlenging heeft. Een verlenging van de inburgeringstermijn kan worden verleend als er omstandigheden zijn waardoor de gezins- of overige migrant niet goed kan studeren voor het examen of verhinderd wordt om het examen af te leggen. Het gaat bijvoorbeeld om alfabetisering van een cursist, persoonlijke omstandigheden zoals zwangerschap of ziekte en bijzondere omstandigheden zoals corona.

4,4% van de gezinsmigranten heeft een vrijstelling van de inburgeringsplicht. Onder statushouders is die groep groter, namelijk 9,3%. Mogelijk komt dit doordat statushouders vaker onderwijs volgen. Gezins- en overige migranten die in Nederland een diploma hebben behaald kunnen een vrijstelling krijgen van de inburgeringsplicht. Gezins- en overige migranten die in Nederland een opleiding volgen en aan deze opleiding zijn begonnen vóór of op hun 18e verjaardag kunnen een tijdelijke vrijstelling krijgen. Als het diploma behaald is, wordt deze vrijstelling omgezet in een gehele vrijstelling.

3% van de gezinsmigranten heeft een ontheffing. Onder statushouders is dat percentage 20,9%. Een ontheffing kan worden verleend als van de gezins- of overige migrant niet kan worden verwacht dat hij of zij het inburgeringsdiploma haalt, vanwege ziekte of een lichamelijke of verstandelijke beperking. Of als het de gezins- of overige migrant ondanks veel moeite en inspanning niet lukt om het inburgeringexamen te halen (‘aantoonbaar geleverde inspanning’).

Omdat de groep gezinsmigranten in het land van herkomst al een eerste inburgeringsexamen heeft gedaan, zou je verwachten dat zij vaker en sneller slagen voor de inburgering. Ook omdat een deel van hen een Nederlands sprekende partner heeft en in de thuissituatie meer kans heeft om in aanraking te komen met de Nederlandse taal. Dat deze groep een betere uitgangspositie heeft, blijkt ook uit de cijfers rondom ontheffingen. Gezinsmigranten hebben veel minder vaak een ontheffing.

De praktijk is echter anders: uit de benchmark blijkt dat gezinsmigranten wel sneller slagen dan statushouders (zie volgende paragraaf), maar niet vaker. Er zijn verschillende verklaringen mogelijk. Uit onderzoek blijkt dat hoger opgeleide gezinsmigranten die goed Engels spreken, zich daarmee veelal goed redden. Zij zijn daarom niet altijd gemotiveerd om de Nederlandse taal te leren. (1)

Mogelijk heeft het ook te maken met de grote focus op werk. Gezinsmigranten werken veel vaker dan statushouders en ook vaker fulltime (zie volgende hoofdstuk). Het opbouwen van een nieuw leven in een nieuw land, fulltime werken én een gezin opbouwen, is niet altijd even goed te combineren. De inburgering wordt dan vooruit geschoven.

Vertraging kan ook ontstaan als gezinsmigranten willen besparen op de kosten voor taalonderwijs (die zij zelf moeten bekostigen) en eerst zelfstandig voor het inburgeringsexamen proberen te oefenen, maar daarin onvoldoende succesvol zijn.

Ook horen we van gemeenten terug dat gezinsmigranten niet altijd even goed op de hoogte zijn van de inburgeringsplicht. De groep die nog onder de oude wet valt, heeft nauwelijks tot geen contact met de gemeente en krijgt alleen informatie op papier van DUO. Ze hebben daarom niet altijd even goed door wat er van hen verwacht wordt.

Voetnoten

  1. SCP, geciteerd in KIS