Overslaan en naar de inhoud gaan

4. Moreel gespreksleiderschap: aandachtspunten

4.4 Redeneervalkuilen

Voor de kwaliteit van morele argumentatie is het belangrijk om redeneervalkuilen − of drogredenen − te voorkomen. Hieronder beschrijven we een aantal bekende valkuilen, wederom aan de hand van een denkbeeldig moreel beraad over inwoners met problematische schulden.

Vluchtige generalisatie

Collega: ‘Mensen met zulke hoge schulden willen gewoon niet werken. Ik zie het iedere keer weer.’

De collega baseert zijn oordeel op beperkte of anekdotische ervaringen, en trekt daaruit een algemene conclusie over alle mensen met hoge schulden, zonder voldoende bewijs of oog voor individuele verschillen.

Stroman

Collega: ‘Ik denk dat we deze inwoner met compassie moeten benaderen, ondanks al haar fouten.’

Tweede collega: ‘Met andere woorden: jij vindt dat we alles maar moeten goedpraten wat zij heeft gedaan?’

De tweede collega zet hier een stroman op, waarbij de oproep tot compassie wordt voorgesteld als een pleidooi om wangedrag te vergoelijken, wat niet hetzelfde is. Bij een stroman wordt een stelling dus opzettelijk verkeerd of overtrokken voorgesteld, om deze vervolgens onderuit te halen. 

Cirkelredenering

Collega: ‘Het feit dat deze inwoner voor de tweede keer in haar leven zulke problematische schulden heeft opgebouwd, maakt het overduidelijk dat ze onverantwoordelijk is. En we weten hoe hoog haar schulden nu zijn, dus ze is heel onverantwoordelijk.’

De collega komt hier niet verder dan een cirkelredenering: het onverantwoordelijke karakter van de inwoner wordt toegeschreven aan haar problematische schulden, terwijl die schulden op hun beurt verklaard worden uit haar vermeende onverantwoordelijkheid. Een morele conclusie of stelling moet door een premisse of reden worden ondersteund, en niet alleen in de stelling zelf verstopt zitten. Daarmee blijft de stelling ‘in de lucht hangen’ en is deze niet goed gefundeerd.

Vals dilemma

Collega: ‘Als we deze inwoner helpen, moeten we voortaan iedereen helpen; dan kunnen we net zo goed de hele schuldhulpverlening openzetten voor misbruik.’

De collega schetst hier een vals dilemma, door te suggereren dat je óf niemand helpt, óf iedereen zonder onderscheid. In werkelijkheid kan je per casus een zorgvuldige morele en professionele afweging maken, waarbij ruimte is voor meerdere handelingsopties of een genuanceerde middenpositie. De redeneervalkuil van een vals dilemma wordt ook wel ‘het uitgesloten midden’ genoemd. 

Hellend vlak

Collega: ‘Als we nu meegaan in zijn verhaal over onmacht, dan zullen anderen ook gaan liegen om hulp te krijgen. Voor je het weet kunnen we niemand meer vertrouwen.’

De collega presenteert hier een hellend vlak, waarbij het erkennen van overmacht in één casus onvermijdelijk gevolgen zou hebben voor alle andere casuïstiek rondom problematische schulden. Tijdens een moreel beraad wil je ruimte laten om de risico’s van een hellend vlak (bijvoorbeeld in de vorm van precedentwerking) te analyseren. Wel is het dan belangrijk om dat risico goed te onderbouwen en niet als onvermijdelijk te poneren. 

Onjuiste causaliteit

Collega: ‘Deze inwoner raakte in de schulden nadat ze een uitkering ontving, dus die uitkering maakt mensen afhankelijk en onverantwoordelijk.’

De collega legt hier een direct verband tussen het ontvangen van een uitkering en het ontstaan van schulden, terwijl deze schulden wellicht door andere factoren worden veroorzaakt (zoals baanverlies, psychische klachten, onvoorziene omstandigheden). Het feit dat de uitkering in tijd vooraf ging aan het ontstaan van de schulden, betekent niet noodzakelijkerwijs dat die uitkering ook de oorzaak ervan is. Misschien waren de schulden nog veel hoger geweest zonder uitkering, en verklaart de uitkering alleen het beperkte niveau van de schulden. 

Ad hominem

Collega: ‘We moeten in het sociaal domein ook kritisch kijken naar het beleid rond schulden.’

Tweede collega: ‘Jij klaagt altijd over het systeem. Misschien ben jij gewoon te negatief ingesteld om objectief te zijn.’

De tweede collega gebruikt hier een ad hominem redenering, waarin de persoon en niet de stelling van een persoon wordt bekritiseerd. Voor het vermijden van een ad hominem is het dus belangrijk op de bal te blijven spelen, en niet op de man. 

Beroep op autoriteit

Collega: ‘Ik heb een bekende psycholoog in een podcast horen zeggen dat mensen in de schuldhulpverlening vaak in een slachtofferrol blijven hangen. Dus deze cliënt moet daar ook wel last van hebben.’

De collega beroept zich op de deskundigheid van een bekende psycholoog, zonder uit te leggen hoe deze deskundige haar stelling over slachtofferschap (wetenschappelijk) heeft onderbouwd, en waarom deze ook van toepassing zou zijn op de specifieke casus die wordt besproken. 

Meer informatie

Voor een overzicht van redeneervalkuilen en meer voorbeelden zie onder andere Van Steenbergen & Kessler (2025, via Uitgeverij Van Gorcum) en Onze Taal (1992).