Overslaan en naar de inhoud gaan

Leerreeks Bewust bekwaam samenwerken

Laatste update: 08 februari 2024

Deel 3: Netwerken in het sociaal domein aansturen op basis van vertrouwen

Samenwerken met veel verschillende partijen in een netwerk kan veel opleveren. Het goed aansturen van zo’n netwerk is alleen nog niet zo makkelijk, blijkt tijdens de derde bijeenkomst van de leerreeks Bewust bekwaam samenwerken. ‘Kies voor de governance die het beste past bij het netwerk’, zegt Patrick Kenis, hoogleraar Public Governance aan de Tilburg University

In het kort 

  • Geen goede aansturing is de meest voorkomende oorzaak van falende samenwerking.
  • Vertrouwen is een van de belangrijkste factoren binnen een netwerk.
  • Kies voor het type aansturing dat het best bij het organisatienetwerk past.

In de eerste bijeenkomst en de tweede bijeenkomst van de leerreeks Bewust bekwaam samenwerken is het begrip organisatienetwerk vaak aan bod gekomen. Kort gezegd is dat een netwerk van organisaties dat als doel heeft een complex probleem samen op te lossen. Bijvoorbeeld een regionale aanpak van kindermishandeling, of het verminderen van schooluitval. 

De baas spelen

‘Een goed functionerend organisatienetwerk heeft echt een meerwaarde, een purpose’, zegt Patrick Kenis. ‘Een terugkerende uitdaging in zo’n netwerk is het organiseren van de aansturing, oftewel de governance. Wie neemt de taak op zich om aan te sturen in een samenwerkingsverband? En hoe gaan we complexe uitdagingen aan met elkaar zonder dat één iemand de baas speelt?’ Uit onderzoek naar organisatienetwerken blijkt dat verkeerde keuzes in de aansturing van het netwerk de belangrijkste reden zijn dat ze falen. ‘Een goede governance is gewoon heel belangrijk.’

Soevereiniteit 

Niet alle manieren van aansturen werken even goed, zegt Kenis. ‘We weten bijvoorbeeld dat gemandateerde netwerken vanuit de overheid, zoals passend onderwijs, minder goed werken dan organische netwerken, waarin partijen elkaar vinden om samen te werken.’ Toch moet in een organisatienetwerk een persoon of organisatie ervoor zorgen dat de boel gaat draaien. ‘Daarvoor zou je een partij kunnen aanwijzen. Het nadeel van zo’n klassieke, hiërarchische organisatiestructuur in een netwerk is dat de soevereiniteit van andere organisaties onder druk komt te staan.’

Met elkaar praten

De hoogleraar noemt drie verschillende vormen van het aansturen van een organisatienetwerk die in de praktijk goed kunnen werken. De eerste is de meest simpele vorm, het zelfregulerende netwerk. ‘Er is in dit geval niet één partij die de taak van aansturing krijgt toegewezen. Er zijn een aantal organisaties die het onderling met elkaar regelen. Veel mensen denken dat dit de beste manier van governance is. Als iedereen maar met elkaar zou praten, dan komt het goed, is het idee. Dit type aansturing werkt goed bij een kleine groep van maximaal zes à zeven organisaties. Belangrijk is wel dat er voldoende vertrouwen is tussen de partijen.’

Kinderarts

Een tweede manier van aansturen is het leiderorganisatienetwerk, ook wel lead netwerk genoemd. ‘In dit geval is één van de organisaties vanuit het primaire proces ‘in de lead’. Die partij moet wel het vertrouwen hebben van de anderen in het netwerk. Uit onderzoek blijkt dat in een succesvol leiderorganisatienetwerk niemand twijfelt aan de ‘lead organisatie’. Een voorbeeld: een kinderarts in Arnhem zag in haar praktijk kinderen die mishandeld werden. Zij heeft toen de lead op zich genomen om een netwerk op te zetten en dit ook aan te sturen. Dat werkte goed, omdat zij er direct baat bij had dat het probleem werd opgelost. Er was geen enkele twijfel over haar intentie.’

Met de pet rond

Een leiderorganisatienetwerk werkt goed tot een grootte van ongeveer vijftien partijen. ‘Dan komt het moment om met de pet rond te gaan voor een NAO.’ NAO staat voor netwerk administratieve organisatie. Een partij van buiten het primaire proces neemt dan de aansturing op zich. ‘Je stelt iemand of een organisatie aan als oliemannetje die het netwerk organiseert. Deze persoon of organisatie heeft geen taak in het primair proces, maar faciliteert alleen. Een vierde organisatievorm voor een groter netwerk is de core periphery structure. Een klein aantal partijen dat met elkaar een vertrouwensband heeft, vormt de binnenkant, de core van het netwerk. Bij elke organisatie hoort een achterban die ook onderdeel is van het netwerk.’ 

Vertrouwen

Welke vorm van aansturen het beste werkt, hangt voor een groot deel af van de omvang van het netwerk. Kenis: ‘Maar mijn lievelingsfactor is vertrouwen. Veel mensen zeggen dat je elkaar moet vertrouwen voor een samenwerking, en anders moet je er niet aan beginnen. Het probleem is dat je er nooit komt als je op dat vertrouwen gaat zitten wachten, vóórdat je gaat beginnen. Een ander nadeel zit ‘m in de differentiatie van het netwerk. Hoe hoger het vertrouwen, hoe lager die differentiatie is. Minder vertrouwen hoeft geen wantrouwen te zijn, maar gaat vaak over een andere ‘genetische code’, een ander type organisatie.’ 

Schijn tegen

Samengevat is het vertrouwen onderling belangrijker bij een zelfregulerend netwerk, en minder bij de andere type netwerken, zegt Kenis. ‘Het is dan wel van belang dat iedereen de leider of NAO vertrouwt. En de vraag is meteen of een gemeente de rol van leider of NAO op zich moet nemen in een netwerk. De gemeente moet dan het vertrouwen hebben van alle andere organisaties. Krijg je dat voor elkaar?’ 

Een organisatie met maatschappelijk veel macht, kan nou eenmaal de schijn tegen zich hebben, zegt Kenis. ‘Als een ziekenhuis de lead neemt in een zorgvraagstuk, dan denken partners misschien: die doet dat alleen maar omdat ze extra bedden leeg willen hebben. Dat hoeft helemaal niet de intentie te zijn van het ziekenhuis, maar die perceptie is wel een probleem. Gemeenten zorgen ook vaak voor de financiering. Dan krijg je weer het gevoel vanuit partners dat zij het moeten oplossen, op basis van de eisen van de gemeente. Dat zijn zaken waar je je bewust van moet zijn in het kiezen voor een goede governance.’