Analyses uitstroom 2021-2025
Laatste update: 27 oktober 20266. Methodologische verantwoording
Voor de analyses in dit rapport is gebruikgemaakt van de geanonimiseerde brondata uit de Divosa Benchmark Werk & Inkomen. Er is een selectie gemaakt van gemeenten waarvan de gegevens over de gehele periode van januari 2021 tot en met december 2025 compleet zijn en die in deze periode niet betrokken waren bij een gemeentelijke herindeling. Door de wijze van anonimiseren is het niet mogelijk om personen te volgen die van de ene naar een andere gemeente verhuizen.
Omdat de deelnemerspoule van deelnemende gemeenten over de afgelopen jaren licht is gewijzigd, kunnen de gepresenteerde cijfers over overlappende meetmomenten (zoals begin 2021) enigszins afwijken van de vorige publicatie (2016–2021).
Tellingen en meetmethodieken
In dit rapport is gekeken naar gegevens op persoonsniveau. Daarbij worden primair twee soorten tellingen gehanteerd:
- Tellingen op grond van de verslagmaand: Dit is de standaardmethodiek binnen de Benchmark Werk & Inkomen. Leidend hierbij is de maand waarin de gegevens over een uitkering door de gemeente worden aangeleverd. Een uitkering wordt meegeteld vanaf de verslagmaand waarin deze voor het eerst wordt waargenomen tot en met de maand waarin deze wordt afgemeld. Door administratieve vertraging kan een uitkering in werkelijkheid al in een eerdere maand zijn gestart of beëindigd.
- Tellingen op grond van episodes van bijstandsafhankelijkheid: Bij deze tellingen worden opeenvolgende verslagmaanden gecombineerd tot samenhangende perioden van bijstandsafhankelijkheid. Binnen één episode kan de grondslag van een uitkeringsgerechtigde wijzigen (bijvoorbeeld van 'alleenstaand' naar 'alleenstaande ouder' na de geboorte van een kind, of naar 'echtpaar' bij samenwonen). Deze tellingen zijn gebaseerd op het daadwerkelijke recht op bijstand, waarbij kalenderdata leidend zijn.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen geaggregeerde tellingen over de totale periode (januari 2021 t/m december 2025) en tellingen die betrekking hebben op specifieke perioden, zoals per halfjaar.
Ontdubbeling en veranderende kenmerken
- Dubbeltelling en ontdubbeling: Waar mogelijk is in de tellingen en uitsplitsingen ontdubbeld. Wanneer een persoon in één maand meerdere uitkeringsepisodes kende, wordt deze persoon slechts één keer geteld.
- Veranderende kenmerken: Van kenmerken die gedurende de bijstandsperiode veranderen (zoals leeftijd, verblijfsduur en leefvorm), wordt de waarde gehanteerd die van toepassing was op het moment van de gebeurtenis. Voor de analyses van de uitstroom geldt dat de leeftijd, leefvorm en opgebouwde verblijfsduur op de exacte datum van beëindiging worden vastgesteld.
Indeling van de uitstroomredenen
Gemeenten registreren bij het beëindigen van een uitkering de uitstroomreden conform de CBS-Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS), die 21 afzonderlijke redenen kent. Omdat een deel van deze categorieën een kleine omvang heeft, zijn ze voor deze publicatie geaggregeerd naar acht hoofdcategorieën. Deze categorieën en de opbouw daarvan zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Op het benchmarkplatform worden 'verhuizing' en 'bereiken van de AOW-leeftijd' ondergebracht in de categorie 'verloop'. Om een zuiverder beeld te geven van de achterliggende dynamiek en de specifieke impact van de pensioengerechtigde leeftijd, zijn beide categorieën in dit rapport apart uitgesplitst.
| Categorie | Uitstroom vanwege |
| Werk | 'arbeid in dienstbetrekking' of 'zelfstandig beroep of bedrijf' |
| Scholing | 'gaan volgen onderwijs met studiefinanciering' |
| Andere inkomsten | 'uitkering arbeidsongeschiktheid' of 'alimentatie', 'vermogensopbrengsten', 'andere inkomen' of 'uitkering werkloosheid' |
| Handhaving | 'overschrijden maximale verblijfsduur buitenland', 'geen inlichtingen', 'niet verschenen op herhaalde oproep inlichtingenplicht', 'niet verschenen op herhaalde oproep re-integratiegesprek' of 'kunnen volgen van onderwijs maar dit niet doen' |
| Verhuizing | 'verhuizing naar andere gemeente' of 'verhuizing naar buitenland' |
| Bereiken van AOW-leeftijd | 'bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd' |
| Overig verloop | 'overlijden', 'detentie' of 'aangaan relatie' |
| Overig | 'andere oorzaak' of 'oorzaak partner' |
Inhoud
Analyses uitstroom 2021-2025
Laatste update: 27 oktober 2026Samenvatting
Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen en achtergrondkenmerken van de uitstroom uit de bijstand?
Bijstandsvolume groeit, dynamiek neemt af
In de periode 2021-2025 is het totale bijstandsvolume per saldo toegenomen: het aantal bijstandsgerechtigden steeg naar een index van 103,8 in december 2025 (+3,8% ten opzichte van januari 2021). Tegelijkertijd vertonen zowel de in- als uitstroompercentages een dalende trend, waarbij het bestand vanaf eind 2022 groeit doordat de instroom op veel momenten boven de uitstroom ligt.
Jongeren zorgen voor de meeste dynamiek, bestand vergrijst verder
Over het algemeen geldt: hoe hoger de leeftijd, hoe kleiner de kans op uitstroom. Jongeren van 18 tot 27 jaar vormenten opzichte van de totale uitstroom met 22,5% de grootste groep uitstromers (terwijl deze groep slechts 9,9% van het bijstandsvolume is), 65-plussers vormen met 8,7% juist de kleinste groep van de uitstroom.
De uitstroomkans is met 3,1% het gunstigst voor jongeren en daalt stapsgewijs met de leeftijd naar 0,6% voor 55- tot 65-jarigen (65-plussers stromen met 3,0% vaker uit vanwege het bereiken van de AOW).
Ten opzichte van de vorige publicatie is het bestand verder vergrijsd: het volumeaandeel van 55-plussers steeg van 24,4% naar 30,4% ten opzichte van het totale bestand, en ook in de uitstroom nam hun aandeel toe (van 15,5% naar 20,2%).
Meer mannen in de uitstroom, verschillen naar leefvorm
Hoewel de totale bijstandspopulatie gelijk verdeeld is tussen mannen en vrouwen (beide 50,0%), stromen er verhoudingsgewijs meer mannen uit (53,4% van de uitstroom is man). De gemiddelde uitstroomkans voor mannen (1,4% in 2025 ten opzichte van het totaal aantal mannen met een bijstandsuitkering) ligt net iets hoger dan voor vrouwen (1,3%).
Alleenstaande vrouwen hebben samen met alleenstaande moeders de laagste uitstroomkans (1,2%). Bij echtparen hebben vrouwen met 1,9% juist een grotere uitstroomkans dan mannen (1,5%).
Opvallend is dat bij jongeren (18–27 jaar) en 65-plussers vrouwen inmiddels een fractie makkelijker uitstromen dan mannen, terwijl in de vorige publicatie mannen in alle leeftijdsklassen voorop liepen.
Langdurig bestand groeit: helft zit langer dan vijf jaar in de bijstand
De uitstroomkans slinkt sterk naarmate iemand langer een uitkering ontvangt: van 4,3% bij een verblijfsduur tot 3 maanden naar 0,7% bij een verblijfsduur van meer dan 60 maanden. De helft van de totale bijstandspopulatie over de periode 2021-2025 zat langer dan vijf jaar in de bijstand (50,2%), maar deze groep levert slechts 24,3% van de uitstroom op.
Omgekeerd zorgt de groep met een korte verblijfsduur (tot één jaar) voor 38,4% van de uitstroom, terwijl zij maar 14,6% van het volume vormt. Het bestand 'vergrijst' daarmee ook in verblijfsduur: het aandeel bijstandsgerechtigden dat al meer dan vijf jaar in de bijstand zit, groeide tussen 2021 en 2025 van 46,0% naar 53,8%.
Werk blijft belangrijkste reden, zelfs bij lange verblijfsduur, maar daalt wel
Werk blijft veruit de belangrijkste uitstroomreden, maar ten opzichte van de periode 2016–2021 is het aandeel uitstroom naar werk wel gedaald (van 41,1% naar 37,1%). Ook uitstroom vanwege handhaving nam af (van 10,3% naar 7,0%), terwijl het aandeel uitstroom wegens het bereiken van de AOW-leeftijd juist steeg naar 7,3%.
Wat verder opvalt is dat een langer verblijf in de bijstand er niet voor zorgt dat de kans op uitstroom naar werk sterk afneemt. Bij een verblijf tussen de zes maanden en vijf jaar blijft het aandeel uitstroom naar werk rond de 40% liggen. Zelfs van de personen die na meer dan vijf jaar uitstromen, verlaat nog 25% de bijstand vanwege werk (voornamelijk 35- tot 55-jarigen). Bij deze groep is daarna het bereiken van de AOW-leeftijd de grootste reden van uitstroom (23%).
Introductie
In 2021 publiceerde de Divosa Benchmark een analyse over de in-, uit- en herinstroom in de bijstand over de periode 2016 tot en met de eerste helft van 2021. Deze publicatie liet zien dat het bijstandsbestand sterk afnam tussen 2017 en 2020. In 2020 steeg het volume vanwege de coronacrisis, waarna het in de eerste helft van 2021 opnieuw licht afnam. Daarbij werd verder zichtbaar dat jongeren en mannen sterker waren vertegenwoordigd in de uitstroomdynamiek dan in het totale volume van het bestand.
Inmiddels zijn we vijf jaar verder. In de periode 2021-2025 zien we dat het totale aantal personen met een bijstandsuitkering per saldo juist weer is toegenomen en dat zowel het in- als het uitstroompercentage een dalende trend vertoont. Waar de vorige publicatie ook inging op achtergrond van de instroom en herinstroom, richt deze rapportage zich specifiek op de uitstroom uit de bijstand in de periode januari 2021 tot en met december 2025.
Actueel beeld
In deze rapportage schetsen we een actueel beeld van de bijstandsgerechtigden die de afgelopen vijf jaar zijn uitgestroomd. We onderzoeken welke kenmerken hen typeren en hoe hun uitstroomkansen zich verhouden tot de totale bijstandspopulatie. Waar relevant maken we een vergelijking met de vorige publicatie (2016-2021). Daarbij dient opgemerkt te worden dat de deelnemerspoule van de gemeenten binnen de Divosa Benchmark Werk & Inkomen over de afgelopen tien jaar licht is gewijzigd. Hierdoor kunnen cijfers van een overlappende periode (begin 2021) in deze publicatie enigszins afwijken ten opzichte van de vorige publicatie.
Leeswijzer
Dit rapport begint met een hoofdstuk over de algemene ontwikkelingen in de bijstand, waarin het verloop van het totale bijstandsvolume en de ontwikkeling van de in- en uitstroompercentages tussen 2021 en 2025 worden behandeld. Vervolgens wordt de uitstroom uitgesplitst naar verschillende achtergrondkenmerken. Daarna zoomen we in op leeftijd (hoofdstuk 2), geslacht (hoofdstuk 3), verblijfsduur (hoofdstuk 4), en uitstroomredenen (hoofdstuk 5).
Het rapport sluit af met een methodologische verantwoording waarin nader is gespecificeerd hoe de gebruikte data, definities en categorieën van uitstroomredenen zijn opgebouwd.
1. Ontwikkeling algemene bijstand: Meer mensen in de bijstand, in- en uitstroom dalen
Het aantal personen met een bijstandsuitkering is in de periode januari 2021 tot en met december 2025 per saldo toegenomen. Na een lichte stijging begin 2021 (index 100,8) daalde het bijstandsvolume, mede vanwege de krappe arbeidsmarkt, naar het laagste punt in de afgelopen vijf jaar rond de jaarwisseling van 2022. Vanaf de tweede helft van 2022 zette een stijgende trend in en het volume nam gestaag toe tot begin 2025. Gedurende 2025 stabiliseerde het aantal bijstandsgerechtigden enigszins en het volume kwam aan het eind van de periode uit op een index van 103,8 in december 2025 ten opzichte van januari 2021.
De index in figuur 1.1 geeft de procentuele groei of daling van het aantal uitkeringen weer ten opzichte van het niveau in januari 2021 (index = 100). Bij een index van 103,8 is er sprake van een toename van 3,8% ten opzichte van januari 2021.
De ontwikkeling van het bijstandsvolume wordt bepaald door het aantal mensen dat in- en uitstroomt. Als de instroom groter is dan de uitstroom, neemt het volume logischerwijs toe en vice versa. Onderstaande figuur 1.2 geeft de in- en uitstroompercentages weer voor de periode 2021 tot en met 2025, door het aantal nieuwe en beëindigde uitkeringen te relateren aan het totale bijstandsvolume op dat moment.
De figuur laat zien dat er zowel voor de instroom als de uitstroom een dalende trend zichtbaar is over de afgelopen vijf jaar. Waar de instroom in 2021 startte rond 2,0% en de uitstroom piekte rond 2,0% in de zomer van 2021, gaan beide percentages vanaf 2023 naar een lager niveau, ongeveer tussen 1,1% en 1,6%.
De uitstroom laat ieder jaar een seizoenspiek zien in de zomermaanden. Vanaf eind 2022 ligt het instroompercentage veelal net iets boven het uitstroompercentage, wat de toename van het totale bijstandsvolume in deze periode verklaart.
2. Uitstroom naar leeftijd: Hoe hoger de leeftijd, hoe kleiner de kans op uitstroom
Onderstaande figuur 2.2 laat de uitstroom per leeftijdscategorie zien ten opzichte van de totale uitstroom. Over het algemeen geldt: hoe hoger de leeftijd, hoe minder mensen uitstromen uit de bijstand. De grootste groep uitstromers betreft de 18- tot 27-jarigen (22,5%). Dit is een verandering ten opzichte van de vorige publicatie (figuur 2.1), waarin de 27- tot 35-jarigen nog de grootste groep vormden. De kleinste groep bestaat uit 65-plussers tot de pensioenleeftijd (8,7%).
Daarnaast is het aandeel ouderen (55 jaar tot pensioenleeftijd) ten opzichte van de vorige rapportage met bijna 5 procentpunt toegenomen (van 15,5% naar 20,2%). Deze stijging van oudere uitstromers gaat gepaard met een afname van het aandeel uitstromers in de leeftijd van 27 tot 55 jaar.
In figuur 2.3 is te zien dat de uitstroom per periode voor een aantal leeftijdscategorieën vrij grillig verloopt. Dit geldt met name voor jongeren van 18 tot 27 jaar, waar de uitstroom elk jaar consistent piekt rond de maand juli (met uitschieters tot boven de 30-35%). Dit jaarlijkse seizoenseffect wordt veroorzaakt door jongeren die na de zomer starten met een opleiding, een patroon dat in de vorige rapportage ook terug te zien was.
Voor de overige leeftijdscategorieën verloopt de uitstroom een stuk stabieler. Wel valt op dat het verloop bij de 65-plussers een behoorlijke dip vertoont vlak na de jaarwisseling (met uitzondering van 2021 en 2025). Dit is te verklaren door de verhoging van de AOW-leeftijd die in januari van de betreffende jaren is doorgevoerd.
In onderstaande figuur 2.4 is vanaf begin 2022 in de meeste leeftijdscategorieën - met name tussen de 18 en 55 jaar - een gestage daling van de absolute uitstroom zichtbaar. Deze daling vlakt rond begin 2024 af, waarna de uitstroom voor de meeste groepen stabiliseert of weer licht begint te stijgen. De groep jongeren (18 tot 27 jaar) laat vanaf medio 2024 de sterkste stijging zien.
Voor de oudere leeftijdscategorieën is het beeld anders. De uitstroom in de categorie 55 tot 65 jaar blijft over de gehele periode 2022-2025 redelijk stabiel. Bij de 65-plussers zien we vanaf 2024 juist een stijgende trend.
De uitstroom per leeftijdscategorie is mede afhankelijk van de leeftijdsopbouw van de totale bijstandspopulatie. Wanneer het aandeel van een bepaalde leeftijdsgroep in het totale volume groeit of krimpt, heeft dat direct invloed op het verwachte aandeel in de uitstroom.
Figuur 2.6 laat zien dat ruim de helft (54,8%) van de bijstandsgerechtigden 45 jaar of ouder is. De verdeling naar leeftijdscategorie van de uitgestroomden laat echter een heel ander beeld zien: binnen de totale uitstroom is iets meer dan een derde (36,0%) 45 jaar of ouder. Dit verschil is grotendeels te verklaren door het feit dat ouderen over het algemeen voor een relatief langere periode in de bijstand verblijven. Doordat de verblijfsduur in deze leeftijdsgroepen hoger ligt, is het aandeel in het totale volume groot, terwijl de uitstroom achterblijft.
Andersom zien we bij de jongere leeftijdsgroepen precies het tegenovergestelde effect. Zij verblijven juist relatief kort in de bijstand, wat zorgt voor een hoge dynamiek en een snelle doorstroom. Waar minder dan een kwart (23,8%) van de bijstandsgerechtigden 18 tot 35 jaar is, vertegenwoordigen zij maar liefst 43,3% van de totale uitstroom.
Ten opzichte van de vorige rapportage (zie figuur 2.5) is de bijstandspopulatie verder vergrijsd; het volumeaandeel van 55-plussers steeg van 24,4% naar 30,4%. Deze ontwikkeling is ook terug te zien in de uitstroom, waar het aandeel 55-plussers toenam van 15,5% naar 20,2%.
Om te bepalen in hoeverre de uitstroom per leeftijdscategorie boven- of ondergemiddeld is, relateren we de uitstroom aan het totale aantal bijstandsgerechtigden binnen dezelfde leeftijdsgroep, zie figuur 2.8. Hieruit blijkt dat de kans op uitstroom afneemt naarmate bijstandsgerechtigden ouder worden. De jongeren van 18 tot 27 jaar hebben met 3,1% de hoogste uitstroomkans. Naarmate bijstandsgerechtigden ouder worden, neemt dit percentage stapsgewijs af, naar 2,1% (27-35 jaar), 1,3% (35-45 jaar), 0,9% (45-55 jaar) en 0,6% (55-65 jaar). De leeftijdscategorie van 65 jaar tot de pensioenleeftijd vormt met 3,0% een uitzondering op deze dalende trend. Dit wordt veroorzaakt door de automatische uitstroom uit de bijstand zodra de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.
In vergelijking met de vorige publicatie (2016-2021; figuur 2.7) liggen de relatieve uitstroomkansen bij bijna alle leeftijdscategorieën in de periode 2021-2025 wat lager. Zo daalde de uitstroomkans bij de jongeren van 4,1% naar 3,1% en bij de 65-plussers van 5,6% naar 3,0%. De verhoudingen tussen de leeftijdsgroepen blijven echter hetzelfde.
Onderstaande twee figuren laten de verdeling van de uitstroom zien naar leeftijdsklasse en verblijfsduur, zowel in absolute aantallen (figuur 2.9) als in percentages (figuur 2.10). Zoals we al eerder zagen, hangt de verblijfsduur sterk samen met de leeftijd van de bijstandsgerechtigden. Dit is ook duidelijk terug te zien in de tweede figuur.
Jongeren verblijven relatief kort in de bijstand. Naarmate de leeftijd toeneemt, neemt ook de gemiddelde verblijfsduur toe. Zo stroomt bij de jongeren tot 27 jaar een ruime meerderheid (56,6%) binnen één jaar uit (0-12 maanden), en stroomt slechts 1,9% uit na 60 maanden of langer (zie onderstaande twee figuren).
Naarmate bijstandsgerechtigden ouder worden, wordt het aandeel in de langere verblijfsduren steeds groter. Van de mensen die vanaf 65 jaar tot de AOW-leeftijd uitstromen, heeft maar liefst 74,8% langer dan 60 maanden een bijstandsuitkering ontvangen.
De leeftijd van een bijstandsgerechtigde heeft grote invloed op de reden van uitstroom. Onderstaande figuur 2.11 toont aan dat voor bijna alle leeftijdsgroepen werk de belangrijkste uitstroomreden is, met een piek van 47,2% bij de 27- tot 35-jarigen. Ten opzichte van de vorige periode zien we dat het aandeel dat naar werk uitstroomt bij bijna alle leeftijdscategorieën is afgenomen. Bij jongeren van 18 tot 27 jaar is dit aandeel juist gestegen van 37,4% naar 38,1%.
We zien duidelijke patronen tussen de verschillende levensfasen. Uitstroom vanwege scholing komt vrijwel uitsluitend voor bij jongeren tot 27 jaar, hoewel dit aandeel daalde van 18,9% in de vorige rapportage naar 14,4% nu. Bij de 65-plussers is het bereiken van de AOW-leeftijd veruit de voornaamste reden voor uitstroom (84,4%).
In het hoofdstuk methodologische verantwoording is verder gespecificeerd hoe de verschillende categorieën van de uitstroomredenen zijn opgebouwd.
3. Uitstroom naar geslacht: Mannen stromen vaker uit, maar niet meer op elke leeftijd
Tussen 2021 en 2025 was 53,4% van de uitstromers uit de bijstand man en 46,6% vrouw. Hoewel de totale bijstandspopulatie in deze periode gelijk verdeeld was (50,0% man en 50,0% vrouw), is de dynamiek ongelijk. Er stromen in verhouding structureel meer mannen in en uit de bijstand dan vrouwen.
Figuur 3.2 toont het absolute verloop van de uitstroom naar geslacht over de periode 2021-2025. Hierin is te zien dat de uitstroom voor beide groepen in de loop der tijd afneemt. De daling in de absolute uitstroom is bij vrouwen echter sterker dan bij mannen.
Mannen hebben een hogere kans om uit te stromen dan vrouwen. In figuur 3.3 is echter te zien dat dit verschil de afgelopen jaren wel iets kleiner is geworden. In 2021 lag de uitstroomkans voor mannen op 1,9%, tegenover 1,6% voor vrouwen. In 2025 is deze uitstroomkans voor zowel mannen als vrouwen gedaald: naar 1,4% voor mannen en 1,3% voor vrouwen. Hoewel de algemene uitstroomkans voor beide geslachten dus lager is geworden, ligt de uitstroomkans voor mannen net hoger dan voor vrouwen.
De stelling dat mannen makkelijker uitstromen dan vrouwen kent een uitzondering wanneer we kijken naar de leefvorm (zie figuur 3.4). Vrouwen die deel uitmaken van een echtpaar hebben met 1,9% een grotere uitstroomkans dan mannen in een echtpaar (1,5%). Deze groep echtparen maakt met 15% echter het kleinste deel uit van het totale bijstandsvolume.
Bij de alleenstaanden is de uitstroomkans juist groter voor mannen (1,5% ten opzichte van 1,2% voor vrouwen). Ook bij alleenstaande ouders stromen mannen net iets makkelijker uit (1,3% tegenover 1,2%).
Alleenstaande vrouwen (zowel alleenstaand zonder kinderen als alleenstaande moeders) stromen met een kans van 1,2% het minst makkelijk uit. Alleenstaande vrouwen vormen tevens de grootste groep binnen de vrouwelijke bijstandspopulatie (58,9%).
Hoewel de dynamiek voor beide geslachten in grote lijnen vergelijkbaar is, laat de verdeling naar leeftijdsklasse in figuur 3.6 een aantal verschillen zien tussen mannen en vrouwen. Zo is het vrouwelijke bijstandsbestand sterker vergrijsd dan het mannelijke: maar liefst 28,0% van de vrouwelijke populatie valt in de categorie 55 tot 65 jaar, tegenover 24,8% bij de mannen. In de uitstroom zien we eveneens kleine verschillen. Waar de mannelijke uitstroom iets sterker wordt getrokken door jongeren van 18 tot 27 jaar (23,4% ten opzichte van 21,5% bij vrouwen), is het aandeel van 65-plussers in de uitstroom bij vrouwen juist opvallend groter (10,4% tegenover 7,2% bij mannen).
Wanneer we binnen de uitstroomkansen inzoomen op geslacht en leeftijd, zien we interessante verschuivingen. Over het algemeen stromen mannen makkelijker uit dan vrouwen, maar dit is inmiddels niet meer in elke leeftijdsklasse het geval (zie figuur 3.8). Dit is een verschil ten opzichte van de vorige periode (januari 2016-1e helft 2021), waarin mannen in elke leeftijdscategorie een hogere uitstroomkans hadden.
In de periode 2021-2025 hebben vrouwen in de jongste leeftijdsgroep (18-27) met 3,2% een iets hogere uitstroomkans dan mannen (3,1%). Ook in de oudste groep (65+) stromen vrouwen net iets makkelijker uit (3,1% vs. 2,9%). In de overige leeftijdscategorieën stromen mannen nog steeds makkelijker uit.
Hoewel de uitstroomkans voor vrouwen in deze twee groepen nu net iets groter is dan voor mannen, zien we over de gehele linie dat de uitstroomkans per leeftijdsgroep flink is gedaald ten opzichte van de vorige publicatie (figuur 3.7). Juist bij deze twee groepen is deze daling het sterkst zichtbaar (de 18- tot 27-jarigen en 65-plussers). Zo viel de uitstroomkans voor jonge mannen terug van 4,8% naar 3,1% en voor jonge vrouwen van 4,1% naar 3,2%. Bij de 65-plussers was de daling nog forser: van 6,5% naar 2,9% voor mannen, en van 6,4% naar 3,1% voor vrouwen.
De redenen voor het beëindigen van de uitkering laten duidelijke verschillen zien tussen mannen en vrouwen (figuur 3.10). Vrouwen stromen vaker uit vanwege scholing, het aangaan van een relatie, oorzaak partner, of het bereiken van de AOW-leeftijd ten opzichte van mannen. Mannen stromen daarentegen vaker uit naar werk. Ook zijn bij mannen handhaving (8,3% bij mannen vs. 5,4% bij vrouwen t.o.v. de totale uitstroom) en detentie (3,5% bij mannen, bij vrouwen niet zichtbaar) vaker de reden van beëindiging.
Ten opzichte van de vorige periode (2016- half 2021, zie figuur 3.9) zijn deze structurele patronen grotendeels hetzelfde gebleven, al vallen er wel een paar verschuivingen op. Opvallend is dat de afname van de categorie handhaving bij mannen (van 12,3% naar 8,3%) groter is dan bij vrouwen (van 7,9% naar 5,4%). Verder is ook de afname van het aandeel uitstroom naar werk bij vrouwen (van 36,7% naar 32,4%) iets hoger dan bij mannen (van 44,9% naar 41,2%).
In het hoofdstuk Methodologische verantwoording is verder gespecificeerd hoe de verschillende categorieën van de uitstroomredenen zijn opgebouwd.
Wanneer we kijken naar de halfjaarlijkse ontwikkeling van de uitstroomredenen tussen 2021 en 2025, zien we voor beide groepen een vergelijkbaar verloop gedurende de periode (figuren 3.11 en 3.12). De geconstateerde man-vrouwverschillen in de redenen van uitstroom blijven gedurende de gehele periode redelijk stabiel aanwezig. De afname in de uitstroom naar werk is bij mannen en vrouwen in gelijke mate zichtbaar. De sterke daling in het aandeel handhaving werd al in de vorige rapportage gesignaleerd vanaf begin 2020 (waarschijnlijk door de invloed van de coronacrisis). In de huidige periode zien we dat dit aandeel zich op dit lagere niveau heeft gestabiliseerd.
Handhaving en sancties
De landelijke daling van het aandeel bijstandsgerechtigden dat uitstroomt vanwege handhaving en sancties sluit aan bij veranderende inzichten over effectieve begeleiding. Uit het SCP-onderzoek Vertrouwen in de bijstand (2024) blijkt dat een streng regime van verplichtingen en de dreiging met sancties vaak averechts werken.
Bijstandsgerechtigden die onder constante druk staan, worden vaak angstig voor de overheid. Het gevolg is dat zij juist passief worden en geen eigen initiatief meer durven te nemen (zoals het starten met vrijwilligerswerk), uit angst om onbewust een regel te overtreden.
Wat in de praktijk al langer werd ingezet – begeleiding op basis van wederzijds vertrouwen en een 'menswaardige' benadering – is inmiddels ook wettelijk verankerd. Met de invoering van Participatiewet in Balans is er gekozen voor meer ruimte voor de menselijke maat, versoepeling van het sanctieregime en vertrouwen als vertrekpunt. De daling in de cijfers van de afgelopen jaren vormt hiermee de voorbode van deze stelselwijziging.
4. Uitstroom naar verblijfsduur: De uitstroomkans neemt af naarmate de bijstandsduur oploopt
Figuur 4.1 laat zien dat de kans om de bijstand te verlaten sterk verbonden is met de tijd die iemand al in de bijstand zit. Kijken we naar de totale uitstroom tussen 2021 en 2025, dan vormt de groep die al langer dan vijf jaar (meer dan 60 maanden) in de bijstand zit met 24,3% de grootste afzonderlijke groep uitstromers. Opvallend is ook dat ruim een derde van de uitstroom (38,4%) binnen het eerste jaar plaatsvindt (de categorieën 0 tot 12 maanden bij elkaar opgeteld).
Zetten we deze uitstroom af tegen de opbouw van de totale bijstandspopulatie, dan wordt een duidelijke scheefgroei zichtbaar. De helft van alle bijstandsgerechtigden (50,2%) zit al langer dan vijf jaar in de bijstand, maar levert door een lage uitstroomkans 'slechts' 24,3% van de uitstroom op (zie figuur 4.2).
Omgekeerd maakt de groep met een korte verblijfsduur (tot één jaar) slechts 14,6% van de populatie uit, maar neemt zij wel ruim een derde van de totale uitstroom voor haar rekening. Kortom: een kort verblijf zorgt voor veel dynamiek, terwijl het langdurige bestand veel statischer is.
Dat statische, langdurige bestand wordt bovendien steeds groter: de bijstandspopulatie 'vergrijst' als het gaat om verblijfsduur. Tussen 2021 en 2025 groeide de groep die langer dan vijf jaar een uitkering ontvangt van 46,0% naar 53,8%.
Deze ‘vergrijzing’ van het bestand zien we terug in de uitstroomcijfers, vooral wanneer we deze vergelijken met de vorige publicatie (2016-2021, zie figuur 4.4). In die periode werd nog 44% van de totale uitstroom gevormd door mensen die korter dan een jaar in de bijstand zaten. Onderstaande figuur 4.5 laat zien dat dit aandeel inmiddels is gedaald naar 38,4%. Daartegenover staat dat de groep die pas na 60 maanden of langer uitstroomt, in drie jaar tijd juist met 5% is toegenomen. Bijstandsgerechtigden verblijven gemiddeld dus langer in de bijstand en stromen op een later moment uit dan in de voorgaande jaren.
Al deze ontwikkelingen vertalen zich in de daadwerkelijke uitstroomkans. Zetten we de uitstroom af tegen het totale aantal mensen binnen dezelfde verblijfsduur, dan zien we dat de kans op uitstroom steeds verder slinkt naarmate het verblijf in de bijstand voortduurt. Iemand die van 0 tot 3 maanden in de regeling zit, heeft met 4,3% de grootste kans om uit te stromen.
Problemen op meerdere levensgebieden
Uit grootschalig landelijk onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Een brede blik op bijstand, 2023) blijkt dat maar liefst 86% van de bijstandsgerechtigden te maken heeft met problemen op andere levensgebieden dan alleen werk en inkomen. Ruim de helft kampt met een stapeling van drie of meer problemen.
De meest voorkomende belemmering is de eigen gezondheid: twee op de drie bijstandsgerechtigden geven aan dat lichamelijke of mentale gezondheidsproblemen het moeilijk maken om aan het werk te komen. Dit kan verklaren waarom de groep langdurig gerechtigden in de figuur hierboven zo moeilijk uitstroomt. De veronderstelling dat de afstand tot de arbeidsmarkt voor iedereen eenvoudig te overbruggen is, sluit niet aan bij de complexe dagelijkse realiteit van deze groep.
5. Uitstroom naar reden: Aandeel werk neemt iets af, maar blijft stabiel bij langere verblijfsduur
Gemeenten kunnen op een deel van de uitstroomredenen invloed uitoefenen, bijvoorbeeld door beleid te voeren op het gebied van handhaving of door met voorzieningen in te zetten op re-integratie en scholing. In onderstaande figuur 5.2 zien we dat van alle beëindigde uitkeringen in de periode 2021 tot en met 2025 werk (37,1%) veruit de grootste reden van uitstroom was. Het bereiken van de AOW-leeftijd vormt voor 7,3% van de beëindigde uitkeringen de reden, handhaving voor 7,0% en scholing voor 3,8%.
Ten opzichte van de vorige publicatie (zie figuur 5.1), is het gemiddelde aandeel uitstroom naar werk gedaald van 41,1% naar 37,1%. Ook het aandeel handhaving liet een duidelijke daling zien: van 10,3% naar 7,0%. Het aandeel beëindigingen vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd is juist gestegen: van 5,2% naar 7,3%.
In het hoofdstuk Methodologische verantwoording is verder gespecificeerd hoe de verschillende categorieën van de uitstroomredenen zijn opgebouwd.
In figuur 5.3 is te zien hoe de verschillende uitstroomredenen zich per half jaar ontwikkelen tussen 2021 en 2025. Hierbij valt direct een seizoenspatroon op: de uitstroom naar werk ligt in het eerste half jaar van elk kalenderjaar hoger dan in het tweede half jaar.
Bij de uitstroom naar werk zien we verder een neerwaartse trend die vanaf de tweede helft van 2022 en de eerste helft van 2023 is ingezet. Tussen 2021 en 2025 daalt het aandeel beëindigingen vanwege werk met 8,5 procentpunt (van 43,4% in het eerste half jaar van 2021 naar 34,9% in 2025, en van 39,2% in het tweede half jaar van 2021 naar 30,7% in 2025).
Specifieke ondersteuning
Uit landelijk onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie (2024) blijkt ook dat de bijstandspopulatie de afgelopen jaren wezenlijk is veranderd. Door de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en de gunstige kansen op een baan is de groep mensen die relatief makkelijk aan het werk kan, inmiddels grotendeels succesvol uitgestroomd. Wat overblijft in het bestand, is een groep met gemiddeld een veel grotere afstand tot de arbeidsmarkt.
Klantmanagers in de uitvoering signaleren dan ook een algemene verzwaring van de doelgroep, waarbij de resterende bijstandsgerechtigden vaker te kampen lijken te hebben met een opeenstapeling van complexe problematiek. Dit kan een belangrijke verklaring bieden voor de stagnatie van de uitstroom naar werk in de cijfers hierboven, ondanks het relatief hoge aantal openstaande vacatures.
De veronderstelling dat een krappe arbeidsmarkt er vanzelf voor zorgt dat iedereen aan het werk komt, lijkt voor deze groep dan ook niet zomaar op te gaan; zij hebben over het algemeen intensievere begeleiding en specifieke ondersteuning nodig om eventueel weer stappen richting de arbeidsmarkt te kunnen zetten.
Onderstaande figuur 5.5 toont de verdeling van de bijstandspopulatie en de uitstroom naar werk per leeftijdsklasse. Hieruit blijkt dat van alle bijstandsgerechtigden die uitstromen naar werk, ongeveer de helft (49,6%) tussen de 18 en 35 jaar oud is. Dit terwijl deze twee leeftijdscategorieën gezamenlijk minder dan een kwart (23,8%) van het totale bijstandsvolume vormen (18–27 jaar: 23,1% uitstroom naar werk vs. 9,9% volume; 27–35 jaar: 26,5% uitstroom vs. 13,9% volume).
Ten opzichte van de vorige publicatie (2016–2021; figuur 5.4) is het gezamenlijke volumeaandeel van 18- tot 35-jarigen gedaald van 26,5% naar 23,8%, terwijl hun aandeel binnen de totale uitstroom naar werk licht steeg van 48,7% naar 49,6%.
Wanneer we de uitstroom naar werk relateren aan het totale aantal personen binnen dezelfde categorie, ontstaat een beeld van de relatieve uitstroomkans naar werk. Zoals te zien is in figuur 5.6, is de uitstroomkans naar werk het hoogst voor jongeren en neemt deze stapsgewijs af naarmate bijstandsgerechtigden ouder zijn. Voor alle leeftijdscategorieën is deze kans na 2021 echter gedaald. Bij jongeren van 18 tot 27 jaar daalde de kans van 1,7% in 2021 naar 1,1% in 2025.
In figuur 5.8 is het verloop van de uitstroomkans naar werk per halfjaar weergegeven voor mannen en vrouwen. Bij beide groepen neemt de kans over de tijd af: voor mannen van 0,9% in de eerste helft van 2021 naar 0,5% in de tweede helft van 2025, en voor vrouwen van 0,6% naar 0,3%. De uitstroomkans naar werk blijft voor mannen daarmee gemiddeld anderhalf tot bijna twee keer zo groot als voor vrouwen. Ten opzichte van de vorige rapportage (zie figuur 5.7) lagen de kansen voor beide geslachten in de periode 2016-2021 op een hoger niveau, maar het onderlinge verschil tussen mannen en vrouwen is nagenoeg gelijk gebleven.
In onderstaande figuur 5.9 is de verdeling van de uitstroomredenen per verblijfsduurperiode weergegeven. Hieruit blijkt dat de uitstroomreden samenhangt met de tijd dat iemand een uitkering heeft ontvangen. Hoe korter het verblijf in de bijstand, hoe groter het aandeel dat uitstroomt naar werk: bij een verblijfsduur van 0 tot 3 maanden is dit 48% en bij 3 tot 6 maanden 43%. Verder valt op dat het aandeel uitstroom naar werk redelijk constant blijft vanaf een verblijfsduur van 6 maanden tot 60 maanden: 40% bij 6–12 maanden, 38% bij 12–24 maanden, 39% bij 24–36 maanden en 38% bij 36–60 maanden.
Van de bijstandsgerechtigden die pas na een verblijfsduur van meer dan 60 maanden (langer dan vijf jaar) uitstromen, stroomt nog altijd een kwart uit richting werk. Het bereiken van de AOW-leeftijd vormt binnen deze langdurige groep met 23% de op één na grootste reden van beëindiging. De uitstroom naar scholing voor de verblijfsduur van 0 tot 36 maanden blijft stabiel tussen de 4% en 6%, maar neemt daarna af.
In figuur 5.10 is nader ingezoomd op de leeftijdssamenstelling van de groep die na een verblijfsduur van 60 maanden of langer naar werk is uitgestroomd. Deze groep bestaat voor het overgrote deel uit personen tussen de 35 en 55 jaar: 37,7% is 35 tot 45 jaar oud en 30,3% is 45 tot 55 jaar.
6. Methodologische verantwoording
Voor de analyses in dit rapport is gebruikgemaakt van de geanonimiseerde brondata uit de Divosa Benchmark Werk & Inkomen. Er is een selectie gemaakt van gemeenten waarvan de gegevens over de gehele periode van januari 2021 tot en met december 2025 compleet zijn en die in deze periode niet betrokken waren bij een gemeentelijke herindeling. Door de wijze van anonimiseren is het niet mogelijk om personen te volgen die van de ene naar een andere gemeente verhuizen.
Omdat de deelnemerspoule van deelnemende gemeenten over de afgelopen jaren licht is gewijzigd, kunnen de gepresenteerde cijfers over overlappende meetmomenten (zoals begin 2021) enigszins afwijken van de vorige publicatie (2016–2021).
Tellingen en meetmethodieken
In dit rapport is gekeken naar gegevens op persoonsniveau. Daarbij worden primair twee soorten tellingen gehanteerd:
- Tellingen op grond van de verslagmaand: Dit is de standaardmethodiek binnen de Benchmark Werk & Inkomen. Leidend hierbij is de maand waarin de gegevens over een uitkering door de gemeente worden aangeleverd. Een uitkering wordt meegeteld vanaf de verslagmaand waarin deze voor het eerst wordt waargenomen tot en met de maand waarin deze wordt afgemeld. Door administratieve vertraging kan een uitkering in werkelijkheid al in een eerdere maand zijn gestart of beëindigd.
- Tellingen op grond van episodes van bijstandsafhankelijkheid: Bij deze tellingen worden opeenvolgende verslagmaanden gecombineerd tot samenhangende perioden van bijstandsafhankelijkheid. Binnen één episode kan de grondslag van een uitkeringsgerechtigde wijzigen (bijvoorbeeld van 'alleenstaand' naar 'alleenstaande ouder' na de geboorte van een kind, of naar 'echtpaar' bij samenwonen). Deze tellingen zijn gebaseerd op het daadwerkelijke recht op bijstand, waarbij kalenderdata leidend zijn.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen geaggregeerde tellingen over de totale periode (januari 2021 t/m december 2025) en tellingen die betrekking hebben op specifieke perioden, zoals per halfjaar.
Ontdubbeling en veranderende kenmerken
- Dubbeltelling en ontdubbeling: Waar mogelijk is in de tellingen en uitsplitsingen ontdubbeld. Wanneer een persoon in één maand meerdere uitkeringsepisodes kende, wordt deze persoon slechts één keer geteld.
- Veranderende kenmerken: Van kenmerken die gedurende de bijstandsperiode veranderen (zoals leeftijd, verblijfsduur en leefvorm), wordt de waarde gehanteerd die van toepassing was op het moment van de gebeurtenis. Voor de analyses van de uitstroom geldt dat de leeftijd, leefvorm en opgebouwde verblijfsduur op de exacte datum van beëindiging worden vastgesteld.
Indeling van de uitstroomredenen
Gemeenten registreren bij het beëindigen van een uitkering de uitstroomreden conform de CBS-Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS), die 21 afzonderlijke redenen kent. Omdat een deel van deze categorieën een kleine omvang heeft, zijn ze voor deze publicatie geaggregeerd naar acht hoofdcategorieën. Deze categorieën en de opbouw daarvan zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Op het benchmarkplatform worden 'verhuizing' en 'bereiken van de AOW-leeftijd' ondergebracht in de categorie 'verloop'. Om een zuiverder beeld te geven van de achterliggende dynamiek en de specifieke impact van de pensioengerechtigde leeftijd, zijn beide categorieën in dit rapport apart uitgesplitst.
| Categorie | Uitstroom vanwege |
| Werk | 'arbeid in dienstbetrekking' of 'zelfstandig beroep of bedrijf' |
| Scholing | 'gaan volgen onderwijs met studiefinanciering' |
| Andere inkomsten | 'uitkering arbeidsongeschiktheid' of 'alimentatie', 'vermogensopbrengsten', 'andere inkomen' of 'uitkering werkloosheid' |
| Handhaving | 'overschrijden maximale verblijfsduur buitenland', 'geen inlichtingen', 'niet verschenen op herhaalde oproep inlichtingenplicht', 'niet verschenen op herhaalde oproep re-integratiegesprek' of 'kunnen volgen van onderwijs maar dit niet doen' |
| Verhuizing | 'verhuizing naar andere gemeente' of 'verhuizing naar buitenland' |
| Bereiken van AOW-leeftijd | 'bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd' |
| Overig verloop | 'overlijden', 'detentie' of 'aangaan relatie' |
| Overig | 'andere oorzaak' of 'oorzaak partner' |
Colofon
Divosa
Aidadreef 4 | 3561 GE Utrecht
Postbus 2758 | 3500 GT Utrecht
T 030 - 233 23 37
E info@divosa.nl
www.divosa.nl
Auteurs
Arjuna Snoep-Delleman (BMC)
Inge van Werven (BMC)
Iris Klinker (BMC)
Webredactie
Clarissa Schouten (Divosa)
Versie
Oktober 2026