Analyses uitstroom 2021-2025
Laatste update: 27 oktober 20265. Uitstroom naar reden: Aandeel werk neemt iets af, maar blijft stabiel bij langere verblijfsduur
Gemeenten kunnen op een deel van de uitstroomredenen invloed uitoefenen, bijvoorbeeld door beleid te voeren op het gebied van handhaving of door met voorzieningen in te zetten op re-integratie en scholing. In onderstaande figuur 5.2 zien we dat van alle beëindigde uitkeringen in de periode 2021 tot en met 2025 werk (37,1%) veruit de grootste reden van uitstroom was. Het bereiken van de AOW-leeftijd vormt voor 7,3% van de beëindigde uitkeringen de reden, handhaving voor 7,0% en scholing voor 3,8%.
Ten opzichte van de vorige publicatie (zie figuur 5.1), is het gemiddelde aandeel uitstroom naar werk gedaald van 41,1% naar 37,1%. Ook het aandeel handhaving liet een duidelijke daling zien: van 10,3% naar 7,0%. Het aandeel beëindigingen vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd is juist gestegen: van 5,2% naar 7,3%.
In het hoofdstuk Methodologische verantwoording is verder gespecificeerd hoe de verschillende categorieën van de uitstroomredenen zijn opgebouwd.
In figuur 5.3 is te zien hoe de verschillende uitstroomredenen zich per half jaar ontwikkelen tussen 2021 en 2025. Hierbij valt direct een seizoenspatroon op: de uitstroom naar werk ligt in het eerste half jaar van elk kalenderjaar hoger dan in het tweede half jaar.
Bij de uitstroom naar werk zien we verder een neerwaartse trend die vanaf de tweede helft van 2022 en de eerste helft van 2023 is ingezet. Tussen 2021 en 2025 daalt het aandeel beëindigingen vanwege werk met 8,5 procentpunt (van 43,4% in het eerste half jaar van 2021 naar 34,9% in 2025, en van 39,2% in het tweede half jaar van 2021 naar 30,7% in 2025).
Specifieke ondersteuning
Uit landelijk onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie (2024) blijkt ook dat de bijstandspopulatie de afgelopen jaren wezenlijk is veranderd. Door de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en de gunstige kansen op een baan is de groep mensen die relatief makkelijk aan het werk kan, inmiddels grotendeels succesvol uitgestroomd. Wat overblijft in het bestand, is een groep met gemiddeld een veel grotere afstand tot de arbeidsmarkt.
Klantmanagers in de uitvoering signaleren dan ook een algemene verzwaring van de doelgroep, waarbij de resterende bijstandsgerechtigden vaker te kampen lijken te hebben met een opeenstapeling van complexe problematiek. Dit kan een belangrijke verklaring bieden voor de stagnatie van de uitstroom naar werk in de cijfers hierboven, ondanks het relatief hoge aantal openstaande vacatures.
De veronderstelling dat een krappe arbeidsmarkt er vanzelf voor zorgt dat iedereen aan het werk komt, lijkt voor deze groep dan ook niet zomaar op te gaan; zij hebben over het algemeen intensievere begeleiding en specifieke ondersteuning nodig om eventueel weer stappen richting de arbeidsmarkt te kunnen zetten.
Onderstaande figuur 5.5 toont de verdeling van de bijstandspopulatie en de uitstroom naar werk per leeftijdsklasse. Hieruit blijkt dat van alle bijstandsgerechtigden die uitstromen naar werk, ongeveer de helft (49,6%) tussen de 18 en 35 jaar oud is. Dit terwijl deze twee leeftijdscategorieën gezamenlijk minder dan een kwart (23,8%) van het totale bijstandsvolume vormen (18–27 jaar: 23,1% uitstroom naar werk vs. 9,9% volume; 27–35 jaar: 26,5% uitstroom vs. 13,9% volume).
Ten opzichte van de vorige publicatie (2016–2021; figuur 5.4) is het gezamenlijke volumeaandeel van 18- tot 35-jarigen gedaald van 26,5% naar 23,8%, terwijl hun aandeel binnen de totale uitstroom naar werk licht steeg van 48,7% naar 49,6%.
Wanneer we de uitstroom naar werk relateren aan het totale aantal personen binnen dezelfde categorie, ontstaat een beeld van de relatieve uitstroomkans naar werk. Zoals te zien is in figuur 5.6, is de uitstroomkans naar werk het hoogst voor jongeren en neemt deze stapsgewijs af naarmate bijstandsgerechtigden ouder zijn. Voor alle leeftijdscategorieën is deze kans na 2021 echter gedaald. Bij jongeren van 18 tot 27 jaar daalde de kans van 1,7% in 2021 naar 1,1% in 2025.
In figuur 5.8 is het verloop van de uitstroomkans naar werk per halfjaar weergegeven voor mannen en vrouwen. Bij beide groepen neemt de kans over de tijd af: voor mannen van 0,9% in de eerste helft van 2021 naar 0,5% in de tweede helft van 2025, en voor vrouwen van 0,6% naar 0,3%. De uitstroomkans naar werk blijft voor mannen daarmee gemiddeld anderhalf tot bijna twee keer zo groot als voor vrouwen. Ten opzichte van de vorige rapportage (zie figuur 5.7) lagen de kansen voor beide geslachten in de periode 2016-2021 op een hoger niveau, maar het onderlinge verschil tussen mannen en vrouwen is nagenoeg gelijk gebleven.
In onderstaande figuur 5.9 is de verdeling van de uitstroomredenen per verblijfsduurperiode weergegeven. Hieruit blijkt dat de uitstroomreden samenhangt met de tijd dat iemand een uitkering heeft ontvangen. Hoe korter het verblijf in de bijstand, hoe groter het aandeel dat uitstroomt naar werk: bij een verblijfsduur van 0 tot 3 maanden is dit 48% en bij 3 tot 6 maanden 43%. Verder valt op dat het aandeel uitstroom naar werk redelijk constant blijft vanaf een verblijfsduur van 6 maanden tot 60 maanden: 40% bij 6–12 maanden, 38% bij 12–24 maanden, 39% bij 24–36 maanden en 38% bij 36–60 maanden.
Van de bijstandsgerechtigden die pas na een verblijfsduur van meer dan 60 maanden (langer dan vijf jaar) uitstromen, stroomt nog altijd een kwart uit richting werk. Het bereiken van de AOW-leeftijd vormt binnen deze langdurige groep met 23% de op één na grootste reden van beëindiging. De uitstroom naar scholing voor de verblijfsduur van 0 tot 36 maanden blijft stabiel tussen de 4% en 6%, maar neemt daarna af.
In figuur 5.10 is nader ingezoomd op de leeftijdssamenstelling van de groep die na een verblijfsduur van 60 maanden of langer naar werk is uitgestroomd. Deze groep bestaat voor het overgrote deel uit personen tussen de 35 en 55 jaar: 37,7% is 35 tot 45 jaar oud en 30,3% is 45 tot 55 jaar.