Analyses uitstroom 2021-2025
Laatste update: 27 oktober 20263. Uitstroom naar geslacht: Mannen stromen vaker uit, maar niet meer op elke leeftijd
Tussen 2021 en 2025 was 53,4% van de uitstromers uit de bijstand man en 46,6% vrouw. Hoewel de totale bijstandspopulatie in deze periode gelijk verdeeld was (50,0% man en 50,0% vrouw), is de dynamiek ongelijk. Er stromen in verhouding structureel meer mannen in en uit de bijstand dan vrouwen.
Figuur 3.2 toont het absolute verloop van de uitstroom naar geslacht over de periode 2021-2025. Hierin is te zien dat de uitstroom voor beide groepen in de loop der tijd afneemt. De daling in de absolute uitstroom is bij vrouwen echter sterker dan bij mannen.
Mannen hebben een hogere kans om uit te stromen dan vrouwen. In figuur 3.3 is echter te zien dat dit verschil de afgelopen jaren wel iets kleiner is geworden. In 2021 lag de uitstroomkans voor mannen op 1,9%, tegenover 1,6% voor vrouwen. In 2025 is deze uitstroomkans voor zowel mannen als vrouwen gedaald: naar 1,4% voor mannen en 1,3% voor vrouwen. Hoewel de algemene uitstroomkans voor beide geslachten dus lager is geworden, ligt de uitstroomkans voor mannen net hoger dan voor vrouwen.
De stelling dat mannen makkelijker uitstromen dan vrouwen kent een uitzondering wanneer we kijken naar de leefvorm (zie figuur 3.4). Vrouwen die deel uitmaken van een echtpaar hebben met 1,9% een grotere uitstroomkans dan mannen in een echtpaar (1,5%). Deze groep echtparen maakt met 15% echter het kleinste deel uit van het totale bijstandsvolume.
Bij de alleenstaanden is de uitstroomkans juist groter voor mannen (1,5% ten opzichte van 1,2% voor vrouwen). Ook bij alleenstaande ouders stromen mannen net iets makkelijker uit (1,3% tegenover 1,2%).
Alleenstaande vrouwen (zowel alleenstaand zonder kinderen als alleenstaande moeders) stromen met een kans van 1,2% het minst makkelijk uit. Alleenstaande vrouwen vormen tevens de grootste groep binnen de vrouwelijke bijstandspopulatie (58,9%).
Hoewel de dynamiek voor beide geslachten in grote lijnen vergelijkbaar is, laat de verdeling naar leeftijdsklasse in figuur 3.6 een aantal verschillen zien tussen mannen en vrouwen. Zo is het vrouwelijke bijstandsbestand sterker vergrijsd dan het mannelijke: maar liefst 28,0% van de vrouwelijke populatie valt in de categorie 55 tot 65 jaar, tegenover 24,8% bij de mannen. In de uitstroom zien we eveneens kleine verschillen. Waar de mannelijke uitstroom iets sterker wordt getrokken door jongeren van 18 tot 27 jaar (23,4% ten opzichte van 21,5% bij vrouwen), is het aandeel van 65-plussers in de uitstroom bij vrouwen juist opvallend groter (10,4% tegenover 7,2% bij mannen).
Wanneer we binnen de uitstroomkansen inzoomen op geslacht en leeftijd, zien we interessante verschuivingen. Over het algemeen stromen mannen makkelijker uit dan vrouwen, maar dit is inmiddels niet meer in elke leeftijdsklasse het geval (zie figuur 3.8). Dit is een verschil ten opzichte van de vorige periode (januari 2016-1e helft 2021), waarin mannen in elke leeftijdscategorie een hogere uitstroomkans hadden.
In de periode 2021-2025 hebben vrouwen in de jongste leeftijdsgroep (18-27) met 3,2% een iets hogere uitstroomkans dan mannen (3,1%). Ook in de oudste groep (65+) stromen vrouwen net iets makkelijker uit (3,1% vs. 2,9%). In de overige leeftijdscategorieën stromen mannen nog steeds makkelijker uit.
Hoewel de uitstroomkans voor vrouwen in deze twee groepen nu net iets groter is dan voor mannen, zien we over de gehele linie dat de uitstroomkans per leeftijdsgroep flink is gedaald ten opzichte van de vorige publicatie (figuur 3.7). Juist bij deze twee groepen is deze daling het sterkst zichtbaar (de 18- tot 27-jarigen en 65-plussers). Zo viel de uitstroomkans voor jonge mannen terug van 4,8% naar 3,1% en voor jonge vrouwen van 4,1% naar 3,2%. Bij de 65-plussers was de daling nog forser: van 6,5% naar 2,9% voor mannen, en van 6,4% naar 3,1% voor vrouwen.
De redenen voor het beëindigen van de uitkering laten duidelijke verschillen zien tussen mannen en vrouwen (figuur 3.10). Vrouwen stromen vaker uit vanwege scholing, het aangaan van een relatie, oorzaak partner, of het bereiken van de AOW-leeftijd ten opzichte van mannen. Mannen stromen daarentegen vaker uit naar werk. Ook zijn bij mannen handhaving (8,3% bij mannen vs. 5,4% bij vrouwen t.o.v. de totale uitstroom) en detentie (3,5% bij mannen, bij vrouwen niet zichtbaar) vaker de reden van beëindiging.
Ten opzichte van de vorige periode (2016- half 2021, zie figuur 3.9) zijn deze structurele patronen grotendeels hetzelfde gebleven, al vallen er wel een paar verschuivingen op. Opvallend is dat de afname van de categorie handhaving bij mannen (van 12,3% naar 8,3%) groter is dan bij vrouwen (van 7,9% naar 5,4%). Verder is ook de afname van het aandeel uitstroom naar werk bij vrouwen (van 36,7% naar 32,4%) iets hoger dan bij mannen (van 44,9% naar 41,2%).
In het hoofdstuk Methodologische verantwoording is verder gespecificeerd hoe de verschillende categorieën van de uitstroomredenen zijn opgebouwd.
Wanneer we kijken naar de halfjaarlijkse ontwikkeling van de uitstroomredenen tussen 2021 en 2025, zien we voor beide groepen een vergelijkbaar verloop gedurende de periode (figuren 3.11 en 3.12). De geconstateerde man-vrouwverschillen in de redenen van uitstroom blijven gedurende de gehele periode redelijk stabiel aanwezig. De afname in de uitstroom naar werk is bij mannen en vrouwen in gelijke mate zichtbaar. De sterke daling in het aandeel handhaving werd al in de vorige rapportage gesignaleerd vanaf begin 2020 (waarschijnlijk door de invloed van de coronacrisis). In de huidige periode zien we dat dit aandeel zich op dit lagere niveau heeft gestabiliseerd.
Handhaving en sancties
De landelijke daling van het aandeel bijstandsgerechtigden dat uitstroomt vanwege handhaving en sancties sluit aan bij veranderende inzichten over effectieve begeleiding. Uit het SCP-onderzoek Vertrouwen in de bijstand (2024) blijkt dat een streng regime van verplichtingen en de dreiging met sancties vaak averechts werken.
Bijstandsgerechtigden die onder constante druk staan, worden vaak angstig voor de overheid. Het gevolg is dat zij juist passief worden en geen eigen initiatief meer durven te nemen (zoals het starten met vrijwilligerswerk), uit angst om onbewust een regel te overtreden.
Wat in de praktijk al langer werd ingezet – begeleiding op basis van wederzijds vertrouwen en een 'menswaardige' benadering – is inmiddels ook wettelijk verankerd. Met de invoering van Participatiewet in Balans is er gekozen voor meer ruimte voor de menselijke maat, versoepeling van het sanctieregime en vertrouwen als vertrekpunt. De daling in de cijfers van de afgelopen jaren vormt hiermee de voorbode van deze stelselwijziging.