Vraag van de maand
Ons team krijgt veel vragen over de implementatie van de Participatiewet in Balans. De meest gestelde vragen bundelen we in de FAQ ‘Participatiewet in Balans: vraag en antwoord’. In de rubriek ‘Vraag van de maand’ lichten we hier iedere maand één vraag uit en beantwoorden we die uitgebreid(er).
Of het nu gaat over maatschappelijke participatie, beleidskeuzes, budgetprioritering of iets anders: ons team staat klaar om al je vragen te beantwoorden. Stuur een e-mail naar pwet@divosa.nl, en wie weet nemen we jouw vraag op in deze rubriek!
Vraag van de maand - april 2026
Vanaf volgend jaar gelden de nieuwe bepalingen over wat doorgaans het ‘transactiebeginsel’ wordt genoemd. Betekent dit dat we inkomen dan moeten toerekenen aan de maand waarin iemand er daadwerkelijk over kan beschikken?
Antwoord:
De Memorie van Toelichting spreekt niet over een wijziging van het transactiebeginsel, maar uitsluitend over een verduidelijking daarvan. Aan het toerekeningssysteem zelf verandert dus in feite niets. Inkomen dat in maart wordt verworven, moet ook aan de maand maart worden toegerekend.
Wat wel wordt verduidelijkt, is dat inkomen pas kan worden verrekend vanaf het moment dat iemand daar in redelijkheid daadwerkelijk over kan beschikken. Dit leidt met name tot wijzigingen in de volgende situaties:
- Verrekening van vakantiegeld: het maandelijks opgebouwde vakantiegeld wordt zoveel mogelijk verrekend met het maandelijks gereserveerde vakantiegeld binnen de bijstand. Het wordt dus niet langer direct in de maand van opbouw op de uitkering in mindering gebracht.
- Verrekening van dertiende maand en IKB: verrekening vindt pas plaats bij uitbetaling. Indien volledige verrekening in de maand van uitbetaling niet mogelijk is, kan worden beoordeeld of verrekening in daaropvolgende maanden kan plaatsvinden.
- Verrekening van vierwekeninkomen: in beginsel wordt uitsluitend het in de betreffende maand uitbetaalde inkomen verrekend. Dit betekent dat bij vierwekeninkomen in de laatste maand van het jaar twee periodes moeten worden verrekend.
De hierboven genoemde wijzigingen zijn niet uitputtend, maar betreffen in ieder geval de belangrijkste aanpassingen.
-
Antwoord:
Gemeenten voeren de Participatiewet uit in medebewind. Dat betekent dat gewoonlijk het college het regelstellend orgaan is, tenzij de wet expliciet anders bepaalt. Het vastleggen van regels in een verordening zonder duidelijke wettelijke grondslag brengt daarom een juridisch risico mee. Het gaat dan immers om regels die door de gemeenteraad worden vastgesteld, terwijl in dit geval het college bevoegd is.
Dat risico is overigens beperkt. In jurisprudentie is bijvoorbeeld terugvorderingsbeleid door de gemeenteraad vastgesteld, waarna werd geoordeeld dat sprake was van onbevoegd vastgestelde regels. Tegelijk werd geoordeeld dat de regels toch als geldend konden worden beschouwd, omdat het bevoegde orgaan (het college) in het proces was gepasseerd.
In de ideale situatie laat je beleid rond maatschappelijke participatie in het gedoogjaar bij het college. Daarna kun je dit, zodra duidelijk is wanneer dit onderdeel in werking treedt, in de verordening formaliseren. De inwerkingtreding hangt samen met het wetsvoorstel Handhaving Sociale Zekerheid. Het is nog niet volledig duidelijk of dit wetsvoorstel 1 januari 2027 haalt.
Deze aanpak biedt ook ruimte om ervaring op te doen met het instrument en te beoordelen of het recht op eigenstandig vormgeven van maatschappelijke participatie mogelijk andere regelgeving vraagt dan gebruikelijk is bij het regelen van voorzieningen.
-
Ik heb een bijstandsaanvraag in behandeling. De betrokkene heeft zich half december gemeld en vraagt nu om bijstand per 1 december. Is de nieuwe bepaling over terugwerkende kracht (per 1 januari 2026) hierop van toepassing?
Antwoord:
Het simpele antwoord is: ja. Het recht dat geldt op het moment dat je het besluit neemt, is bepalend. Omdat de wet sinds 1 januari 2026 de mogelijkheid biedt om bijstand met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen (als de omstandigheden dat rechtvaardigen), geldt deze bepaling ook voor aanvragen uit vorig jaar waarop nu pas wordt beslist. Dat betekent dat je in dit geval kunt beoordelen of toekenning per 1 december mogelijk is.
Op dezelfde manier geldt sinds 1 januari ook: het hogere voorschotspercentage van 95% (in plaats van 90%) voor aanvragen uit 2025 waar nog geen besluit op is genomen; en dat jongeren die sinds 1 januari niet meer onder de vier weken zoekperiode vallen, hun aanvraag direct kunnen indienen — ook als ze zich vorig jaar al hadden gemeld.
-
Een bijstandsgerechtigde geeft aan dat hij mantelzorg verleent aan een vriend en daarom tijdelijk bij die vriend wil gaan inwonen. Hoe stel je in zo'n situatie vast dat er daadwerkelijk sprake is van mantelzorg aan een zorgbehoevende?
Antwoord:
Belangrijk om vooraf te benadrukken: volgens het bewijsrecht geldt dat degene die een beroep doet op een uitzondering, ook degene is die dit moet onderbouwen. Het is dus niet aan het college om aan te tonen dat er wél of geen zorgsituatie is, maar aan de bijstandsgerechtigde om de zorgbehoefte aannemelijk te maken. De vraag is daarmee vooral: hoe kan de bijstandsgerechtigde dit aantonen?
Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden. Hij kan de zorgbehoeftige bijvoorbeeld vragen om toestemming te geven om een eventuele indicatiebeschikking te delen. In situaties waarin wordt voldaan aan het – in de jurisprudentie gebruikelijke – criterium van zorgbehoefte, is er meestal sprake van een Wlz- of Wmo-indicatie. Het gaat dan om personen die (bijna) continu zorg nodig hebben. Een Wlz-indicatie met een zorgzwaartepakket 5 of hoger is doorgaans voldoende om zorgbehoefte aan te nemen.
Het kan natuurlijk ook voorkomen dat de zorgbehoeftige geen indicatie heeft, of geen toestemming geeft om deze te delen. In dat geval is er een andere route mogelijk: de zorgbehoeftige kan een arts toestemming geven om zijn medische gegevens in te zien. Op basis van die informatie kan de arts aan het college uitsluitend doorgeven of er sprake is van zorgbehoefte zoals bedoeld in de wet. Het college krijgt dus geen andere medische gegevens te zien.
Uiteindelijk blijft het de verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde om de zorgbehoefte aannemelijk te maken. Lukt het hem niet om voldoende informatie te overleggen, dan kan hij geen gebruikmaken van de uitzonderingen die de wet biedt voor mantelzorg bij zorgbehoevenden — en ook niet van de uitzonderingen die bedoeld zijn voor de zorgbehoevenden zelf.
-
In de Participatiewet in Balans wordt de jongerennorm geharmoniseerd door een vaste toeslag, wanneer de jongmeerderjarige geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van zijn ouders. Tegelijk geldt dat de uiteindelijke bijstand (basisnorm plus toeslag) voor deze jongere en de eventuele partner niet hoger mag zijn dan de norm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie. In welke situaties speelt dit?
Antwoord:
Artikel 20, vierde lid, van de Participatiewet bepaalt inderdaad dat de basisnorm plus toeslag voor een jongmeerderjarige niet hoger mag zijn dan de bijstandsnorm volgens artikel 21 Pw voor iemand van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie. Op basis van de huidige normen speelt dit vooral bij jongmeerderjarigen met een partner van 21 jaar of ouder. Als in die situatie de volledige toeslag bij de gehuwdennorm voor jongmeerderjarigen zou worden opgeteld, ontstaat een totaalbedrag dat hoger ligt dan de bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar of ouder.
In de toelichting wordt bovendien benadrukt dat de toeslag ook om andere redenen kan worden verlaagd. Vanuit de logica van artikel 20, vierde lid — dat de norm voor de jongere niet hoger mag uitkomen dan die voor een 21-jarige in een vergelijkbare situatie — kan dat ook aanleiding zijn om de toeslag aan te passen, bijvoorbeeld in kostendelerssituaties.
-
Bijvoorbeeld: iemand krijgt een gift van 1.500 euro voor medische kosten in een kalenderjaar (door het college verantwoord) én daarnaast een gift van 1.200 euro. Is het totaal aan vrijlating in dat jaar dan 2.700 euro, of valt de latere gift van 1.200 euro buiten de vrijlating en moet deze als middel (inkomen of vermogen) worden meegenomen?
Antwoord
De giftenregeling beoordeelt het totaal aan giften over een kalenderjaar. Als dat totaal onder de 1.200 euro blijft, is er verder geen probleem. Komt het er boven, dan moet worden gekeken of de giften nog verantwoord zijn in het kader van bijstandsverlening.
In de situatie zoals hierboven beschreven, moet worden afgewogen of de latere gift van 1.200 euro nog verantwoord is, gezien de eerdere gift van 1.500 euro. Daarbij speelt mee of aannemelijk is dat de eerdere gift volledig is besteed aan de medische kosten. Als dat kan worden aangetoond, ligt het in de rede om de latere gift ook binnen de grenzen van verantwoord te laten. Uiteindelijk blijft dit een afweging van de gemeente.
Omgekeerd, stel iemand ontvangt eerst 1.200 euro ter vrije besteding en later een nieuwe gift van 1.500 euro voor medische kosten. Ook dan moet worden beoordeeld of dit nog verantwoord is. Daarbij speelt mee in hoeverre de medische kosten voorzienbaar waren op het moment dat de eerdere 1.200 euro werd ontvangen. Als deze uitgaven voorzienbaar waren, kan worden afgevraagd of de besteding van de eerste gift verantwoord was en dit meewegen in de beoordeling.
Kortom: er is in deze casus geen hard “ja” of “nee”. De latere gift kan niet automatisch buiten beschouwing worden gelaten, maar ook niet automatisch wél. Het draait om een zorgvuldige afweging van wat verantwoord is in het kader van de bijstandsafhankelijke situatie van de betrokkene.
-
Zo ja, geldt dit alleen voor de wijzigingen waarvan de staatssecretaris heeft aangegeven dat gemeenten daarop vooruit mogen lopen, of ook voor andere wijzigingen?
Antwoord:
In de kamerbrief van 8 mei 2025 liet staatssecretaris Nobel weten dat gemeenten alvast kunnen starten met enkele wijzigingen. Dit geeft meer ruimte om jongeren te ondersteunen. Het gaat om de volgende vijf mogelijkheden:
- De vier weken zoektermijn niet toepassen voor jongeren tot 27 jaar, op individuele basis.
- Bijstand in schrijnende situaties toekennen met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden voor de meldingsdatum, om schulden te voorkomen.
- De geharmoniseerde aanvullende jongerennorm toepassen als jongeren redelijkerwijs geen steun van hun ouders kunnen krijgen.
- 15% van de inkomsten uit arbeid vrijlaten voor jongeren tot 27 jaar voor een periode van 1 jaar, met mogelijke verlenging op individuele basis.
- De bestaande stimuleringspremie voor arbeidsinschakeling ook toepassen op jongeren tot 27 jaar.
Voor andere wijzigingen geldt dat een deel ervan, volgens de huidige jurisprudentie, al toegepast zou moeten worden. Dit betreft:
- het toepassen van de alleenstaande norm bij een niet-rechthebbende partner;
- de ophoging van de bijstandsnorm met de alo-kop;
- de tweejaarstermijn bij het onweerlegbaar rechtsvermoeden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding bij voormalig gehuwden.
Er zijn ook wijzigingen waar je nu al voor kunt kiezen om ze toe te passen, zoals:
- de giftenvrijlating;
- de verhoogde bevoorschotting;
- het aanbieden van maatschappelijke participatie.
Voor veel andere maatregelen is echt nieuwe regelgeving nodig. Vaak is het ook wenselijk dat deze ICT-matig ondersteund worden, zoals bij de verruiming van bijverdiengrenzen, het bufferbudget, uniformering van inkomstenverrekening en het ambtshalve toekennen van de individuele inkomenstoeslag.
Het ministerie vindt een snelle implementatie erg belangrijk en benoemt daarom ook expliciet de mogelijkheid om − als een gemeente dat wil en kan − op deze wijzigingen (in 2026) te anticiperen. Maar ICT-matig zullen deze in het merendeel van de gevallen pas vanaf 1 januari 2027 kunnen worden ondersteund.
Vraag en antwoord
Benieuwd naar meer vragen en antwoorden? Bekijk dan ook de FAQ ‘Participatiewet in Balans: vraag en antwoord’.