Van ‘niet te veel’ naar ‘sowieso genoeg’: inkomensverrekening met de menselijke maat
In mijn vorige blog vertelde ik dat mijn vrouw een veel betere kok is dan ik. Terwijl ik krampachtig vasthoud aan mijn vijf standaardrecepten, kijkt zij simpelweg naar wat ingrediënten nodig hebben. Die les trok ik door naar re-integratie: we moeten de mens niet in een mal willen persen, maar de mens als vertrekpunt nemen.
Die gedachte geldt misschien nog wel sterker voor inkomensverrekening in de Participatiewet. Want zelfs de meest gemotiveerde inwoner houdt het lastig vol als financiële zekerheid plotseling wegvalt. En precies dat gebeurt in de praktijk soms wanneer iemand vanuit de bijstand aan het werk gaat.
De logica van het systeem
Bij inkomensverrekening is het perspectief van de organisatie vaak dominant. Het doel is begrijpelijk: voorkomen dat te veel bijstand wordt verstrekt. Niemand zit te wachten op een terugvordering die later voor problemen zorgt.
Om dat te voorkomen, hebben we systemen ingericht die zo nauwkeurig mogelijk willen verrekenen. Soms wordt inkomen gedurende de maand ingeschat, soms wachten gemeenten op een loonstrook voordat de aanvullende uitkering wordt vastgesteld. Vanuit de systeemwereld is dat logisch: de berekening klopt en fouten worden beperkt.
Maar klopt het ook in de leefwereld?
Wat foutloos rekenen kan betekenen
Stel je voor: iemand ontvangt eind januari een uitkering. In februari gaat diegene vol goede moed aan de slag via een uitzendbureau. De inkomsten zijn wisselend en de loonstrook volgt pas later. Om precies te kunnen verrekenen, wordt de uitkering tijdelijk aangepast of later vastgesteld. Het loon komt pas begin maart binnen; de aanvullende bijstand volgt enkele dagen later.
Op papier lijkt dit een succesverhaal: iemand werkt en de verrekening klopt.
Maar in de praktijk betekent dit soms anderhalve week extra overbruggen met een budget dat al onder druk staat. Als er na de vaste lasten nog €150 overblijft voor boodschappen en onverwachte uitgaven, is wachten geen technisch detail. Dan gaat het over bestaanszekerheid.
Van ‘niet te veel’ naar ‘sowieso genoeg’
De menselijke maat betekent niet dat we regels loslaten of financiële risico’s negeren. Het betekent wel dat we erkennen dat een juiste beslissing in de systeemwereld onbedoeld tot problemen kan leiden in de leefwereld.
Misschien vraagt dat om een andere reflex. Niet primair denken vanuit de vraag: geven we niet te veel? Maar vanuit de vraag: zorgen we dat iemand sowieso genoeg heeft om de maand door te komen?
De ontwikkelingen binnen de Participatiewet in Balans bieden hiervoor gelukkig meer ruimte. Denk aan:
- Generieke vrijlatingsbepalingen, waardoor werken direct meer oplevert;
- Het bufferbudget, als financiële schokdemper bij wisselende inkomsten;
- Meer ruimte voor maatwerk, bijvoorbeeld door af te zien van terugvordering of gebruik te maken van instrumenten zoals de premie arbeidsinschakeling.
De uitvoeringspraktijk op orde
Inkomensverrekening vanuit de menselijke maat vraagt om een bredere blik. Niet alleen kijken of de berekening klopt, maar ook wat die berekening doet in het dagelijks leven van inwoners.
Als we financiële stress verminderen en meer uitgaan van continuïteit, ontstaat ruimte. Ruimte om weer vooruit te kijken, om te participeren en om werk vol te houden. Want pas als er voldoende rust is over morgen, ontstaat ruimte om stappen vooruit te zetten.
De vraag is dus misschien niet alleen of het bonnetje klopt, maar ook of ons handelen inwoners helpt om verder te komen.