Overslaan en naar de inhoud gaan
Spaarvarken

Iedere maand leggen we een onderwerp binnen de Participatiewet in Balans onder de loep. Deze keer vertelt Erik Rutten, Divosa-programmamanager Participatiewet in Balans, ons meer over het verschil tussen inkomen en vermogen.

Het verschil tussen inkomen en vermogen. Je vraagt je misschien af wat dit onderwerp te maken heeft met Participatiewet in Balans. Toch speelt het verschil tussen inkomen en vermogen een belangrijke rol bij zaken zoals de giftenvrijlating en de vermogenstoets.

Als je terugkijkt naar de discussie rondom de hardheden in het voorproces van dit wetsvoorstel, zie je vaak dat de oorzaak lag in de ruimere interpretatie van het begrip inkomen die de jurisprudentie in de afgelopen tien jaar heeft ontwikkeld.

Even een kleine uitleg. Nee, ik begin niet bij de boodschappenaffaire. Daar speelde de vraag of iets inkomen of vermogen was namelijk helemaal niet. Volgens de rechtspraak kan iemand immers niet vrij beschikken over boodschappen: ze zijn moeilijk te verkopen en dus niet opnieuw in geld om te zetten. Daarom zijn boodschappen geen middelen in de zin van inkomen of vermogen, maar een besparingsbijdrage. Een redenering die bijna roept om vereenvoudiging binnen de rechtspraak. Maar ja, zo eenvoudig gaat dat niet.

50 euro inkomen betekent in principe 50 euro minder bijstand die maand. Bij vermogen werkt dat anders.

Waar gaat het dan wél om? Het verschil tussen inkomen en vermogen heeft namelijk directe gevolgen voor de bijstand. Iets dat als inkomen wordt gezien, beïnvloedt de uitkering direct: 50 euro inkomen betekent in principe 50 euro minder bijstand die maand. Bij vermogen werkt het anders. Ontvang je 2.000 euro aan vermogen, dan wordt dit opgeteld bij het vastgestelde vermogen. Blijf je onder de vermogensgrens, dan heeft dat geen direct effect op je bijstand.

Breid je, zoals de jurisprudentie in het vorige decennium vaak deed, het begrip inkomen uit, dan vertaalt zich dat meteen in zwaardere bijstandsrechtelijke gevolgen. Een opvallend voorbeeld is de behandeling van kasstortingen. Incidentele stortingen werden eerst als vermogen gezien, maar sinds ongeveer 2017 beschouwt de rechtspraak contante stortingen waarvan de herkomst onduidelijk is, als inkomen. Betrokkene moet aantonen dat dit niet het geval is.

Om te beoordelen of een gift verantwoord is, moet gekeken worden naar de bestemming van het bedrag.

Een vergelijkbare trend zien we bij giften. Om te beoordelen of een gift verantwoord is, moet gekeken worden naar de bestemming van het bedrag. Betrokkene moet aantoonbaar en verifieerbaar maken waar het geld voor bedoeld is. Lukt dat niet, dan wordt het − jawel − als inkomen gezien. Zeker bij geldstromen in de familiesfeer is het vaak lastig om dit vooraf schriftelijk vast te leggen of achteraf aannemelijk te maken.

Een giftenvrijlating − ongeacht het bedrag − of het afschaffen van de vermogensstaffeling verandert hier niets aan. Het gaat erom in welke situaties je de verklaring van betrokkene aannemelijk acht. Daar ligt jouw professionele speelruimte: je bent niet verplicht altijd de ondergrens van de rechtspraak aan te houden.

Kortom: de ‘hardheden’ blijven bestaan bij een giftenvrijlating, als je slechts beperkt aannemelijk acht dat er sprake is van een gift. Ga je in alle gevallen mee, dan loop je het risico een soort nieuwe fraudewet te creëren. De kern zit dus in wat je aannemelijk acht − dat is de draaiknop om hardheden te voorkomen zonder je fraudealertheid te verliezen. De jurisprudentie biedt hierin geen kant-en-klare oplossingen; die grenzen zullen we samen moeten vinden. Divosa werkt hier samen met de VNG aan handelingskaders om gemeenten te ondersteunen bij dit soort vragen.