Overslaan en naar de inhoud gaan

Waarom mijn vrouw beter kookt (en wat de Participatiewet daarvan kan leren)

Ik ben een recepten-mens. Dat houdt niet in dat ik graag kook, maar dat ik me als ik kook graag volledig laat leiden door een recept. Anders dan mijn vrouw heb ik niks met ready-steady-cook, waarbij je gewoon kijkt wat je in huis hebt en daar een maaltijd van maakt. Ik probeer er altijd voor te zorgen dat ik de ingrediënten voor een van mijn vijf − ik zei al dat ik niet graag kook − standaard recepten in huis heb. Toch vallen de maaltijden van mijn vrouw vaak beter in de smaak dan de mijne. Geeft niet, ik heb ermee leren leven. Maar goed, terug naar de metafoor, want dat is het natuurlijk.

Kijk ik naar onze inzet op re-integratie, dan bekruipt me het idee dat we ook daar vaak onze inzet laten leiden door wat de arbeid vraagt. We proberen de mens naar de arbeid te modelleren. We hebben prachtige trainingen voor werknemersvaardigheden, we toetsen op arbeidsvermogen en we doen aan jobcarving om een plekje passend te maken. Maar doen we daarmee recht aan de inwoner? Het voelt soms als koken vanuit een heel beperkt kookboek. We hebben − net zoals ik − maar drie of vier gerechten op de kaart staan en we proberen elke inwoner, elk uniek ingrediënt, met wat snij- en schaafwerk in dat ene recept te passen. En als het niet past? Dan verklaren we het ingrediënt onbruikbaar − lees: onbemiddelbaar.

De mens als vertrekpunt, niet de mal

Wat zou er gebeuren als we het kookboek dichtdoen en − net als mijn vrouw − simpelweg kijken naar de ingrediënten die we voor ons hebben? Zij dwingt de ingrediënten niet in een recept, maar laat het recept ontstaan uit wat er is. Als we de focus verleggen van arbeidsinschakeling naar ondersteuning in het menszijn, veranderen we de hele dynamiek. Een mens is immers meer dan een potentiële werknemer; een mens is een interacterend en participerend wezen. Wanneer we investeren in die basis − in de menselijke verbinding, in het zelfvertrouwen, in het gevoel van betekenis te zijn voor een ander − dan ontstaat er iets interessants.

De praktijk − en ook internationaal onderzoek naar de Life First-benadering − laat zien dat werk dan vaak een logisch gevolg is in plaats van een afgedwongen doel. Werk komt om de hoek kijken omdat de mens weer rechtop staat en vanuit zijn eigen kracht wil bijdragen.

Stoppen met hokjesdenken

Vanuit die gedachte heb ik moeite met het idee om ons bestand in zorg- en werkklanten in te delen, omdat we dan vasthouden aan een re-integratie die vertrekt vanuit standaardrecepten.

Ik zou willen pleiten voor een naar de mens gerichte inzet op participatie. Dat gaat in wezen ook schuil achter de introductie van maatschappelijke participatie binnen de vernieuwde Participatiewet. Het vraagt om een bredere blik en een primaire inzet op zaken als verbinding, zelfvertrouwen en betekenis. Vanuit die bredere blik wordt de mens niet langer een radertje dat we passend moeten vijlen voor de arbeidsmarkt, maar vormt hij de bron waaruit de beweging naar werk vanzelf ontstaat. Naar een re-integratie niet vanuit maatwerk, maar vanuit menselijke maat.

Contactpersoon