Overslaan en naar de inhoud gaan

Wat werkt in de begeleiding van cliënten naar duurzame participatie? Inwoners, professionals en wetenschappers onderzochten dit samen in Community of Practice Gewogen Maatwerk. Zij kwamen uit op twaalf leidende gedragsprincipes. In dit artikel: vijf inzichten over effectieve samenwerking met de inzet van de LGP’s.

De twaalf leidende gedragsprincipes (LGP’s):

  1. Aansluiten bij het gewenste toekomstperspectief van de inwoner
  2. Ruimte geven om de inwoner zelf te laten ontdekken wat haalbaar is. 
  3. Versterken van het vertrouwen in eigen kunnen van de inwoner.
  4. Versterken van het omgaan met tegenslag van de inwoner.
  5. Gebruiken van het sociale netwerk van de inwoner.
  6. De stress verminderen door grip te krijgen op urgente belemmeringen.
  7. Rekening houden met het tempo en de belastbaarheid van de inwoner.
  8. Voldoende tijd en ruimte nemen om elkaar te leren kennen.
  9. Opbouwen van wederzijds vertrouwen.
  10. Samen met de inwoner beslissen over de inhoud van het traject.
  11. Helder zijn over wat volgens de wettelijke kaders kan en niet kan.
  12. Bewust rekening houden met het verschil in macht en begeleiding.

LGP’s geven richting aan het gesprek waarin professional en inwoner samen verkennen welke stap betekenisvol, haalbaar en passend is binnen de mogelijkheden en verplichtingen van het re-integratiekader. De LGP’s zijn genummerd, maar LGP 1 is niet belangrijker dan 12. Alle LGP’s hangen met elkaar samen en worden idealiter ook in samenhang gevolgd. 
 

1.    Een welkom en veilig gevoel
Een gevoel van veiligheid en welkom zijn vormt de basis voor goede begeleiding en samenwerking. Van daaruit kan verbinding tot stand komen en vertrouwen groeien.  

In de CoP bogen cliënten en professionals zich aanvankelijk als aparte groepen over dezelfde vraag: waarvan merkte je dat het werkt in de re-integratie die je kreeg of begeleidde? Dat leidde tot herkenning. Want hoewel hun perspectieven verschillen, bleken de ideeën van cliënten en professionals over wat werkt grotendeels overeen te komen. Net als hun intentie om deel te nemen aan het onderzoek: verbetering van de dienstverlening. Vanuit dat inzicht groeide de interesse om als één groep op te trekken.

Professionals en cliënten nemen niet dezelfde positie in. Er bestaat tussen hen een machtsverschil (zie LGP 12 in het kader). Door de interactie niet te forceren, maar geleidelijk te laten ontstaan, krijgen wederzijds vertrouwen, veiligheid en verbinding de ruimte.

2.    Weten wat wel en niet kan
Cliënten én professionals hebben behoefte aan duidelijkheid. Wat zijn de regels? Wat zijn de kaders van onze samenwerking en van mijn rol daarin? Wat mag ik, wat moet ik en wat kan ik? Met name de juridische kaders brengen een zekere spanning met zich mee. Ze zijn lang niet altijd duidelijk, maar er zijn wel vaak consequenties aan verbonden.

Het is daarom belangrijk hierover in gesprek te gaan: professionals en cliënten, professionals onderling en met leidinggevenden. Weten wat je speelruimte is, geeft zicht op je mate van zelfbeschikking en grip op je mogelijkheden. Let ook hier weer op het verschil in macht: wees je bewust van je positie en verplaats je in de ander.

3.    Practice what you preach …
De LGP’s zijn niet alleen effectief in het contact met cliënten. Aansluiten bij het perspectief van de ander, de tijd en ruimte nemen om elkaar te leren kennen, werken aan grip op urgente belemmeringenhelderheid, helderheid over kaders: deze fundamentele uitgangspunten zijn óók effectief in de samenwerking tussen professionals en de begeleiding door leidinggevenden.

4.    … en praat daar (vaak) over
Zoals ook in het artikel 'Samen voor kwaliteit in een lerende organisatie' ter sprake komt: gesprekken over het werk zijn een belangrijk instrument voor leren en ontwikkelen. Maak daar dus structureel ruimte voor, formeel en informeel – en zet daarbij vooral ook de LGP’s in, bijvoorbeeld voor intervisiegesprekken en casuïstiekbesprekingen.

Bespreek een casus met elkaar en ga na: Wat gebeurt hier in het contact? Welk principe speelt hier mee? Waar ontstaat verbinding en waar juist afstand of weerstand? Of: focus op een van de LGP’s en wissel uit: Hoe heb jij hieraan gewerkt? Waar liep je tegenaan? Hoe heb je dat opgelost? Hoe gaat het nu?

Zulke gesprekken dragen bij aan het gezamenlijke bewustzijn van wat werkt en waaróm het werkt. Zo ontwikkel je samen stap voor stap een professionele standaard die maatwerk ondersteunt en versterkt.

5.    Aandacht voor transitiemomenten
Cliënten komen binnen, maken een ontwikkeling door, hebben met verschillende professionals te maken en stromen uit. Uit onderzoek blijkt dat deze transitiemomenten in hun re-integratietraject kritieke fasen zijn. Cliënten ervaren bijvoorbeeld hun uitstroom als positief, maar ook spannend. Hen niet in een keer loslaten kan onzekerheid wegnemen, maar nog niet veel gemeenten doen dat. Door juist ook tijdens die transitiemomenten bewust volgens de LGP’s te werken – denk aan: versterken van het vertrouwen, stress verminderen en samen beslissen – werk je aan meer maatwerk in de begeleiding. En aan meer inzicht (professionals kunnen hun keuzes explicieter maken) en effectiviteit (begeleiding sluit aan bij wat iemand nodig heeft om een volgende stap te zetten) in re-integratie.

Meer informatie