Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?
Publicatie datum: 10-04-2019

Deze publicatie printen Downloaden als pdf

Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Aanleiding

'Geen tijd te verliezen'

De boodschap van het WRR-rapport ‘Geen tijd te verliezen: van opvang naar integratie van asielmigranten’ (2015) was helder. De achterstandspositie van vluchtelingen in Nederland kan verbeterd worden door gelijktijdig te werken aan huisvesting, taal, opleiding en werk. Dit moet voorkomen dat een grote groep vergunninghouders afhankelijk wordt van de bijstand.

Taskforce Werk en Integratie Vluchtelingen

Nederland kreeg in 2015 te maken met een grote toestroom van vluchtelingen. Verwacht werd dat een groot deel van hen een verblijfsvergunning zou krijgen en zich voor langere tijd in Nederland zou vestigen. Om actieve integratie en participatie te realiseren, werken het kabinet en de gemeenten intensief samen met de belangrijkste partners in het veld. Samen hebben zij de Taskforce Werk en Integratie Vluchtelingen Werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland, Werknemersorganisaties FNV en CNV, ABU en NBBU (uitzendbranche), Sociaal Economische Raad (SER), UWV, Divosa (Sociale Diensten van gemeenten), Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), UAF (studie en werk voor hoger opgeleide vluchtelingen), VON (Vluchtelingenorganisaties NL), Vluchtelingenwerk Nederland, MBO-raad, G4, Ministeries van V&J, OCW, BZK en SZW. opgestart. Doel van de Taskforce: de participatie en integratie van vergunninghouders te versnellen en te verbeteren door te investeren in screening, matching en integratie en door binnen de keten kennis uit te wisselen en het onderlinge netwerk te versterken.

Project Screening en matching vergunninghouders

Een van de Taskforce-opdrachten was het ontwikkelen van een systematiek om de capaciteiten van vergunninghouders in een zo vroeg mogelijk stadium van de asielopvang in beeld te brengen. Deze informatie is enerzijds van nut bij de koppeling van een vergunninghouder aan een gemeente, anderzijds om de wachttijd tussen koppeling en huisvesting zinvol te besteden, bijvoorbeeld door alvast trajecten in te zetten die leiden naar werk of een opleidingsplek. Uit deze opdracht is het project Screening en matching vergunninghouders voortgekomen. Divosa is gevraagd dit project te leiden en samen met onder meer het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) verder vorm te geven.

Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Over het project

De belangrijkste doelstelling van Screening en matching is het verbeteren van de positie van vergunninghouders door hun integratie en participatie te versnellen via scholing en werk. Divosa heeft hiervoor een structuur van 35 regio’s ingericht waarbinnen 35 regiocoördinatoren, ondersteund door een projectbureau van Divosa, aan de slag zijn gegaan.

Regiocoördinatoren

De regiocoördinatoren zijn in hun regio aanspreekpunt op het gebied van participatie en integratie van vergunninghouders. Ze zijn de spin in het web voor landelijke partijen en lokale partners, azc’s, werkgeversservicepunten, leerwerkloketten, onderwijsinstellingen en sector- en brancheverenigingen. Ze leggen verbindingen, brengen partijen bij elkaar, brengen en halen kennis, delen ervaringen en jagen versnelling aan. Met het oog op de aanbevelingen uit het WRR-rapport streven zij na dat in korte tijd:

  • het opleidings- en arbeidsverleden van mensen al in azc’s in kaart wordt gebracht;
  • de gemeentelijke rol is versterkt: gemeenten nemen steeds eerder en vaker regie;
  • parallelle aanpakken ontstaan: het leren van de taal, het volgen van een opleiding en vinden van werk gaan steeds vaker hand in hand;
  • er al vroeg in het integratietraject aandacht wordt besteed aan diplomawaardering en mensen worden gestimuleerd om een Nederlands diploma te halen;
  • vergunninghouders waar mogelijk ‘kansrijk gekoppeld’ worden: mensen worden daar geplaatst waar zij kans op werk hebben.

Vier onderdelen

Het project Screening en matching vergunninghouders bestond uit vier onderdelen:

  1. Kansrijke Koppeling
    In 2016 is besloten dat het COA de kansrijke koppeling voor zijn rekening neemt. De kansrijke koppeling houdt in dat het COA vergunninghouders op basis van criteria als achtergrond, opleiding en interesses matcht met een arbeidsmarktregio. Achterliggende gedachte is dat zij zo eerder werk kunnen vinden. Om de gewenste gegevens te verzamelen, stellen COA-medewerkers de vergunningshouders tijdens het huisvestingsgesprek vragen. Aanvullend maken zij gebruik van gegevens van UWV, SBB en onderwijssites. De regiocoördinator heeft in dit proces geen directe rol. Wel leveren de regiocoördinatoren input vanuit de praktijk waarmee het proces van de kansrijke koppeling kan worden verbeterd.
  2. Integratie en participatie vanaf dag 1
    Na de kansrijke koppeling komen de regiocoördinatoren in beeld. Als stuwende kracht vervullen zij een belangrijke functie in het benutten van de kansrijke koppeling. Ze stimuleren de vergunninghouder, gemeente en andere stakeholders bij het opzetten van integratietrajecten en dienstverlening gericht op participatie en integratie. Het COA heeft eerder al stappen gezet op het gebied van participatie vanaf dag 1 met programma’s als V-inburgering en VOORwerk en ook projecten als Aan de Slag van Pharos dragen bij aan een vroege integratie en participatie. Verder nemen regio’s en gemeenten deel in dit proces, bijvoorbeeld door het aanbieden van kennismakingsprogramma’s met de stad of regio, extra taalondersteuning en assessments.
  3. Warme overdracht en doorlopende lijn
    Bij de verhuizing van de vergunninghouder van het azc naar de gemeente is een warme overdracht belangrijk. In het azc heeft de vergunninghouder al dan niet deelgenomen aan trainingen, taallessen of vrijwilligerswerk. De resultaten hiervan vormen de basis voor de komst naar de gemeente en worden geregistreerd in een digitaal klantprofiel dat gemeenten via het Taak Volg Systeem (TVS) kunnen inzien. De partijen die bij de vergunninghouder betrokken zijn, staan in nauw contact met elkaar om hem of haar zo goed mogelijk te kunnen begeleiden. De regiocoördinatoren stimuleren gemeenten om hun dienstverlening rond participatie en werk te laten aansluiten bij de dienstverlening van het COA en om de digitale klantprofielen goed op te pakken. Ook benadrukken zij het belang van een warme overdracht, idealiter in een driegesprek tussen de casemanager van het COA, de gemeente en de vergunninghouder.
  4. Integrale trajecten
    Gemeenten voeren steeds meer regie in de integratie en participatie via scholing en werk. Enerzijds door de dienstverlening in de keten goed af te stemmen – bijvoorbeeld rond inburgering, onderwijs en werk –, anderzijds door die dienstverlening niet meer na elkaar, maar parallel aan te bieden. Gemeenten zijn hierin nog volop aan het experimenteren. Regiocoördinatoren stimuleren dit door kennis en ervaringen te delen, kansen en knelpunten terug te koppelen, partijen in de keten te verbinden en te zorgen dat geleerde lessen geborgd worden in de reguliere dienstverlening.
Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Kansrijke koppeling

In de fase van de kansrijke koppeling matcht het COA vergunninghouders met een arbeidsmarktregio op basis van achtergrond, opleiding en interesses. Het idee is dat zij op deze manier eerder werk kunnen vinden.

Koppeling op basis van arbeidskansen blijft volgens gemeenten lastig

Het huisvesten van vergunninghouders in een regio waar hun kansen op werk groter zijn, pakt volgens de regiocoördinatoren in de praktijk nog onvoldoende uit. Dit heeft diverse oorzaken. Zo is het proces op basis waarvan gekoppeld wordt niet altijd even helder voor de gemeente. Is iemand gekoppeld op basis van arbeidskansen in een bepaalde sector of speelde het netwerk van de vergunninghouder een rol. Of was het op basis van nog een niet vervulde huisvestingstaakstelling?

Op dit moment voeren de Beleidsonderzoekers in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een evaluatieonderzoek uit naar de Kansrijke koppeling.

Opleiden voor kansrijke sectoren

In sommige regio’s, zoals in de regio Haaglanden, is door de werkgeversservicepunten een aantal kansrijke sectoren benoemd waarop extra wordt ingezet en waarvoor regionaal middelen zijn vrijgemaakt. Doel hiervan is om nieuwkomers dusdanig op te leiden dat zij in een van deze sectoren aan de slag kunnen.

Goed voorbeeld uit de regio

De Kansverkenner – Limburg Midden

De Kansverkenner is een vooruitgeschoven post van de gemeenten in de arbeidsregio Limburg Midden die vroegtijdig de verbinding maakt tussen azc en de gemeenten (op het moment dat de vergunninghouder nog in het azc verblijft, maar wel al voor definitieve huisvesting is toegewezen aan de gemeente). De gemeenten in de regio financieren het project gezamenlijk, de aansturing vindt plaats vanuit de gemeente Roermond. De betreffende regiocoördinator was bij de aanpak betrokken.

De Kansverkenner is wekelijks een dag aanwezig op elk van de centra in Weert, Baexem en Echt. Hij spreekt de vergunninghouders die aan de regio gekoppeld zijn, maakt een profiel op via een intake en stimuleert directe activering door bijvoorbeeld stage, opleiding, werkervaring en inburgering. De Kansverkenner stemt dit af met casemanagers in het azc en schakelt met de gemeenten. Ook brengt hij de vergunninghouders die gekoppeld zijn maar nog verblijven in een azc in een regio die op grote afstand ligt, via telefonische contacten in beeld.

De voorlopige opbrengsten:

  • Belangrijke aandachtspunten zoals profileren, een planmatige aanpak op maat, focus en activeren vanaf dag 1 en een warme overdracht naar gemeenten, komen in deze aanpak goed tot uitdrukking.
  • De doelgroep is beter in beeld, zodat te ontwikkelen trajecten beter aansluiting vinden.
  • Er is een betere opvolging van activiteiten.
  • Omdat er duidelijk aandacht en perspectief wordt geboden, bevordert de aanpak de motivatie van de vergunninghouders
  • Er is een gezamenlijke ketenvisie.
Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Integratie en participatie vanaf dag 1

Na de fase van de kansrijke koppeling komen de regiocoördinatoren in beeld. Ze stimuleren de vergunninghouder, gemeente en andere stakeholders bij het opzetten van integratietrajecten en dienstverlening gericht op participatie en integratie van de vergunninghouder.

Gemeenten nemen de regie

Gemeenten voelen zich anno 2018 verantwoordelijk voor de inburgering en nemen op veel plaatsen de regie – vooruitlopend op het nieuwe inburgerstelsel 2021. Dit blijkt ook uit de Monitor gemeentelijk beleid arbeidstoeleiding vluchtelingen 2018 van het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS): 75% van de gemeenten start met de arbeidstoeleiding op het moment dat een vergunninghouder zich in de gemeente vestigt.

Over de hele linie worden vorderingen gemaakt in het aanbieden van passende ondersteuning aan vergunninghouders richting de arbeidsmarkt. Gemeenten noemen persoonlijk contact en intensieve begeleiding als belangrijkste succesfactoren.

Uit de monitor blijkt verder dat 84% van de gemeenten werkt met dedicated klantmanagers die vergunninghouders met meer expertise en soms een lagere caseload begeleiden. Voor de regiocoördinatoren is het prettig om te kunnen samenwerken met een dedicated klantmanager. Zij worden door hen betrokken bij de invulling van hoe het team moet gaan werken en kunnen de uitvoering via de dedicated klantmanager stimuleren.

COA en gemeenten werken beter samen

Bij azc’s in het hele land worden bijeenkomsten, meet & greets en andere activiteiten georganiseerd om de klantmanagers van de gemeente te laten kennismaken met medewerkers van het COA en hen te informeren over de gang van zaken in de azc’s. Ook de regiocoördinatoren zijn nauw betrokken bij deze bijeenkomsten en activiteiten.

Het contact tussen het COA en de arbeidsmarktregio’s is sterk verbeterd. Gemeentelijke klantmanagers en de casemanagers van het COA weten elkaar te vinden. Gemeenten zijn veel meer dan voorheen op de hoogte van de voorinburgeringprogramma’s in de azc’s. Om dubbelingen met trainingen door bijvoorbeeld VluchtelingenWerk te voorkomen, pleiten een aantal regio’s voor meer informatie en overleg.

Warm welkom gewaardeerd

Gemeenten hechten waarde aan een warm welkom voor vergunninghouders en geven hieraan ieder een eigen invulling. In sommige gemeenten ontvangen vergunninghouders al vóór hun verhuizing een welkomstpakket om zich op hun nieuwe leefomgeving te kunnen voorbereiden – iets wat zij erg waarderen. In Zeist is bij wijze van proef een informatiemarkt voor vergunninghouders georganiseerd waar zij kennis kunnen maken met lokale organisaties en initiatieven. Zaanstad organiseert een welkomstdag voor nieuwkomers.

Integratie vanaf dag 1 nog niet overal een feit

Gemeenten willen graag vanaf dag 1 aan de slag, maar in de praktijk lukt dat niet altijd. Met name als de fysieke afstand tot het azc groter is, komt dit lang niet altijd van de grond. De gekoppelde vergunninghouders komen namelijk van azc’s verspreid over het hele land, wat het lastig maakt om met elk centrum afzonderlijk afspraken te maken.

Goed voorbeeld uit de regio

Drie-fase aanpak- Helmond-De Peel

In de arbeidsmarktregio Helmond-De Peel doorloopt een vergunninghouder het driefasenmodel, in mei 2018 door de SER omschreven als een ‘best practice’. Vluchtelingen en Werk ‘Een nieuwe tussenbalans’. SER, mei 2018.

In de aanloopfase vindt de zogeheten voorinburgering en diagnose bij het azc plaats. In deze periode wordt al contact gelegd met het Werkbedrijf en vindt waar mogelijk de eerste informatie-uitwisseling plaats tussen het azc en de gemeente.

Tijdens de landingsfase wordt de vergunninghouder gehuisvest en ligt het accent op het wegwijs maken en de maatschappelijke integratie. Ook het Participatieverklaringstraject start in deze fase.

De derde fase richt zich op het verkrijgen van betaald werk. De maatschappelijke integratie is dan op gang gebracht, de inburgering is gestart of op zijn minst voorbereid en de Participatiecoach heeft een gefundeerde indruk van de talenten en belemmeringen van de vergunninghouder. De informatie die het Werkbedrijf gebruikt om een goed beeld te vormen van de vergunninghouder, is gebaseerd op meerdere bronnen, zoals de bevindingen van het COA, de informatie van VluchtelingenWerk en eventueel de taalaanbieder.

Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Warme overdracht en doorlopende lijn

Bij de verhuizing van de vergunninghouder van het azc naar de gemeente is een warme overdracht belangrijk.

Bijna overal parallelle trajecten

Activatie en participatie van vergunninghouders hebben de aandacht van gemeenten. Waar inburgering en opleiding of toeleiding naar werk voorheen veelal na elkaar werden ingezet, gebeurt dat nu bijna overal gelijktijdig. Het besef dat er geen tijd te verliezen is, is in het hele land doorgedrongen.

Een voorbeeld hiervan is de Startmodule in de regio Drechtsteden. Zo veel mogelijk in de eerste maand van huisvesting in de regio krijgen vergunninghouders een programma van 6 weken (4 dagdelen per week) aangeboden; een uitgebreide kennismaking tussen hen en de gemeente. Zij krijgen uitleg over hun rechten en plichten als nieuwe inwoners en over de arbeidsmarkt en het onderwijssysteem. Vergunninghouders leren zichzelf voor te stellen en maken een cv en portfolio. De helft van het programma bestaat uit Nederlandse taalles, waarin deelnemers de woordenschat die nodig is voor de inhoud van het programma krijgen aangeleerd. Aan het einde van deze 6 weken vindt een warme overdracht plaats aan de regisseur van het team vergunninghouders van de afdeling Werk van de Sociale Dienst Drechtsteden.

Informatieoverdracht

Om de informatieoverdracht beter te stroomlijnen heeft het afgelopen jaar in verschillende regio’s overleg plaatsgevonden. Zo organiseerde de arbeidsmarktregio Zwolle samen met de casemanagers van het COA een werkbezoek aan het azc voor gemeentelijke (beleids)medewerkers. Doel was het uitwisselen van informatie over de voorinburgering en het verkennen van verbeterpunten voor de (informatie)overdracht van het COA naar de gemeenten.

Volgens de regiocoördinatoren heeft het COA behoefte aan informatie over de mogelijkheden voor maatschappelijke participatie binnen gemeenten zodat het gekoppelde vergunninghouders beter op weg kan helpen.

TVS-registratiesysteem

Een van de manieren waarop de informatie over vergunninghouders wordt overgedragen is via de klantprofielen in het TVS-registratiesysteem. De regiocoördinatoren stimuleren gemeenten om hun dienstverlening rond participatie en werk te laten aansluiten bij de dienstverlening van het COA en om de digitale klantprofielen goed op te pakken. Ook benadrukken zij het belang van een warme overdracht, idealiter in een driegesprek tussen de casemanager van het COA, de gemeente en de vergunninghouder – maar ook een telefonisch contact tussen een betrokken casemanager en een ontvangende klantmanager van de gemeente heeft al meerwaarde.

Een aantal klantmanagers geeft te kennen dat de informatie die gedeeld wordt in het TVS nog erg mager is of ontbreekt. Om privacyredenen zijn casemanagers met name terughoudend in het registreren van medische informatie. Verder ervaren sommige gemeenten het als belemmerend dat niet alle partijen die bij de vergunninghouder betrokken zijn, toegang hebben tot het systeem. Een aantal regiocoördinatoren spreekt dan ook de wens uit om de klantprofielen in het TVS toegankelijk te maken voor andere partijen die zijn belast met de activatie en integratie van vergunninghouders. Tegelijkertijd dragen de regiocoördinatoren de boodschap uit: wat ook de stand van zaken is van het TVS, het is altijd zinvol om contact met elkaar te hebben. Vaak wordt er in dat onderlinge contact immers relevante informatie uitgewisseld die niet in het TVS is opgenomen.

Goed voorbeeld uit de regio

Doorgaande lijn in Utrecht

In de arbeidsmarktregio Utrecht werkt men met de zogeheten ‘Doorgaande Lijn’. Doel van deze methode is het stroomlijnen van de uitwisseling van informatie tussen organisaties die bij de vergunninghouder betrokken zijn. De Doorgaande Lijn bestaat uit een aantal stappen:

  • afnemen NOA-assessments in de azc’s;  
  • voeren van intakegesprek in het azc met de casemanager, vergunninghouder en medewerker van de uitvoeringsorganisatie van de gemeente waar de vergunninghouder gaat wonen;
  • maken van het integraal Plan Inburgering en Participatie (PIP) en dit vaststellen in een gesprek met de vergunninghouder, casemanager van het COA en medewerker van de uitvoeringsorganisatie;
  • voeren van voortgangsgesprekken.

In 2017 is de Doorgaande Lijn voor 35 vergunninghouders geëvalueerd. De resultaten daarvan waren positief; de methode is voor zowel het COA als de gemeente van meerwaarde. Het is een prettige manier om relevante informatie te delen en ook vergunninghouders zijn enthousiast. Zij hebben nu ‘een gezicht’ bij de gemeente en weten waar ze terecht kunnen als ze vragen hebben.

Belangrijke vooruitgang geboekt

Met de komst van de regiocoördinatoren is belangrijke vooruitgang geboekt in het realiseren van een sluitende infrastructuur waarbinnen partijen elkaar gemakkelijk weten te vinden en van waaruit gezamenlijke initiatieven worden ontwikkeld. In zijn inventarisatie en analyse van initiatieven gericht op het vergroten van de maatschappelijke participatie van vergunninghouders (‘Signalering Vluchtelingen en Werk: een nieuwe tussenbalans’) schrijft de SER:

Zij [de regiocoördinatoren] hebben in verschillende regio’s nieuwe samenwerkingsvormen tot stand gebracht. Ook kunnen zij gemeenten aanspreken op het belang om hierin als beleidsverantwoordelijke een centrale rol te spelen. Het versterken, verder uitbouwen en onderhouden van deze regionale verbindingen komt naar de mening van de raad ten goede aan het realiseren van doorlopende lijnen in het ondersteuningsaanbod. 

En:

Betere afstemming tussen gemeenten onderling en hechtere samenwerking tussen gemeenten en andere partijen in de regio kunnen helpen om bewezen successen op grotere schaal te benutten.

In verschillende regio’s worden op aangeven van de regiocoördinatoren werkprocessen aangepast om de doorgaande lijn te implementeren en borgen.

Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Integrale trajecten

Integrale trajecten, waarbij het leren van de Nederlandse taal en cultuur en de begeleiding naar werk of studie gecombineerd worden in één programma, worden steeds meer de norm. In eerder genoemd rapport wijst de SER erop dat het starten van toeleidingstrajecten naar onderwijs of werk tegelijk met de inburgering veel tijdswinst oplevert en de mogelijkheid biedt om het taalonderwijs af te stemmen op het perspectief van de kandidaten, wat de instroommogelijkheden richting school en de arbeidsmarkt vergroot. Dit komt een-op-een overeen met wat het project Screening en matching en de inzet van de regiocoördinatoren beoogt.

Tegelijkertijd is er meer en meer oog voor (samenhangende) problemen. Zo volgt na de verhuizing in steeds meer gemeenten een brede intake met de vergunninghouder, waarbij aandacht is voor eventuele problemen, bijvoorbeeld op het gebied van financiën en gezondheid. De regiocoördinatoren wijzen in dit verband op het belang dat de gemeente ervoor zorgt dat alle betrokken partijen op de verschillende leefgebieden na de intake precies weten wie wat doet en wie het overzicht houdt.

Publiek-private samenwerking groeit

Ondernemers blijken soms huiverig om vergunninghouders een kans te geven, maar goede voorlichting en de juiste begeleiding op de werkvloer kunnen deze koudwatervrees veelal wegnemen. De regiocoördinatoren hebben dan ook veel geïnvesteerd in de samenwerking met publieke en private partners om integrale trajecten voor scholing en arbeidstoeleiding te realiseren. In verschillende regio’s wordt in diverse sectoren (bouw, installatietechniek, ICT, land- en tuinbouw en logistiek) geëxperimenteerd met combinaties van werk en scholing. Diverse bedrijven, groot en klein, hebben zich bereid getoond hierin te participeren, bijvoorbeeld door het aanbieden van stage- en leerwerkplaatsen.

In verschillende regio’s, waaronder Enschede, Den Haag en Utrecht, worden matchingsevents voor regionale werkgevers en vergunninghouders georganiseerd. Het netwerk van regiocoördinatoren zorgt ook voor de kennisuitwisseling: Wat werkt? Wat werkt niet? Hoe kunnen de werkgevers ontzorgd worden? Door het delen van materiaal en gerichte trainingen helpen de regiocoördinatoren werkgevers aan een betere voorbereiding bij het in dienst nemen van vergunninghouders.

Goed voorbeeld uit de regio

Een voorschot op de onderwijsroute – Haaglanden

In de regio Haaglanden is in nauwe samenwerking met verschillende private en publieke partners gestart met het aanbieden van trajecten voor jonge vergunninghouders in de retail, zorg en techniek. De deelnemers volgen onderwijs op mbo-niveau 2 met extra taal- en rekenondersteuning. Vanuit dit programma kunnen ze doorstromen naar niveau 3: Retail, Horeca en VAVO.

Met deze schakeltrajecten en leerlijnen neemt Haaglanden een voorschot op de onderwijsroute die gaat gelden bij de nieuwe Wet inburgering in 2020. De partners in Haaglanden hebben de afgelopen jaren naar eigen zeggen veel kennis en ervaring opgedaan en een goed beeld gekregen van de knelpunten en cruciale succesfactoren voor een dergelijke onderwijsroute.

Snelle successen liggen niet voor de hand

De krapte op de arbeidsmarkt biedt in verschillende regio’s kansen voor het relatief eenvoudig aan – tijdelijk – werk helpen van een deel van de vergunninghouders. In lijn met de ervaringen van de regiocoördinatoren waarschuwt de SER dat ‘we ons bewust moeten zijn dat snelle successen niet voor de hand liggen. Daarvoor is de afstand van veel vergunninghouders tot de arbeidsmarkt te groot gebleken. Alleen door middel van op maat gesneden ondersteuning en langdurige begeleiding kan voorkomen worden dat grote groepen vergunninghouders de aansluiting met de arbeidsmarkt mislopen.’ De regiocoördinatoren stellen vast dat de mogelijkheden voor de groep vergunninghouders met weinig perspectief uiterst beperkt zijn. Extra, intensieve ondersteuning is noodzakelijk om te voorkomen dat zij langdurig in de bijstand terecht komen.

Op basis van de vele voorbeeldtrajecten uit het rapport doet de SER de volgende (positieve) constatering:

De beschreven voorbeelden laten zien dat snelle successen niet voor de hand liggen, maar ook dat investeringen in vergunninghouders beslist kunnen resulteren in duurzame arbeidsrelaties.

Een andere factor die het aan het werk helpen van vergunninghouders belemmert, is het niet beschikbaar zijn van werk voor deze groep. Op de vraag van KIS in 2016 aan gemeenten of er voldoende werk is voor vergunninghouders, antwoordde een overgrote meerderheid dat dit niet het geval is. Uit het herhalingsonderzoek dat een jaar later is gehouden, gaven de meeste gemeenten te kennen dat er voor vergunninghouders onvoldoende werkervaringsplekken en vrijwilligersplekken zijn gericht op werk. Genoemde knelpunten zijn de beperkte taalvaardigheid van vergunninghouders en het moeilijk kunnen combineren van werktijden en inburgeringslessen.

Als inburgeren moeizaam gaat ...

Er is ook een groep vergunninghouders die er door verschillende oorzaken niet in slaagt het inburgeringsdiploma te behalen. In een aantal regio’s wordt – vooruitlopend op de nieuwe wet – al gezocht naar alternatieven voor deze groep.

De problemen van Eritrese nieuwkomers en minderjarige alleenstaande vluchtelingen (AMV) vragen extra aandacht. Dat geldt ook voor de nareizigers, veelal vrouwen. Zeker wanneer de man al aan het werk is, is het gevaar groot dat de participatie van deze vrouwen wordt ‘vergeten’.

De regiocoördinatoren brengen deze groepen onder de aandacht in de interne organisatie, schakelen met de beleidsmakers en delen hun ervaringen, inzichten en aanbevelingen ook via het projectbureau met het Rijk.

Meer kennisdeling

Omdat overal in het land wordt geëxperimenteerd met integratie- en participatietrajecten, is kennisdeling over wat werkt essentieel. Gemeenten en uitvoeringsinstanties leren veel van de regiocoördinatoren, de regiocoördinatoren leren weer veel van elkaar – onder meer door het delen van de opbrengsten tijdens de zeswekelijkse landelijke bijeenkomsten en in de wekelijkse nieuwsbrief.

Vaak ook zijn de regiocoördinatoren trekker van regionale overleggen van de verschillende beleidsmedewerkers inburgering. Via deze overleggen verspreiden zij de kennis die vanuit het netwerk van regiocoördinatoren is opgedaan. Een aantal van hen heeft ook een eigen nieuwsbrief.

De rol van de regiocoördinator blijft ook extern niet onopgemerkt. Verschillende onderzoeksbureaus weten hen inmiddels te vinden en zij worden, net als het projectbureau, regelmatig gevraagd naar goede voorbeelden van integrale trajecten. Eén van de regio’s heeft inmiddels een landelijke inventarisatie gemaakt van de verschillende trajecten.

Project Screening en matching vergunninghouders: Wat is er bereikt tot 2019?

Conclusies

‘Eerder, sneller en intensiever’

De boodschap ‘Geen tijd te verliezen’ van de WRR blijkt vier jaar na dato in alle arbeidsmarktregio’s te zijn doorgedrongen. Er is, mede dankzij het project Screening en matching en de rol van de regiocoördinatoren hierin als spin in het web, ontwikkelaar, aanjager, bemiddelaar en verbinder, veel in gang gezet om de integratie en participatie van nieuwkomers in Nederland te verbeteren. Vanaf dag 1 wordt hier werk van gemaakt.

Gemeenten voelen zich verantwoordelijk voor de inburgering en pakken de regie. Een aantal gemeenten heeft de oproep van minister Koolmees om nu al aan de slag te gaan en niet te wachten tot de invoering van het nieuwe Inburgeringstelsel in 2020, ter harte genomen. Zoals ook uit de monitor 2018 van het Kennisplatform Integratie en Samenleving blijkt, start 75% van de gemeenten meteen met de arbeidstoeleiding op het moment dat een vergunninghouder zich in de gemeente vestigt. De aanpak is gericht op werk en scholing.

Zoals ook uit deze samenvatting blijkt, spelen de regiocoördinatoren een belangrijke rol in het benutten van de mogelijkheden. Ze delen kennis en stimuleren vergunninghouder, gemeente en andere stakeholders bij het opzetten van integratietrajecten en dienstverlening gericht op integratie en participatie ­vanaf dag 1.

Aanjagers in een dekkend netwerk

Ontwikkelaar, aanjager, verbinder. De 35 regiocoördinatoren zijn in veel regio’s de spin in het web. Het afgelopen jaar hebben zij – ook dankzij het landelijk dekkend netwerk – veel kennis en ervaringen kunnen delen en snel kunnen schakelen tussen landelijke, regionale en lokale ontwikkelingen. Dankzij hun onafhankelijke rol hebben ze op veel plaatsen uiteenlopende partijen bijeen gebracht en gezorgd voor een versnelling in de parallelle aanpak.

De SER schrijft over de rol van de regiocoördinatoren:

In de eerste plaats stimuleren zij de gemeentelijke betrokkenheid direct nadat de koppeling heeft plaatsgehad. In de tweede plaats zijn zij betrokken bij het realiseren van een warme overdracht tussen diverse functionarissen, in het bijzonder de casemanager van het COA en de klantmanagers van gemeenten. Niet in de laatste plaats stimuleren de regiocoördinatoren de opzet van integrale trajecten en parallelle dienstverlening. Dit doen zij door op regionaal en lokaal niveau partijen bij elkaar te brengen en door het stimuleren van gemeentelijke regie in de dienstverlening gericht op de integratie en participatie van vergunninghouders.

In het azc

De periode in het azc wordt beter benut dan voorheen: het profiel van de nieuwkomer is al in een eerder stadium bekend en de vergunninghouder wordt in het azc beter voorbereid op het leven in Nederland. De inzet van de regiocoördinatoren heeft ertoe geleid dat de betrokkenheid van gemeenten bij de activiteiten in de opvanglocaties is vergroot en dat er vaker sprake is van een warme overdracht tussen diverse organisaties. Dit constateert ook de SER in zijn rapport.

Samenwerking komt vooral tot bloei waar het azc in de buurt ligt van de gemeente waaraan de vergunninghouder gekoppeld is. De regiocoördinator is hierin een stuwende kracht. Daar waar het azc op grotere afstand staat, zijn creatieve oplossingen mogelijk zoals het sturen van een welkomstbrief of het organiseren van een welkomstdag. Over het algemeen hechten zowel de gemeenten als het COA waarde aan een directe communicatielijn. De participatiecoaches van het COA en de regiocoördinatoren vanuit de gemeenten kunnen eventuele knelpunten samen wegnemen. Zo ontstaat er ook meer bekendheid over de gang van zaken in het azc.

Uit de monitor van KIS blijkt dat het Taakstelling Volg Systeem (TVS) een belangrijke informatiebron is voor gemeenten: 64% van de gemeenten krijgt via deze weg informatie over vergunninghouders. Een aantal klantmanagers heeft aangegeven dat de informatie soms nog erg mager is of ontbreekt. Tegelijkertijd dragen de regiocoördinatoren de boodschap uit: wat ook de stand van zaken is van het TVS, het is altijd zinvol om contact met elkaar te hebben. Vaak wordt er in dat onderlinge contact immers relevante informatie uitgewisseld die niet in het TVS is opgenomen.

Bijna 30% van de gemeenten zegt een vaste contactpersoon bij het COA te hebben via wie zij informatie ontvangen.

Al vroeg in het integratietraject wordt aandacht besteed aan diplomawaardering en mensen worden gestimuleerd om een Nederlands diploma te halen.

Overal parallelle trajecten

De afgelopen jaren investeerden de regiocoördinatoren in de parallelle aanpak, waarbij het leren van de Nederlandse taal en cultuur gecombineerd wordt met de begeleiding naar werk of opleiding, vaak in combinatie met taalwerkstages of vrijwilligerswerk.

De inzet van de regiocoördinatoren heeft er onder meer toe geleid dat de betrokkenheid van gemeenten bij de activiteiten in de opvanglocaties is vergroot en dat er vaker sprake is van een warme overdracht tussen diverse organisaties.

Op regionaal en lokaal niveau brengen de regiocoördinatoren partijen bij elkaar en stimuleren zij gemeentelijke regie in de dienstverlening gericht op de integratie en participatie van vergunninghouders. In het hele land bestaan inmiddels tal van initiatieven waarbij onderwijsinstellingen, brancheorganisaties en werkgevers samen optrekken.

Kansrijke koppeling nog niet optimaal

Het idee om de vergunninghouder te koppelen aan een regio waar hij of zij de meeste kans maakt op betaalde arbeid verloopt in de praktijk nog niet optimaal. Het profiel van de regio’s is niet altijd even scherp en nog niet vervulde huisvestingtaakstellingen blijken vaker de basis voor de koppeling. Het ministerie is momenteel bezig met een evaluatie van de kansrijke koppeling.

Behoefte aan kennisdeling en maatwerk

Regio’s hebben behoefte aan het uitwisselen van ervaringen en kennis over wat wel en niet werkt. De regiocoördinatoren vervullen een voorname rol in deze kennisdeling. Belangrijk blijft de ruimte voor maatwerk en persoonlijke aandacht in de begeleiding van nieuwkomers. Een aantal regio’s investeert ook in trainingen op het gebied van cultuursensitief denken en handelen. Steeds meer regio’s maken gebruik van sleutelpersonen, vaak oudkomers, om een brug te vormen met de nieuwe inwoners van de gemeenten.

Verschil in aanpak

In het oog springt het enorme verschil in aanpak tussen arbeidsmarktregio’s en tussen gemeenten onderling. Dat heeft te maken met factoren als de grootte van de regio, het aantal vergunninghouders maar ook het politieke draagvlak. Dit werkt door in het lokale beleid.

Vergunninghouders zouden veel meer betrokken kunnen worden bij de invulling van het lokale beleid. Zij weten bij uitstek op welke fronten het goed gaat met hun integratie en participatie en waar niet. In een aantal regio’s is vergunninghouders via de zogenoemde klantreismethodiek gevraagd om hun ervaringen over de integratie in de gemeente te delen. Dit heeft veel kennis en inzicht opgeleverd, aldus de betreffende regiocoördinatoren.

KIS signaleert in de monitor 2018 dat er veel verschillen bestaan ten aanzien van opleidingsmogelijkheden voor vergunninghouders, met name voor vergunninghouders boven de 30 die nog een opleiding willen volgen. Ook in de arbeidstoeleiding zijn de verschillen groot, waarbij de ene gemeente zich richt op snelle uitstroom naar betaald werk en de andere gemeente meer investeert in de ideale match tussen vergunninghouder en arbeidsmarkt.

Desalniettemin hebben de regiocoördinatoren belangrijke vooruitgang geboekt in het realiseren van een sluitende infrastructuur, ofwel een goede samenwerking en afstemming tussen verschillende beleidsmatige en uitvoerende partijen op lokaal en regionaal niveau. Niet alleen hebben zij in verschillende regio’s nieuwe samenwerkingsvormen tot stand gebracht, ook spreken zij gemeenten aan op het belang om hierin als beleidsverantwoordelijke een centrale rol te spelen. Met het oog op doorlopende lijnen in het ondersteuningsaanbod spoort de SER aan tot het versterken, verder uitbouwen en onderhouden van deze regionale verbindingen.

Colofon

Divosa

Koningin Wilhelminalaan 5 | 3527 LA Utrecht
Postbus 2758 | 3500 GT Utrecht
030 - 233 23 37
info@divosa.nl
www.divosa.nl

Tekst

Jessica Maas
Mariëlle Janssen

Eindredactie

Jolanda van den Braak

Webredactie

Jasja van Moorsel (Divosa)

Versie

April 2019