Gebruik van sociaaldomeinvoorzieningen stabiel, stapeling neemt toe

woensdag 5 december 2018
Bron: www.scp.nl

In 2017 maakten ongeveer 2 miljoen mensen uit 1,8 miljoen huishoudens gebruik van een of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein. Dit is ongeveer 12% van de bevolking en 23% van de huishoudens. Deze aandelen zijn vergelijkbaar met 2015 en 2016. Dit blijkt uit de derde SCP-rapportage over de ontwikkelingen in het sociaal domein.

11,5% van de huishoudens die gebruik maken van het sociaal domein gebruikt voorzieningen uit meerdere wetten; meestal gaat het dan om een combinatie van participatievoorzieningen en maatschappelijke ondersteuning, of participatie en jeugdzorg. Deze stapeling is tussen 2015 en 2016 iets toegenomen.

Gebruik verschilt tussen groepen

Ongeveer 3/6 van de 1,8 miljoen huishoudens gebruikt maatschappelijke ondersteuning, ongeveer 2/6 een participatievoorziening en ongeveer 1/6 jeugdzorg. Het gebruik verschilt tussen groepen:

  • Bij de participatievoorzieningen is het aandeel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond met een bijstandsuitkering circa 7 keer groter dan het aandeel autochtonen met een bijstandsuitkering. De inzet van re-integratievoorzieningen neemt vooral toe bij kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt: niet-westerse migranten, jongeren en ouderen.
  • Wmo-maatwerkvoorzieningen komen in verhouding steeds minder bij ouderen en steeds meer bij jongere leeftijdsgroepen terecht. Het aandeel 75-plussers dat huishoudelijke hulp ontvangt is geleidelijk gedaald van 21% in de eerste helft van 2015 naar 16% in de tweede helft van 2017, een daling van 24% in drie jaar tijd.
  • Het gebruik van jeugdzorg door 0-3-jarigen en 18-22-jarigen is het meest gestegen, al blijft het niveau betrekkelijk laag vergeleken met het gebruik door 4-17-jarigen. Het gebruik van jeugdzorg is vooral bij jongeren met een niet-westerse achtergrond gestegen: van 6,5% naar 7,9%.

Minder beroep op netwerk

In 2017 voelde 20% van de mensen in de Wmo zich zeer eenzaam. Bij mensen die daarnaast nog van een voorziening in de Participatiewet of de Jeugdwet gebruik maakten (multigebruikhuishoudens) was dat 22%. Een ander zorgpunt volgens het SCP is dat steeds minder mensen verwachten een beroep te kunnen doen op hun netwerk. Slechts 15% van de mensen in de Wmo verwacht hulp te krijgen. Ook denkt ongeveer 20% van de mensen die geen voorziening gebruiken dat zij bij problemen geen hulp kunnen krijgen van hun netwerk. De beleidsaanname dat mensen juist een groter beroep op hun netwerk kunnen doen, wordt door deze cijfers dus niet ondersteund, aldus het SCP.

Ook problemen buiten de 3 wetten

De problemen die mensen hebben zijn vooral gerelateerd aan de wet waaruit ondersteuning wordt ontvangen. Mensen in de Participatiewet hebben vooral financiële problemen, mensen met een kind in de jeugdhulp gezinsproblemen en mensen in de Wmo gezondheidsgerelateerde problemen. Mensen in een multigebruikhuishouden hebben op meerdere terreinen problemen die zich niet beperken tot de problemen die aan de decentralisaties zijn gelieerd. Verder blijkt dat Wmo-gebruikers relatief vaak laaggeletterd zijn en dat ongeveer 1/3 van de niet-gebruikers toch problemen heeft met het verrichten van algemene dagelijkse handelingen. De cumulatie van problemen is voor de vijf groepen niet significant veranderd tussen 2015 en 2017.

Zie ook