Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)
Publicatie datum: 13-02-2019

Deze publicatie printen Downloaden als pdf

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Voorwoord

Investeren in maatschappelijk rendement

Thuis heb ik zonnepanelen. Ze helpen bij de energietransitie en dienen zo een hoger doel. Tegelijkertijd levert de investering mij ook geld op. Dat maakt het extra leuk. Wat goed is voor de wereld, is goed voor mij.

Ik moest daar aan denken toen ik hoorde dat uitstroom uit de bijstand gemeenten niet altijd veertienduizend euro oplevert. Dat bedrag is een maximum dat alleen is weggelegd voor gemeenten die veel meer uitstroom realiseren dan de rest. En dat soort gemeenten zijn dun gezaaid. Vaker is de besparing lager. Misschien zelfs nul.

Dat is schrikken, want juist die bespaarde uitkering gebruiken gemeenten graag om hun investeringen in werk, re-integratie en participatie te rechtvaardigen. Het is een rechttoe-rechtaan-argument dat makkelijk overtuigt. Maar de werkelijkheid is dus een stuk genuanceerder en lastiger uit te leggen.

Maar …

Zou ik geen zonnepanelen moeten nemen omdat het mij misschien maar weinig oplevert? Zou ik geen afval meer moeten scheiden omdat ik er niets aan verdien? Moeten wij als gemeenten die uitstroom maar laten zitten omdat er niet altijd een financieel voordeel te behalen is?

Natuurlijk niet. We werken aan een hoger doel: het investeren in de kracht van mensen en in een inclusieve samenleving. Het maatschappelijk rendement en de individuele impact die dat heeft zijn de argumenten waarmee we onze investeringen kunnen onderbouwen. We kunnen als gemeenten dus gewoon doen wat onze taak is: investeren in mensen.

Ik wil in een wereld leven waar mensen niet alleen bestaanszekerheid hebben, maar ook de mogelijkheid zich te ontwikkelen als mens. En dat betekent dus ook als werknemer of collega. We willen dat mensen ’s avonds voldaan thuiskomen als ze klaar zijn met hun werk.

En tegelijkertijd moeten we ook in gesprek met partijen bij wie de ‘financiële winst’ wel neerslaat. De afgelopen jaren hebben gemeenten nieuwe instrumenten tot hun beschikking gekregen om mensen aan het werk te helpen. Ook hebben ze in de arbeidsmarktregio’s sterke netwerken met scholen en werkgevers opgebouwd. Het is een vruchtbare bodem voor een extra inzet op re-integratie en de ontwikkeling van mensen. Daarover moeten gemeenten in ieder geval met het Rijk in gesprek. Die bespaart immers wel altijd veertienduizend euro als gemeenten weer een uitkering kunnen stopzetten.

Erik Dannenberg,
voorzitter Divosa

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Samenvatting

Betere tijden, maar onzekere toekomst

  • Het tekort op het bijstandsbudget in 2017 was 276 miljoen euro.
  • 79% van de gemeenten had een tekort.
  • Voor 59% van de gemeenten was dat tekort groter dan 5%.
  • Vooral gemeenten met meer dan 100 duizend inwoners hadden een tekort.
  • Sinds 2009 zijn er elk jaar veel meer gemeenten met een tekort op de bijstand, dan met een overschot.

Achtergrond van deze factsheet

Divosa publiceerde in april 2018 al over de tekorten op de bijstandsbudgetten in 2017. Dat was op basis van voorlopige cijfers. Ook over 2018, wil Divosa al in april dit jaar de voorlopige cijfers publiceren die gemeenten opgeven in het Beeld van de Uitvoering.

Deze factsheet bevat de definitieve cijfers die in het najaar van 2018 door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn vrijgegeven. Deze gegevens zijn verrijkt met een geschiedenis van het bijstandsbudget, kennis & informatie over wat gemeenten doen om tekorten op de bijstand terug te dringen en een analyse van de besparingen die een gemeente kan realiseren door bestandsreductie. Hiermee is deze factsheet ook een overzichtsdocument. Dit past in de reeks van Divosa-monitoren over het bijstandsbudget dat Divosa publiceert om elk jaar een openbaar overzicht te geven van de inkomsten en uitgaven aan de bijstand.

Eerder verschenen in deze reeks:

Voor de jaren 2004 t/m 2012 zijn deze gegevens opgenomen in de jaarlijkse Divosa-monitoren.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Opnieuw flink tekort op bijstandsbudget in 2017

In 2017 had 8 op de 10 gemeenten een tekort op het budget waarmee zij de bijstandsuitkeringen betalen. Landelijk gezien bedroeg het tekort op het bijstandsbudget 276 miljoen euro. Dat is exclusief de kosten voor de vangnetregeling van 71 miljoen euro. Het geld voor de vangnetregeling is gebruikt om de gemeenten die in 2015 een groot tekort hadden (deels) te compenseren.

Saldo bijstandsbudget gemeenten 2017

% gemeenten met een tekort op hun bijstandsbudget

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Betere financiële vooruitzichten voor 2018 en 2019

Voor 2018 en 2019 zijn de vooruitzichten beter omdat het Rijk de raming van het bijstandsbudget heeft aangepast. De groei van het bestand door extra instroom van statushouders wordt direct in het bijstandsbudget verwerkt. Gemeenten hoeven in het jaar van instroom dus niet meer zelf de uitkeringslasten van statushouders te dragen. Tegelijkertijd is het Rijk bij de raming van het macrobudget uitgegaan van meer uitkeringen dan het CPB. Dit vergroot de kans dat het budget achteraf hoger uitvalt dan de daadwerkelijke realisatie.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Onzekerheid over toereikende budgetten blijft bestaan

Ondanks de aanpassingen in de ramingssystematiek blijft de onzekerheid over de ramingen bestaan. De ontwikkelingen in de bijstand door de instroom van statushouders wordt nu meegenomen in de raming, maar dat was in de afgelopen jaren niet de enige reden voor het ontoereikende budget.

Gemeenten moeten de komende jaren scherp in de gaten houden of het budget toereikend is. Een van de punten die zij kritisch moeten blijven volgen is hoe beleidswijzigingen in de ramingen worden verwerkt. Het Rijk heeft beloofd daar transparanter in te zijn. Gemeenten kunnen de gehanteerde aannames toetsen en het gesprek aangaan over de onzekerheden in de ramingen en wie daarvan de financiële risico’s draagt. Ook zullen gemeenten de vraag levend moeten houden of de voorspellingsregels voor het bijstandsvolume nog wel kloppen.

De VNG heeft met het Rijk afspraken gemaakt om het proces van de raming transparanter te maken en bij afwijkingen van meer dan 3% te analyseren waarom dat zo is. Er vindt dus meer overleg plaats, maar het is daarmee niet automatisch gezegd dat het budget bij grote afwijkingen ook wordt aangepast.

Tot slot is het belangrijk om met het Rijk in gesprek te blijven over de kosten van de vangnetregeling. Een normaal beroep op de vangnetregeling kunnen gemeenten prima zelf betalen. Maar als de kosten voor de vangnetregeling overmatig hoog zijn, omdat het macrobudget niet goed is geraamd, dan hoort het Rijk die bovenmatige kosten van de vangnetregeling te dragen.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Besparing door bestandsreductie meestal lager dan 14 duizend euro

Afhankelijk van hun situatie bespaart een gemeente maximaal 14 duizend euro als het bijstandsbestand met één uitkering daalt. Maar het kan net zo goed nul euro zijn - of zelfs negatief uitpakken. Dit blijkt uit een wiskundig model dat Divosa door onderzoeksbureau AEF liet opstellen om de besparingen voor verschillende type gemeenten in beeld te brengen. Lees hier het verslag van deze exercitie. (pff, 152 kB)

De belangrijkste conclusies:

  • De maximale besparing van een gemeente op een uitkering is 14 duizend euro, maar die is er alleen als de gemeente het qua bestandsreductie beter doet dan het gemiddelde.
  • Daalt in andere gemeenten het bestand net zo hard? Dan is de besparing nul. 
  • Doen andere gemeenten het beter? Dan heeft de gemeente zelfs extra kosten.
  • Kleine gemeenten ( <15 duizend inwoners) besparen altijd een uitkering als hun bestand afneemt, maar kleine gemeenten kunnen die besparing maximaal twee jaar inboeken.
  • Grotere gemeenten met een groot tekort op hun budget besparen niet tot nauwelijks als hun bestand afneemt.
  • De werkelijke besparing die een gemeente kan inboeken voor bestandsreductie verschilt per gemeente. Dat hangt samen met de omvang van de gemeente, of de gemeente een tekort heeft en hoe groot dat tekort is. Van grote invloed is ook in hoeverre andere gemeenten een daling van hun bijstandsbestand weten te realiseren. Dat kan zelfs leiden tot extra kosten voor een gemeente, zelfs als het bestand is gedaald.

De oorzaak hiervan is dat de inkomsten van gemeenten dalen. Doordat zij uitstroom realiseren, gaat het landelijke budget het jaar erna omlaag. De inkomsten van gemeenten dus ook. Door de financieringssystematiek kan het Rijk voor elke stopgezette uitkering in het jaar na de uitstroom wel een besparing van 14 duizend euro inboeken.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Ruim baan voor de maatschappelijke businesscase

Gemeenten die door de financieringssystematiek van de bijstand geen besparingen realiseren met een verlaging van hun bestand, zullen de maatschappelijke wens om te investeren in een inclusieve samenleving moeten ondersteunen met sociale argumenten of hun businesscase breder moeten insteken. Bijvoorbeeld via een maatschappelijke businesscase. Hoewel uitstroom de gemeente zelf financieel gezien niets hoeft op te leveren, zijn er wel voordelen voor het individu en de maatschappij als geheel. Dit omdat er mogelijk ook andere effecten optreden, zoals gezondheidswinst, die zich kunnen uiten in lagere zorgkosten.

Voor gemeenten is het ook belangrijk om inzichtelijk te maken waar de baten van uitstroom uit de uitkering wél neerslaan en om met die partijen in gesprek te gaan over het mede-financieren van re-integratie.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Gemeenten krijgen een budget van het Rijk om de bijstandsuitkeringen te betalen. Het bijstandsbudget (officieel: de gebundelde uitkering, maar ook bekend als macrobudget BUIG) is bedoeld voor de reguliere bijstandsuitkeringen, maar ook voor de uitkeringen in het kader van de IOAW, de IOAZ en het levensonderhoud voor startende ondernemers (Bbz). Daarnaast is het budget ook bedoeld om de loonkostensubsidies in het kader van de Participatiewet te betalen.

Deze factsheet kijkt terug naar 2017 en maakt een vergelijking met de jaren ervoor. Op 11 april 2018 publiceerde Divosa de voorlopige gegevens in een nieuwsbericht op de site.

Achtergrond van deze factsheet

Divosa publiceerde in april 2018 al over de tekorten op de bijstandsbudgetten in 2017. Dat was op basis van voorlopige cijfers. Ook over 2018, wil Divosa al in april dit jaar de voorlopige cijfers publiceren die gemeenten opgeven in het Beeld van de Uitvoering.

Deze factsheet bevat de definitieve cijfers die in het najaar van 2018 door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn vrijgegeven. Deze gegevens zijn verrijkt met een geschiedenis van het bijstandsbudget, kennis & informatie over wat gemeenten doen om tekorten op de bijstand terug te dringen en een analyse van de besparingen die een gemeente kan realiseren door bestandsreductie. Hiermee is deze factsheet ook een overzichtsdocument. Dit past in de reeks van Divosa-monitoren over het bijstandsbudget dat Divosa publiceert om elk jaar een openbaar overzicht te geven van de inkomsten en uitgaven aan de bijstand.

Eerder verschenen in deze reeks:

Voor de jaren 2004 t/m 2012 zijn deze gegevens opgenomen in de jaarlijkse Divosa-monitoren.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

276 miljoen tekort op het bijstandsbudget

  • In 2017 kwamen gemeenten 276 miljoen euro tekort op het budget waarmee zij de bijstandsuitkeringen betalen.
  • Dat is exclusief de kosten van de vangnetregeling van 71 miljoen euro.
  • Inclusief de kosten voor de vangnetregeling, komt het tekort op het bijstandsbudget uit op 347 miljoen euro.

Saldo bijstandsbudget gemeenten 2017

Het budget voor de bijstand in 2017 bedroeg 5,9 miljard. Daar gingen nog de kosten voor de vangnetregeling van af (71 miljoen euro) en kwamen de baten bij uit terugvordering en verhaal van bijstand (134 miljoen).

Bedragen 2017 in euro's

Macrobudget gebundelde uitkering 5.889.600.000
Kosten vangnetregeling 70.600.000
Baten terugvordering en verhaal 133.800.000
Bijstandslasten 6.300.000.000

Gemeenten hadden in totaal 6 miljard beschikbaar om te besteden aan bijstandsuitkeringen. Hun kosten waren echter hoger - 6,3 miljard - waardoor er een tekort ontstond van 347 miljoen. Dat is 6% van de 6 miljard aan beschikbare middelen.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Al vier jaar op rij een tekort

  • Al vier jaar op rij – van 2014 t/m 2017 – hebben gemeenten een tekort op het bijstandsbudget
  • Tellen we overschotten en tekorten over de afgelopen zes jaar bij elkaar op, dan zien we dat die elkaar niet uitmiddelen.

Saldo bijstandsbudget 2012-2017

In 2012 en 2013 was er een overschot op de bijstandslasten. Door de hoge kosten van de vangnetregeling die gemeenten die jaren moesten dragen, merkten zij dat nauwelijks. Doordat er landelijk veel geld gereserveerd moest worden voor de vangnetregeling, was het budget dat over gemeenten verdeeld kon worden immers een stuk lager.

  Saldo bijstandsbudget (macrobudget-bijstandslasten) Kosten vangnetregeling Totaal (Saldo-kosten vangnet)
2017 -276 71 -347
2016 -277 61 -338
2015 -80 25 -105
2014 -41 27 -68
2013 293 163 130
2012 72 101 -29

Het cumulatieve tekort over zes jaar bedraagt 309 miljoen euro. Over meerdere jaren middelen de tekorten zich dus niet uit. Het budget voor de bijstandslasten hoort elk kalenderjaar toereikend te zijn. Het is dus eigenlijk een non-argument om te kijken of de plussen en minnen elkaar over een aantal jaren uitmiddelen. Omdat dit echter wel een argument was van het Rijk om het budget niet aan te passen, nemen we deze grafiek toch op. We tellen daarbij vanaf 2012 omdat de jaren ervoor de budgetten voor gemeenten niet bepaald werden door de reguliere ramingssystematiek, maar door de afspraken in het bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten 2008-2011. Deze afspraken behelsden dat de budgetten voor een aantal jaren werden vastgezet (met een marge voor lichte economische schommelingen). Toen de economie tegenzat en de bijstand groeide, leidde dat tot grote tekorten bij gemeenten van 369 miljoen in 2010 en 638 miljoen in 2011. Wie de tekorten op een rij zet voor meer dan zes jaar, zou dus op veel hogere tekortbedragen uitkomen. De kosten die gemeenten over die zes jaar voor de vangnetregeling betaalden, bedroegen 447 miljoen euro. Dit zijn de kosten van de vangnetregeling over de budgetjaren 2010 t/m 2015 die in de jaren 2012 t/m 2017 ten laste kwamen van het macrobudget. In zowel 2010 als 2011 droeg het Rijk 9 miljoen bij aan de kosten van de vangnetregeling. Deze zijn niet meegeteld.

Tekorten bijstandsbudget over meerdere jaren opgeteld

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Tekort ontstaat door aantoonbaar te laag budget

  • Onderzoeken hebben aangetoond dat de landelijke tekorten op het macrobudget bijstand zijn ontstaan door te lage budgetten.

Het Rijk stelt elk jaar geld beschikbaar voor het betalen van de bijstandsuitkeringen. Het is wettelijk vastgelegd dat dit budget toereikend hoort te zijn.

Eind 2017 publiceerde Divosa een onderzoek waaruit blijkt dat de budgetten voor de bijstand aantoonbaar te laag waren. Zomer 2018 kwam de Raad voor het Openbaar Bestuur in een eigen onderzoek tot dezelfde conclusies.

Inmiddels heeft het Rijk de raming van de budgetten aangepast en worden gemeenten daar beter bij betrokken. De discussie over de hoogte van de budgetten en de compensatie van de schade bij gemeenten is echter nog niet afgesloten.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Voor 2018 overschot verwacht

  • Voor 2018 zit er 80 miljoen extra in het macrobudget.
  • Daardoor is er voor 2018 een grotere kans op een overschot.

In juni 2018 heeft het Rijk de raming van het bijstandsbudget aangepast. De instroom van statushouders wordt direct in het bijstandsbudget verwerkt. In de jaren hiervoor moesten gemeenten in het jaar van instroom uit eigen zak de bijstandsuitkeringen voor statushouders betalen. Pas het jaar erna was de (voorspelbare) instroom van deze groep in het budget verwerkt. Deze manier van berekenen gaat er van uit dat op het moment dat statushouders weer uitstromen, gemeenten daar financieel van profiteren en dat ook pas het jaar erna wordt gecorrigeerd. In deze optiek moeten gemeenten de uitkeringen dus niet zelf betalen, maar gaat het eerder om het voorschieten van de uitkering. Probleem is echter dat de instroom in korte tijd geschiedt en de uitstroom van statushouders een langdurig proces is en de ‘terugbetaling’ van het voorgeschoten bedrag dus wordt uitgesmeerd over vele jaren. Gemeenten konden die voorgeschoten bijstandslasten terugverdienen bij uitstroom van statushouders uit de bijstand. Het kan echter meerdere jaren duren voordat uitstroom is gerealiseerd, zodat het lang kan duren voordat gemeenten dat voorschot konden terugverdienen. In de financieringssystematiek van de bijstand wordt alle instroom in de bijstand zo goed mogelijk geraamd en vooruit betaald. Idem voor de uitstroom, die wordt zo goed mogelijk geprobeerd te voorspellen en dan meteen afgeroomd. Omdat bij statushouders de in- en uitstroom in de bijstand in de raming is genegeerd, is in de instroom niet gefinancierd en is de uitstroom ook vooraf niet afgeroomd. Hierdoor verdienen gemeenten al bij de uitstroom van de eerste statushouder en niet pas als gemeenten het beter doen dan de raming van de uitstroom van statushouders.

Er kleeft een nadeel aan de wijziging van de financieringssystematiek waarbij gemeenten de verhoogde instroom van statushouders direct vergoed krijgen: de uitstroom van statushouders wordt ook direct afgeroomd. Hierdoor zou de situatie kunnen ontstaan dat gemeenten in 2016 en 2017 wel de kosten voor instroom van statushouders dragen, maar dat geld niet terugverdienen als deze groep weer uitstroomt. Het ministerie neemt de uitstroom van statushouders uit 2016 en 2017 daarom niet mee in de eigen raming. Hierdoor komt het ministerie op hogere aantallen voor statushouders ten opzichte van het CPB. Het uiteindelijke verschil tussen de CPB-raming en de raming van SZW voor 2018 bedraagt 80 miljoen. Had het ministerie de raming van het CPB gevolgd, dan was het budget in 2018 dus 80 miljoen lager uitgevallen. Het ministerie volgt de CPB-raming voor conjunctuur, maar wijkt af bij de raming voor de  beleidseffecten. Daar zitten de ramingen in voor de verhoogde instroom van statushouders, maar ook voor andere beleidseffecten. Het is aannemelijk dat het verschil tussen de raming van het CPB en SZW vooral ontstaat doordat het ministerie een raming hanteert voor statushouders die tot een hoger aantal geraamde statushouders leidt. Dat is immers het grootste beleidseffect.
Waarom leidt de raming van het ministerie tot een hoger geraamd aantal statushouders? De raming van het aantal extra statushouders in de bijstand wordt gemaakt op basis van instroom en uitstroom van statushouders. Het ministerie volgt de instroom van het CPB, maar raamt een lagere uitstroom omdat zij de uitstroom van statushouders uit de cohorten 2016 en 2017 niet meeneemt in haar eigen raming. Zo wil het ministerie voorkomen dat gemeenten de bijstand voor deze groep bij instroom in de bijstand wel hebben voorgeschoten, maar deze niet terugverdienen bij uitstroom.
 Gemeenten krijgen in 2018 dus extra geld voor de instroom van statushouders in 2018 én kunnen profiteren van het feit dat de eventuele uitstroom van statushouders die al in de bijstand zaten, niet direct wordt afgeroomd. Dat leidt ertoe dat gemeenten voor de bijstandslasten in 2018 ruim in hun jasje zitten waardoor de kans op een overschot groter is.

Het ministerie heeft in het voorjaar 118 miljoen aan het budget toegevoegd voor de directe vergoeding voor statushouders. Deze 80 miljoen komt daar niet bovenop. Het is alleen een andere weergave van hoe het budget ten gunste uitpakt voor gemeenten. De 80 miljoen komt voort uit een vergelijking tussen het budget dat gemeenten hadden gekregen als de CPB-raming was gevolgd en het werkelijke budget dat zij krijgen omdat het ministerie en het CPB eigen beleidsramingen maken

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Bijstandsbudget 2017 naar gemeente

Landelijk was het tekort op de bijstand 6%. We rekenen hier met het budget dat gemeenten krijgen. Dat is het macrobudget minus de reservering voor de vangnetregeling, maar mét de inkomsten uit terugvordering en verhaal. Maar de verschillen tussen gemeenten zijn groot.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

8 op de 10 gemeenten heeft een tekort

  • 79% van de gemeenten had in 2017 een tekort op het bijstandsbudget. Dat zijn 305 van de 388 gemeenten.
  • Voor 59% van de gemeenten (dat zijn er 230) was dat tekort groter dan 5%.
  • Gemeenten met meer dan 100 duizend inwoners hadden vaker een tekort.

Percentage gemeenten met een tekort en overschot op het bijstandsbudget 2017 naar inwoneraantal

Het macrobudget wordt volgens een verdeelmodel over gemeenten verdeeld. Gemeenten met meer dan 40 duizend inwoners vallen onder het objectieve verdeelmodel. Bij gemeenten die objectief verdeeld worden gaat de verdeling van het macrobudget volgens een aantal objectieve kenmerken zoals het aantal lager opgeleiden woonachtig in de gemeente. Gemeenten met minder dan 15 duizend inwoners vallen onder het historische verdeelmodel. Een historisch verdeelmodel houdt in dat de gemeenten een aandeel krijgen van het macrobudget dat is gebaseerd op hun bijstandsvolume van twee jaar geleden. Gemeenten met 15 tot 40 duizend inwoners krijgen hun budget verdeeld op basis van een gemixt verdeelmodel; zij krijgen een deel historisch vergoed en een deel objectief. Een uitgebreidere toelichting op het verdeelmodel vind je op: www.rijksoverheid.nl

  • Gemeenten die onder het objectieve verdeelmodel vallen hadden minder vaak een tekort. Het meer positieve resultaat van de gemeenten onder het objectieve verdeelmodel, wordt vooral veroorzaakt door de gemeenten met 40 tot 100 duizend. Gemeenten met meer inwoners, hebben juist vaker tekorten.

Percentage gemeenten met een tekort en overschot op het bijstandsbudget 2017 naar type verdeelmodel

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Erg veel en erg hoge tekorten

  • Sinds 2009 zijn er erg veel gemeenten met een tekort op hun bijstandsbudget.
  • Er zijn vooral steeds meer gemeenten met tekorten van meer dan 5%.

Als het macrobudget toereikend is, zou het percentage tekortgemeenten rond de vijftig procent moeten liggen. De afgelopen negen jaren is het percentage tekortgemeenten echter veel hoger. De belangrijkste reden is de ontoereikendheid van het macrobudget. De verdeling van het budget zou dit versterkt kunnen hebben, maar dat is voor deze factsheet niet onderzocht.

In de jaren 2009 t/m 2011 had dat te maken met het bestuursakkoord dat Rijk en gemeenten hadden vastgesteld voor de jaren 2008-2011. Daarbij werd het bijstandsbudget voor een aantal jaren vastgezet. Gemeenten hoopten daardoor langer te kunnen profiteren van de bestandsreductie die ze wisten te realiseren. Het omgekeerde gebeurde: door de economische crisis, waren juist meer mensen aangewezen op de bijstand en moesten gemeenten de bijstandsbudgetten met eigen middelen aanvullen.

Sinds 2012 wordt het hoge percentage tekortgemeenten veroorzaakt door een aantoonbaar te laag macrobudget. Uit onderzoek is gebleken dat het Rijk de groei van de bijstand niet goed raamt. Bovendien jagen de kosten van de vangnetregeling de tekorten verder op. 

Percentage gemeenten met een tekort op hun bijstandsbudget

De groei van het aantal gemeenten met een tekort, uit zich vooral in een groei van gemeenten met tekorten van meer dan 5%. Het percentage gemeenten met een tekort tussen de 5 en 10 procent is verdubbeld sinds gemeenten vanaf de beginjaren dat gemeenten de financiële verantwoordelijkheid voor de bijstand droegen. Hetzelfde geldt voor tekorten van meer dan 10%.

Ontwikkeling tekorten bij gemeenten naar omvang van het tekort

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Vangnetregeling over 2017

Gemeenten met een tekort boven een bepaalde drempel kunnen een beroep doen op de vangnetregeling. Voor gemeenten met tekorten in 2017 is die drempelwaarde 5%. Bovendien geldt dat zij ook over 2016 en 2017 een gecumuleerd tekort moeten hebben van meer dan 5%.

Gemeenten die de vangnetregeling over 2017 krijgen toegekend, krijgen hun tekort tussen 5 en 10% voor de helft vergoed. Tekorten boven de 10% krijgen zij volledig vergoed. Zie voor de exacte voorwaarden de website van de toetsingscommissie: https://www.toetsingscommissievp.nl. Voor de jaren 2018 en 2019 zijn er wederom een aantal veranderingen doorgevoerd. Over 2018 moet er bijvoorbeeld over drie jaren een gecumuleerd tekort zijn van meer dan 5% en geldt de vergoeding van 50% voor tekorten tussen 5 en 12,5% (dat was 10%). Vanaf 2019 is de ondergrens niet meer 5%, maar 7,5%.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

207 gemeenten krijgen vangnetuitkering

  • 54% van de gemeenten deed over 2017 een beroep op de vangnetregeling. Het gaat om 208 gemeenten.
  • 207 gemeenten kregen een vangnetuitkering toegekend. Daarmee is een bedrag gemoeid van 108 miljoen euro.

15 gemeenten hebben geen beroep op de vangnetregeling gedaan terwijl dat gezien hun tekort wel mogelijk was. 208 gemeenten hebben een aanvraag gedaan. Eén aanvraag is uiteindelijk afgekeurd.Zie Overzicht besluiten vangnetuitkering over 2017 De gemeenten die geen verzoek hebben ingediend, maar dat wel hadden kunnen doen, denken veelal dat zij niet aan de voorwaarden voldoen, vinden de aanvraag van de vangnetregeling te ingewikkeld of de kosten niet tegen de baten opwegen. In 2016 waren er ook gemeenten die geen aanvraag indienden over 2015 terwijl dat wel had gekund. Divosa zocht uit waarom. Het rijtje met genoemde verklaringen zijn onder aan deze pagina te vinden. In 2017 deed Divosa een soortgelijke inventarisatie waar dezelfde type verklaringen naar boven kwamen (niet gepubliceerd). Mede naar aanleiding daarvan organiseert Divosa bijeenkomsten voor kleine gemeenten over de vangnetregeling.

Gemeenten moeten de vangnetuitkering gezamenlijk zelf betalen. De kosten voor de vangnetuitkeringen over 2017 worden in 2019 van het landelijke bijstandsbudget betaald. Hoe meer geld er naar de vangnetregelingen gaat, hoe minder er overblijft om de bijstandslasten uit dat jaar te betalen. Grote tekorten op het bijstandsbudget, vertalen zich twee jaar later in hoge kosten voor de vangnetregeling die de kans op een tekort in dat latere jaar ook weer vergroten.

Meer over de vangnetregeling vind je op: www.toetsingscommissievp.nl

Vangnetuitkering bijstandsbudget 2017
Aantal verzoeken 208
Aantal toekenningen 207
% toekenningen 99,5%
Aantal gemeenten 2017 388
% gemeenten in vangnetregeling 54%
Bedrag toekenningen in € 108.000.000
Bedrag toekenningen als % van het macrobudget 1,83%
Gemiddeld uitgekeerd bedrag in € 521.739
Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Bijstandsbudget 2018 en verder

Het budget voor 2018 is najaar 2018 definitief vastgesteld. Ook is het voorlopige budget voor 2019 bekend gemaakt.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Budgetten 2018 en 2019

  • De budgetten voor 2018 en 2019 bedragen 6,2 miljard euro.
  • De kosten voor de vangnetregeling zijn 138 miljoen euro in 2018 en 108 miljoen in 2019.
Macrobudget gebundelde uitkering in mln euro 2015 2016 2017 2018 2019
(voorlopig)
Totaal macrobudget (incl. reservering vangnetregeling) 5.595,2 5.691,6 5.889,6 6.216,0 6.219,7
Deelbudget Participatiewet 5.277,0 5.304,1 5.466,4 5.774,2 5.764,6
Deelbudget IOAW 258,9 326,3 361,7 377,6 389,2
Deelbudget IOAZ 27,8 28,8 30,5 31,7 33,4
Deelbudget Bbz 31,5 32,3 30,9 32,5 32,5
Kosten vangnetregeling 24,8 61,3 70,6 137,9 108,0
Totaal macrobudget (excl. reservering vangnetregeling) 5.570,4 5.630,3 5.819,0 6.078,1 6.111,7

Het budget voor 2018 is in het najaar van 2018 definitief vastgesteld. Het budget voor 2019 is nog voorlopig. Dat zal in 2019 in het voorjaar nog worden bijgesteld (nader voorlopig budget) uiterlijk 1 oktober 2019 definitief worden vastgesteld.

Bij de aanpassingen in het budget voor 2019 wordt er rekening gehouden met het daadwerkelijk aantal gerealiseerde uitkeringen in 2018 én de daadwerkelijk gerealiseerde prijs in dat jaar. Ook wordt er in de nieuwe berekeningen van het budget gebruik gemaakt van de meest actuele gegevens voor de loonprijsontwikkeling. Doel hiervan is dat de budgetraming voor 2019 zo goed mogelijk aansluit bij de realiteit.

Meer over de budgetten van 2018 en 2019 vind je op: www.rijksoverheid.nl

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Wijziging: verhoogde instroom statushouders direct vergoed

De budgetten voor 2018 en 2019 zijn anders vastgesteld dan de afgelopen jaren. Belangrijk verschil is dat de Rijksoverheid de verhoogde instroom van statushouders al direct vergoedt. Dat betekent dat gemeenten bij het jaar van instroom niet meer zelf de bijstandslasten hoeven te dragen.

De systematiek wordt dus veranderd, maar 2018 en 2019 zijn overgangsjaren. In die jaren krijgen gemeenten een budget voor de geraamde verhoogde instroom. Tegelijkertijd wordt een deel van de uitstroom van statushouders die al in de bijstand zaten, niet direct afgeroomd omdat het ministerie de raming daarop aanpast. Bij het ramen van de verhoogde instroom kijkt het CPB normaal gesproken naar een combinatie van instroom en uitstroom van statushouders uit de bijstand. SZW wijkt daar vanaf. Ze kijken alleen naar instroom en laten uitstroom van de cohorten uit 2016 en 2017 dus buiten beschouwing. Dat leidt tot een macrobudget dat in 2018 80 miljoen hoger is dan als de raming van het CPB was gevolgd. Voor 2019 komt dat bedrag uit op 100 miljoen. Het gaat om het verschil tussen wat het budget zou zijn geweest als de CPB-raming was gevolgd en het budget dat is toegekend omdat het ministerie een eigen raming maakt van de beleidseffecten.

Zie ook: ‘Voor 2018 overschot verwacht’

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Wijziging: prijscomponent toegevoegd aan verdeelmodel 2019

Het landelijke budget wordt via een verdeelmodel over gemeenten verdeeld. Kijk hier voor de verdeling van het definitieve budget in 2018 en het voorlopige budget in 2019. Dit model berekent hoeveel bijstandsgerechtigden er in een gemeente zullen zijn op basis van objectieve kenmerken van de gemeente. Gemeenten met meer dan 40 duizend inwoners krijgen hun budget volledig op basis van deze objectieve kenmerken. Gemeenten met minder dan 15 duizend inwoners krijgen een budget dat is bepaald op basis van het aantal bijstandsgerechtigden in het verleden. Gemeenten met 15 tot 40 duizend inwoners hebben te maken met een gemixt model.

Voor het verdeelmodel van 2019 zijn de gegevens geactualiseerd en is het verdeelmodel op een belangrijk punt aangepast: er is een prijscomponent aan het model toegevoegd. Voorheen werd voor de prijs van een bijstandsuitkering alleen gedifferentieerd naar leefvorm en werd er rekening gehouden met de kostendelersnorm. In het nieuwe model wordt gedifferentieerd naar type huishouden en ook rekening gehouden met objectieve factoren die de prijs van een uitkering kunnen beïnvloeden. De belangrijkste daarvan is de kans op inkomsten uit een andere uitkering en (deeltijd) werk.

Er zijn een aantal andere verfijningen van het verdeelmodel onderzocht, maar niet doorgevoerd omdat er geen data waren of omdat het de verklaringskracht van het model niet verbeterde. Meer over de wijzigingen is te vinden in het onderzoek naar het objectief verdeelmodel.

Een uitgebreidere toelichting op het verdeelmodel vind je op: www.rijksoverheid.nl

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Budgetten IOAZ en IOAW groeien sterk

  • De budgetten voor de IOAZ en de IOAW groeien sterk. Dat heeft te maken met het groeiende beroep op die regelingen.
  • Het budget voor reguliere Participatiewet-uitkeringen groeit van 2017 op 2018 met 5%, terwijl het aantal bijstandsgerechtigden daalt. Dat heeft vooral te maken met het feit dat budgetten tot en met 2017 niet aansloten bij de realiteit omdat de verhoogde instroom van statushouders niet werd ingecalculeerd en dit vanaf 2018 gecorrigeerd is.

Deze budgetten zijn niet aangepast voor inflatie.

Ontwikkeling bijstandsbudgetten

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Tekorten bijstand terugdringen: hoe doe je dat?

De afgelopen jaren hebben veel gemeenten tekorten op hun bijstandsbudget. Veel gemeenten zijn op zoek naar manieren om die tekorten terug te dringen. In dit hoofdstuk staan die kort samengevat.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Eerste reden voor tekort: het macrobudget is niet toereikend

Er zijn twee redenen waarom gemeenten een tekort kunnen hebben op hun bijstandsbudget. De eerste reden is dat het budget landelijk gezien niet toereikend is om alle bijstandsuitkeringen te betalen. De koek is dan simpelweg te klein. Uit deze factsheet blijkt dat dit in de afgelopen jaren het geval was.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Tweede reden voor tekort: de gemeente presteert slechter dan het verdeelmodel voorspelt

De tweede reden voor het tekort zit in de budgetverdeling. Het verdeelmodel verdeelt het landelijke budget onder de gemeente en gaat er daarbij vanuit dat elke gemeente het budget krijgt dat nodig is. De gedachte hierachter is dat als een gemeente geld tekort komt, deze gemeente ondergemiddeld presteert.

Een gemeente met meer dan 40 duizend inwoners en een tekort op het bijstandsbudget heeft dus meer bijstandsgerechtigden dan het verdeelmodel voor deze gemeente voorspelt. Ook kan het zijn dat de gemiddelde prijs van de uitkering in de gemeente hoger is dan voorspeld.

Het voorspelde aantal bijstandsuitkeringen per gemeente is terug te vinden in een online rekenmodel dat het ministerie van SZW jaarlijks laat maken.

Bij kleine gemeenten werkt het anders

Gemeenten met minder dan 15 duizend inwoners vallen onder het historisch verdeelmodel. Hun budget volgt de omvang van hun bijstandsbestand met een vertraging van twee jaar. Deze gemeenten hebben een tekort op hun bijstandsbestand als hun bestand stijgt of als de gemiddelde prijs van de uitkering stijgt. Na twee jaar zal het budget zich hebben aangepast aan de uitgaven.

Gemeenten met 15 tot 40 duizend inwoners vallen onder het gemixte verdeelmodel en zitten qua scenario tussen de objectieve en historisch verdeelde gemeenten in.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Het bijstandsbestand verlagen

Gemeenten kunnen hun tekort terugdringen door hun bijstandsbestand te verlagen en/of de gemiddelde prijs van de uitkering naar beneden te krijgen door meer in te zetten op parttime werk en/of loonkostensubsidies.

De Divosa Benchmark Werk & Inkomen organiseert jaarlijks bijeenkomsten waar gemeenten vertellen hoe ze dit aanpakken. Bijvoorbeeld:

In de Divosa Benchmark Jaarrapportage vertelde een gemeente met een hoge bestandsafname hoe zij dat bereikt hadden.

Een paar jaar terug analyseerde Divosa alle maatregelen die gemeenten in 2015 namen om hun tekort op de bijstand terug te dringen en maakte een top 10 van maatregelen. De toetsingscommissie voerde een soortgelijke analyse uit voor 2016 en 2017 en zal die begin 2019 publiceren.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

De prijs van de uitkering drukken

Naast de inzet op bestandsreductie, kunnen gemeenten ook proberen om de gemiddelde prijs die zij voor een uitkering betalen te verlagen. Dat betekent vooral het verhogen van de inkomsten uit parttime werk of de inzet van loonkostensubsidies. Voorbeelden daarvan zijn op de website van Divosa terug te vinden. Lees bijvoorbeeld:

Behulpzaam hierbij:

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Wat weten we uit onderzoek

In de afgelopen jaren zijn er verschillende onderzoeken gepubliceerd met informatie over hoe gemeenten hun bijstandsbestand kunnen verlagen:

  • Het onderzoek Van budget naar besteding. Verklaringen voor tekorten en overschotten op het gemeentelijke bijstandsbudget (2017) laat zien dat financiële tekorten en overschotten in gemeenten deels samenhangen met verschillen in beleid en uitvoering van gemeenten. Vooral gemeenten die strenger handhaven bij nieuwe klanten aan de poort en gemeenten die actief zijn met talentmanagement van medewerkers presteren over het algemeen beter. Ook prijsverschillen in uitkeringen bleken samen te hangen met verschillen in beleid en uitvoering. Vooral deeltijdwerk is daarop van invloed; gemeenten die deeltijdwerk stimuleren komen over het algemeen minder geld tekort op hun bijstandsbudget.
  • Het onderzoek Tien jaar WWB en Bijstandswijzer (2016), uitgevoerd in opdracht van Divosa laat zien dat er effectieve manieren zijn om de omvang van het gemeentelijk bijstandsbestand te beperken. Dat zijn intensief klantcontact, een actieve begeleiding naar werk aan het begin van de uitkering en re-integratieactiviteiten gericht op de meest kansrijke bijstandsgerechtigden.
  • De Quickscan Re-integratie (2015) biedt een overzicht van de wetenschappelijke kennis over re-integratie. Voorbeelden van werkzame interventies zijn: het stimuleren van frequentie en kwaliteit van zoekgedrag naar werk (waarbij de vaardigheden en de motivatie verbeterd worden), het leren omgaan met belemmeringen volgens het principe first place, then train en de inzet van werkervaringsplekken, met name in de private sector.

De afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor specifieke groepen in de bijstand en hun uitstroom of participatie op de arbeidsmarkt. Daarover zijn de volgende publicaties verschenen:

Een aantal gemeenten doet actief onderzoek naar werkzame elementen in de re-integratie. Een aantal gemeenten experimenteren met meer aandacht voor bijstandsgerechtigden, minder regels en ruimere regels voor vrijlating van inkomsten uit parttime werk. Deze experimenten en onderzoeken zijn nog niet afgerond. Volg de ontwikkelingen op www.divosa.nl of via het programma Vakkundig aan het werk.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Welke besparing levert bestandsreductie op?

Heb jij deze fout wel eens gemaakt? Een gemeente zou 14 duizend euro besparen als iemand uit de bijstand stroomt. Maar dat klopt niet. Theoretisch is het mogelijk dat de gemeente jaarlijks 14 duizend euro bespaart als het bestand met één bijstandsuitkering daalt, maar in de praktijk is dat bedrag meestal lager. Alleen het Rijk bespaart uiteindelijk altijd 14 duizend euro bij uitstroom uit de bijstand.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Besparing door bestandsreductie meestal lager dan 14 duizend euro

Afhankelijk van hun situatie bespaart een gemeente maximaal 14 duizend euro als het bijstandsbestand met één uitkering daalt. Het Rijk hanteert een gemiddeld brutobedrag per uitkering van ruim € 14.376 over 2018. Uitvoeringskosten zijn hier niet in meegenomen. Maar het kan net zo goed nul euro zijn. Of zelfs negatief uitpakken.

Dit blijkt uit een wiskundig model dat Divosa door onderzoeksbureau AEF liet opstellen om de besparingen voor verschillende type gemeenten in beeld te brengen. Lees hier het verslag van deze exercitie. (pff, 152 kB)

De belangrijkste conclusies:

  • De maximale besparing van een gemeente op een uitkering is 14 duizend euro, maar die is er alleen als de gemeente het qua bestandsreductie beter doet dan het gemiddelde.
  • Daalt in andere gemeenten het bestand net zo hard? Dan is de besparing nul. 
  • Doen andere gemeenten het beter? Dan heeft de gemeente zelfs extra kosten.
  • Kleine gemeenten (<15 dzd inwoners) besparen altijd een uitkering als hun bestand afneemt, maar kunnen die besparing maximaal twee jaar inboeken.
  • Grotere gemeenten met een groot tekort op hun budget besparen niet tot nauwelijks als hun bestand afneemt.

De werkelijke besparing die een gemeente kan inboeken voor bestandsreductie verschilt per gemeente. Dat hangt samen met de omvang van de gemeente, of de gemeente een tekort heeft en hoe groot dat tekort is. Van grote invloed is ook in hoeverre andere gemeenten een daling van hun bijstandsbestand weten te realiseren. Dat kan zelfs leiden tot extra kosten voor een gemeente, zelfs als het bestand is gedaald. In de onderstaande matrix staat dat kort uitgewerkt, in de volgende paragrafen lichten we dat toe.

AEF Besparing gemeenten uitstroom bijstand
Bron: AEF (2019) De besparing voor een gemeente als er iemand uit de bijstand stroomt
Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Oorzaak: bij een daling van het bestand daalt het macrobudget en dus de inkomsten van gemeenten

Gemeenten hebben bij een daling van het bestand minder bijstandslasten, maar doordat zij uitstroom realiseren gaat het landelijke budget omlaag en veranderen de inkomsten van gemeenten. Het Rijk stelt immers een budget beschikbaar voor de uitkeringen die er daadwerkelijk zijn. Een stopgezette uitkering wordt in het jaar na uitstroom niet meer vergoed waardoor het landelijke bijstandsbudget daalt. Dit werkt door in de verdeling van het budget naar gemeenten.

Gemeenten hebben in het jaar van uitstroom dus nog een financieel voordeel van uitstroom: ze hebben een volledige uitkering gefinancierd gekregen, maar hoeven die niet volledig te betalen. Het jaar erna vergoed het Rijk die uitkering niet meer en dalen de inkomsten van gemeenten.

Door de financieringssystematiek kan het Rijk voor elke stopgezette uitkering in het jaar na de uitstroom wel een besparing van 14 duizend euro inboeken.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Besparing alleen als je de beste bent

Een gemeente kan alleen een besparing inboeken als de bestandsreductie in die gemeente procentueel hoger is dan in andere gemeenten. Alleen in dat geval dalen de bijstandslasten voor die gemeente sneller dan de inkomsten, waardoor er onder de streep een besparing overblijft.

Als alle gemeenten dezelfde bestandsreductie realiseren, dan is de besparing nihil. Voor alle gemeenten dalen de budgetten het jaar na de bestandsreductie dan bijna net zo hard als de uitgaven.  Er kunnen kleine verschillen ontstaan door de inkomsten en uitgaven aan de vangnetregeling.

Het er maar bij laten zitten als gemeente is geen optie. Want als je als gemeente geen daling van het bestand realiseert en andere gemeenten wél dan verslechtert je financiële positie. Door het succes van andere gemeenten daalt immers het macrobudget, waardoor de te verdelen koek voor gemeenten weer een stukje kleiner is.

Twee type gemeenten ontspringen deze dans. Ten eerste kleine gemeenten met minder dan 15 duizend inwoners omdat hun budget zich na twee jaar automatisch aanpast aan het daadwerkelijke aantal uitkeringen in hun gemeente. En ten tweede gemeenten met meer dan 40 duizend inwoners in de vangnetregeling. Hun grotere tekort wordt namelijk gecompenseerd door een hogere vangnetuitkering waardoor zij onder aan de streep weinig merken.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Besparing afhankelijk van verdeelmodel (en dus gemeentegrootte)

De besparing hangt samen met het verdeelmodel van een gemeente. Het verdeelmodel bepaalt namelijk de inkomsten voor gemeenten en dus de besparing die zij werkelijk kunnen inboeken. Gemeenten met een historisch verdeelmodel kunnen maximaal twee jaar een bespaarde uitkering inboeken.

Gemeenten tot 15 duizend inwoners vallen onder het historische verdeelmodel. Het budget van deze gemeenten volgt, met een vertraging van twee jaar, de werkelijke omvang van hun bijstandsbestand. Dat betekent dat deze gemeenten een besparing op de bijstand voor maximaal 2 jaar kunnen inboeken. Daarna heeft hun budget zich immers weer aangepast aan de werkelijke situatie.

Andersom geldt ook dat bij extra instroom, de gemeente maar twee jaar op de blaren hoeft te zitten. Daarna krijgt de gemeente de extra bijstandsgerechtigden weer gecompenseerd. De historisch verdeelde gemeente heeft er ook geen last van als de gemeente geen bestandsafname realiseert en andere gemeenten dat wel doen. De inkomsten blijven immers hetzelfde als het bijstandsbestand ook hetzelfde blijft.

Gemeenten met meer dan 40 duizend inwoners vallen onder het objectieve verdeelmodel. Dit model berekent hoeveel bijstandsgerechtigden de gemeenten zou moeten hebben gezien de samenstelling van de bevolking in die gemeente en de situatie op de regionale arbeidsmarkt. Deze gemeenten kunnen 14 duizend euro besparen als het bestand met een uitkering daalt als andere geen daling van het bestand realiseren. Hun inkomsten  blijven dan immers bijna hetzelfde, terwijl hun uitgaven met 14 duizend dalen.

Gemeenten met een inwoneraantal van 15 tot 40 duizend inwoners vallen onder het gemixte verdeelmodel. Hun situatie hangt van hun mix af. Kleinere gemeenten lijken meer op de historisch verdeelde gemeenten. Maar hoe meer het inwoneraantal naar de 40 duizend neigt, hoe meer de gemeente op een objectieve gemeente lijkt.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Besparing afhankelijk van financiële positie van de gemeente

De besparing hangt ook samen met de financiële positie van een gemeente. Gemeenten die onder het objectieve verdeelmodel vallen en hele grote tekorten hebben, besparen in het jaar na uitstroom weliswaar op hun bijstandslasten, maar hun inkomsten dalen navenant. Onder de streep besparen zij dus niets met een bestandsdaling. Dat heeft te maken met de vangnetregeling. De vangnetregeling is er voor gemeenten met een tekort boven een bepaalde drempel. Over 2018 geldt een drempelpercentage van 5%. Voor 2019 is het 7,5%. Tot dat bedrag moeten gemeenten hun tekorten zelf dragen. Daarboven worden deze (deels) vergoed door de vangnetregeling. Dat betekent dat deze gemeenten bij een bestandsdaling dus een uitkering besparen, maar direct ook een lagere vergoeding krijgen vanuit de vangnetregeling. Het hangt van de omvang van hun tekort af, in hoeverre de vergoeding omlaag gaat. Bij een tekort groter dan 12,5% over 2019 (en 10% over 2018), is de besparing nihil. Bij een tekort tussen de 7,5% en 12,5% (in 2018 tussen 5% en 10%) is de winst 50% van het bedrag, omdat vangnet dan 50% compenseert.

Deze gemeenten kunnen alleen een besparing inboeken in twee situaties. Ten eerste als zij hun bestand zodanig laten dalen dat zij geen vangnetregeling meer nodig hebben. Ten tweede als zij het tekort door een afname van het bestand zodanig weten te verlagen en de gemeente geen volledige vergoeding meer krijgt voor hun tekorten. Dat is bij een tekort tussen de 7,5% en 12,5% (in 2018 tussen 5% en 10%) Pas als dat is gelukt, maken zij kans om een besparing in te boeken. Maar dat kan alleen als zij dan ook nog eens procentueel gezien een grotere afname van hun bestand laten zien dan andere gemeenten.

Voor deze gemeenten is hun tekort dus een extra handicap. De theorie dat het investeren in uitstroom zich weer terugverdient, klopt niet. Dat is pas het geval als deze gemeenten echt flink massa weten te maken. Zolang gemeenten dus nog tekorten hebben, kunnen zij vanuit het BUIG-budget geen investeringen doen op het gebied van re-integratie. Deze gemeenten zullen hun algemene middelen of ESF-fondsen moeten aanspreken om te kunnen investeren in re-integratie of in te zetten op andere beleidsopties zoals handhaving, incasso, etc. Dit staat nog los van de vraag of deze gemeenten nog wel beleidsopties zien om hun bestand te reduceren.

Tegelijkertijd ondervindt de gemeente ook geen nadeel als andere gemeenten het beter doen en een grotere bestandsreductie realiseren. Zij zullen dan een groter beroep op de vangnetregeling doen, waardoor zij het grotere tekort niet voelen. Je kunt betogen dat er zelfs een voordeel ontstaat. Immers, het macrobudget daalt. Dat leidt tot een lager budget voor de gemeente. Het eigen risico is immers al volledig gevuld (procentueel), maar doordat het budget daalt, daalt het eigen risico in euro’s gemeten.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

En die 14 duizend euro is ook maar een vuistregel

Om het nog complexer te maken: het bedrag van 14 duizend euro is ook maar een vuistregel en zeker geen hard bedrag. Het is gebaseerd op de gemiddelde prijs van een uitkering. Maar die prijs verschilt per type uitkering: een echtpaar heeft een hogere bijstandsuitkering dan een alleenstaande. En een kostendeler krijgt minder bijstand. Net als iemand die ook al eigen inkomsten heeft uit betaald werk en de uitkering alleen gebruikt als aanvulling op dat inkomen.

In het jaar van uitstroom is ook van belang wanneer iemand uitstroomt. Is dat op 1 januari? Dan is 14 duizend euro een prima schatting. Uitstroom halverwege het jaar levert zo’n 7 duizend euro op. Stroomt iemand in december uit dan is de besparing voor dat jaar nihil. Overigens zal veel uitstroom in de eerste maanden van het jaar ertoe bijdragen dat de gemiddelde prijs van een uitkering zal dalen, waardoor het macrobudget ook lager wordt omdat de gemiddelde prijs bijdraagt aan de omvang van het budget (P*Q). Dit heeft te maken met de financiering van de bijstand. Gemeenten krijgen per kalenderjaar een budget toegekend dat is gebaseerd op een geraamd aantal bijstandsgerechtigden in de gemeente. Als de gemeente uitstroom genereert, terwijl het Rijk de uitkering al heeft betaald voor de gemeente, dan pas kan de gemeente een besparing incalculeren.

Mede door dit soort factoren kan de gemiddelde prijs per uitkering ook tussen gemeenten verschillen. Dat is bijvoorbeeld terug te vinden in de Divosa Benchmark Werk & Inkomen, maar werd ook vastgesteld in het onderzoek van SEO naar ‘De verdeling van de bijstandsmiddelen 2019’. Uit dat onderzoek bleek bijvoorbeeld dat de gemiddelde prijs van de uitkering in gemeenten met minder dan 15 duizend inwoners lager was dan het gemiddelde en in de vier grootste gemeenten juist een stuk hoger. Zie: De verdeling van bijstandsmiddelen 2019 (pdf, 1,1 MB)

Ondanks flinke bestandsafname toch een tekort? Ja, dat kan!

Een gemeente kan een flinke bestandsafname realiseren, maar toch een groter tekort hebben dan in de jaren ervoor waar nauwelijks een daling van het bestand werd gerealiseerd. Dat gebeurt bijvoorbeeld als de daling van het aantal uitkeringen in de gemeente lager is dan geraamd. Economische voorspoed bijvoorbeeld een effect op het aantal bijstandsgerechtigden. Dat daalt en dat wordt meegenomen in de raming van het macrobudget en het verdeelmodel. Een gemeente kan dan alleen besparen als de gemeente beter presteert dan het model heeft voorspeld. Het is dan ook bedroevend om zelfs in het Interbestuurlijk Programma de foutieve aanname te moeten lezen dat gemeenten door het realiseren van uitstroom uit de bijstand geld kunnen besparen dat ze dan weer in re-integratie zouden kunnen steken. Uitstroom uit de uitkering, is namelijk vooral kassa voor het Rijk.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Bij loonkostensubsidie iets ander verhaal

Bij uitstroom door een loonkostensubsidie kan een gemeente besparen op een uitkering. Maar dat is geen ijzeren wet. Ook hier geldt natuurlijk dat het maatschappelijk rendement voorop moet staan. Het gaat er dus niet om dat er door gemeenten bespaard wordt, maar dat mensen die anders niet aan het werk komen, dankzij de loonkostensubsidie een plek vinden waar ze kunnen meedoen en/of zich kunnen ontwikkelen als werknemer.

Hoewel het maatschappelijk rendement op één staat, is het voor gemeenten wel belangrijk om zicht te hebben op de financiële effecten van hun investeringen en de kosten en baten in beeld te brengen. Dat effect zit hem niet in bestandsreductie. Want hoewel de gemeente door het toekennen van een loonkostensubsidie uitstroom kan inboeken, krijgt de gemeente er ook een extra persoon met een loonkostensubsidie bij. De besparing vindt dus plaats als de kosten voor de baan met een loonkostensubsidie (en de bijbehorende begeleiding) lager zijn dan de kosten van een uitkering.

Uitvoerings- en begeleidingskosten

Ten eerste heeft een gemeente bij een loonkostensubsidie kosten voor uitvoering van de regelin en begeleiding van de mensen om wie het gaat. Deze worden (deels) gecoverd uit het Participatiebudget en via de uitvoeringskosten die gemeenten krijgen vergoed voor elke persoon met een loonkostensubsidie. Uit een onderzoek in opdracht van Divosa en Cedris blijkt echter dat dit nu nog voldoende is, maar dat gemeenten hier in de toekomst op zullen moeten toeleggen. Zie daarover meer in het hoofdstuk over het Participatiebudget. Voor de uitvoeringskosten krijgen gemeenten voor elke persoon met een loonkostensubsidie via het gemeentefonds een budget van ruim 3 duizend euro. Uit onderzoek blijkt dat die budgetten tot nu toe landelijk gezien toereikend zijn.

Daarnaast krijgen gemeenten voor de begeleiding een budget van waaruit zij die kosten kunnen betalen. Dit was ooit het re-integratiebudget. Vanaf 2015 werd dat budget een onderdeel van de Integratie Uitkering Sociaal Domein. Vanaf 2019 is het onderdeel van het gemeentefonds en dus niet meer als zodanig geoormerkt. Voor begeleidingskosten zal er vanaf 2021 een omslagpunt zijn waarin de geschatte uitgaven hoger zijn dan de inkomsten van gemeenten. Berenschot (2018) Aantallen en financiën Participatiewet (pdf, 1,3 MB) Omdat de middelen voor begeleiding worden verdeeld op basis van een verdeelmodel dat niet kijkt naar daadwerkelijke realisaties, geldt voor sommige gemeenten nu al dat zij meer aan begeleidingskosten uitgeven dan dat zij ontvangen.

Niet altijd een besparing op de uitkering

Ten tweede is het niet altijd zo dat de gemeente bespaart door de inzet van een loonkostensubsidie. Soms is – financieel gezien - niets doen voor de gemeente voordeliger dan een loonkostensubsidie inzetten.

Mogelijk andere financiering loonkostensubsidies

Staatssecretaris van Ark heeft aangekondigd de financieringssystematiek voor loonkostensubsidies vanuit het macrobudget bijstand nader te willen onderzoeken. Uit onderzoek is gebleken dat de huidige financieringswijze de inzet van loonkostensubsidies niet altijd bevordert. Doel van de verkenning is om het voor gemeenten financieel aantrekkelijker te maken om loonkostensubsidies in te zetten voor groepen met een lage verdiencapaciteit en voor niet-uitkeringsgerechtigden. Kamerbrief uitwerking Breed Offensief, 20 november 2018

De financieringssystematiek van loonkostensubsidies leidt er vooralsnog toe dat een gemeente alleen bespaart in de volgende gevallen:

  • Besparing als de loonkostensubsidie in de plaats komt van bijstandsuitkering: de gemeente kan besparen op een uitkering als de persoon met een loonkostensubsidie zonder die loonkostensubsidie in de bijstand had gezeten. Ook hier geldt dat deze besparing voor historisch verdeelde gemeenten maximaal twee jaar is omdat het budget zich aanpast aan de werkelijke uitgaven. Voor objectief verdeelde gemeenten is er wel winst te behalen, maar hier speelt ook dat gemeenten door de inzet van loonkostensubsidies uiteindelijk minder inkomsten genereren. Want hoewel mensen met een loonkostensubsidie worden meegeteld bij het volume, betekent de inzet van een loonkostensubsidie wel dat de gemiddelde prijs van een uitkering omlaag kan gaan. Er vindt dus geen besparing plaats als iemand zonder de loonkostensubsidie geen recht had gehad op een bijstandsuitkering zoals voor nuggers het geval is. In dezelfde categorie vallen overigens de mensen die aan het werk zijn met een loonkostensubsidie, maar zelfstandig aan het werk had kunnen komen. Voor deze mensen wordt een loonkostensubsidie betaald, terwijl die eigenlijk niet nodig was geweest. Overigens is dit een versimpeling van de realiteit. Een gemeente kan met een loonkostensubsidie immers voorkomen dat iemand in een uitkering terecht komt. Bijvoorbeeld als het gaat om jonge schoolverlaters onder de 18 die nog geen recht hebben op een uitkering, maar die wel zouden komen aanvragen zodra ze 18 jaar zijn.
  • Besparing als de kosten voor de loonkostensubsidie lager zijn dan de kosten voor de bijstandsuitkering: de gemeente kan besparen als de loonkostensubsidie minder geld kost dan de uitkering. Het kan echter voorkomen de kosten voor een loonkostensubsidie hoger zijn dan de uitkering. Dat risico speelt vooral bij alleenstaanden in de bijstand. De duurste loonkostensubsidie bedraagt namelijk 70% van het minimumloon. Dat is (om en nabij) even hoog als de laagste uitkeringsnorm voor een alleenstaande (ook een afgeleide van 70% van het minimumloon). Echter, in de praktijk kan de uitkering lager uitvallen dan deze basisnorm. De hoogte is namelijk ook afhankelijk van b.v. de gezinssamenstelling (kostendelersnorm) of andere inkomsten zoals een gedeeltelijke (ziektewet-)uitkering of inkomsten uit parttime werk.
  • Besparing alleen bij regulier werk: de loonkostensubsidie kan de gemeente alleen geld besparen als het om een reguliere baan gaat. Nieuwe banen die de gemeente alleen creëert én financiert om mensen zonder werk de gelegenheid te geven om betaalde werkzaamheden te verrichten, kosten de gemeente extra geld. Bijvoorbeeld Melkertbanen of gecreëerd werk in een parallelle arbeidsmarkt. Het gaat in dit voorbeeld dus om additionele arbeid. De gemeente betaalt dan niet alleen de loonkostensubsidie, maar subsidieert ook nog eens het loon. Een loonkostensubsidie leidt dan niet tot een besparing, maar juist tot extra kosten. Een gemeente die hier voor kiest, kan concluderen dat de additionele werkzaamheden tóch uitgevoerd moeten worden. Ook kan de gemeente deze werkzaamheden zien als een re-integratie-activiteit als deze banen tijdelijk zijn. (NB: voor personen die regulier werk uitvoeren in dienst van de gemeente geldt dit natuurlijk niet. Zij voeren werk uit dat ook zonder het bestaan van loonkostensubsidies werd uitgevoerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die voor gemeenten werkzaam zijn in de plantsoenendienst of de in de schoonmaak.)

Ook bij loonkostensubsidies is het belangrijk om alle maatschappelijke kosten en baten in beeld te brengen en breder te kijken. Een gemeente kan bijvoorbeeld besparen op de inzet van dagbesteding door iemand aan het werk te helpen in een baan met loonkostensubsidie. Dat leidt binnen de Participatiewet niet altijd tot een besparing, maar kan wel een besparing opleveren bij de Wmo of de Jeugdhulp.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Conclusie: ruim baan voor de maatschappelijke businesscase

Uitstroom uit de bijstand levert gemeenten geen 14 duizend euro per jaar op. Dat is een maximaal bedrag dat alleen gemeenten met meer dan 40 duizend inwoners kunnen inboeken. Mits zij geen grote tekorten hebben. En mits alle andere gemeenten op hun handen zitten en geen of procentueel gezien een lagere bestandsreductie realiseren. Voor andere gemeenten zijn de besparingen lager of kortdurender, blijkt uit een analyse in opdracht van Divosa. De exacte besparingen verschillen per gemeente en hangen af van verschillende factoren.

Hieruit vallen drie conclusies te trekken:

  1. Boek realistische bedragen in.
    Voor gemeenten is het belangrijk om bij het opstellen van hun businesscase uit te gaan van hun situatie en een besparing in te boeken die past bij hun eigen omstandigheden. Gemeenten die per abuis (te hoge) besparingen inboeken, kunnen anders in de financiële problemen komen.
  2. Maak een maatschappelijke businesscase.
    Gemeenten die door de financieringssystematiek van de bijstand geen besparingen realiseren met een verlaging van hun bestand, zullen de maatschappelijke wens om te investeren in een inclusieve samenleving moeten ondersteunen met sociale argumenten of hun businesscase breder moeten insteken, bijvoorbeeld via een maatschappelijke businesscase. Hoewel uitstroom de gemeente zelf financieel gezien niets hoeft op te leveren, zijn er wel voordelen voor het individu en de maatschappij als geheel omdat er mogelijk ook andere effecten optreden als gezondheidswinst die zich kunnen uiten in lagere zorgkosten.
  3. Deals sluiten met partijen die voordeel hebben van uitstroom.
    Voor gemeenten is het ook belangrijk om inzichtelijk te maken waar de baten van uitstroom uit de uitkering wél neerslaan en met die partijen in gesprek te gaan over het mede-financieren van re-integratie. Het Rijk bespaart bijvoorbeeld op uitkeringen als gemeenten een bestandsreductie realiseren. Zorgverzekeraars besparen mogelijk op hun zorguitgaven. Dat maakt het voor het Rijk en zorgverzekeraars interessant om te investeren in effectieve vormen van re-integratie. Er zijn al experimenten geweest in gemeenten waarbij zorgverzekeraars en gemeenten samenwerken.​
Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Een kleine geschiedenis van het bijstandsbudget

Gemeenten voeren al heel lang de bijstand uit, maar sinds 2004 zijn zij ook financieel verantwoordelijk. Daarvoor is een financieringssystematiek ontwikkeld die de afgelopen jaren flink ter discussie stond. In dit hoofdstuk geven we de discussie op hoofdlijnen weer.

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

De beleidstheorie van het bijstandsbudget

Gemeenten krijgen van het Rijk een budget om de uitkeringen te betalen. Blijft er geld over, dan mogen ze dat zelf houden. Komen ze tekort, dan moeten ze uit eigen zak bijpassen. Gemeenten die grote tekorten hebben, krijgen die tekorten (deels) gecompenseerd vanuit de vangnetregeling.

Dit budget om de uitkeringen te betalen krijgen gemeenten samen met een re-integratiebudget. Dit budget maakt sinds 2019 onderdeel uit van het gemeentefonds en is dus niet meer apart geoormerkt. Dit re-integratiebudget geeft gemeenten de mogelijkheid om te investeren in mensen en hen te helpen om uit de bijstand te komen en weer op eigen benen te staan. Het geeft gemeenten dus de middelen in handen om hun bijstandsbestand te verlagen.

De financiële prikkel waarbij gemeenten overschotten zelf mogen houden en tekorten (deels) zelf moeten dragen, zou gemeenten moeten stimuleren om het aantal bijstandsgerechtigden zo laag mogelijk te houden.

Uit onderzoeken is gebleken dat deze prikkelwerking gemeenten daadwerkelijk aanzet tot het bevorderen van uitstroom en het beperken van instroom. Uit onderzoek uit 2013 blijkt wel dat de prikkelwerking aan een aantal voorwaarden moet voldoen. COELO/RUG en Panteia (2013) ‘De doorwerking van de financiële prikkel van de WWB binnen gemeenten’

  • De prikkel moet organisatiebreed gevoeld worden: alle medewerkers moeten de motivatie hebben om het bijstandsvolume te verlagen. En dus niet alleen het management. Gemeenten die binnen hun uitvoeringsorganisatie heldere en meetbare prestatieafspraken maken en daar op sturen, halen betere resultaten qua uitstroom.
  • Er moeten handelingsperspectieven zijn: de uitvoering moet invloed kunnen uitoefenen op de in- en uitstroom. Ze moeten opties hebben om mensen aan het werk te helpen en weten bij welke klanten welke instrumenten werken en waarom.

Ook bleek uit het onderzoek dat de prikkelwerking niet altijd gevoeld wordt:

  • De prikkel is afwezig als de gemeente een overschot heeft: gemeenten die een overschot hebben, bleken het jaar erna aantoonbaar minder te presteren.
  • De prikkel is afwezig als die lastig te doorgronden is: een financiële prikkel heeft alleen nut als gemeenten een verband zien tussen hun eigen inspanningen en de financiële resultaten die daaruit voortvloeien. Het helpt dus voor geen meter als een gemeente het ene jaar een overschot heeft en het jaar erna, bij ongewijzigd beleid, opeens een fors tekort heeft. Dit is een situatie die met de wijzigingen in het verdeelmodel kunnen voorkomen en bijdragen aan het onbegrip dat voor het verdeelmodel bestaat. Tegelijkertijd - hoe ironisch - zijn gemeenten nooit klaar met de aanpassingen die aan het verdeelmodel gedaan zouden kunnen worden. Er zijn altijd wel weer nieuwe factoren die ze onderzocht willen hebben. Daarbij speelt de vraag in hoeverre een model de realiteit kan benaderen. Ook speelt daarbij mee dat het voor gemeenten die hard werken om de bijstand terug te dringen moeilijk te verkroppen is dat een tekort inhoudt dat ze het niet goed zouden doen.
  • De prikkel raakt uitgewerkt bij te grote en te langdurige tekorten: een gemeente die jaar in, jaar uit tekorten blijft houden, kan moedeloos worden (zelfs al lijken hun cijfers soms het tegendeel te bewijzen).
Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Omvang van het budget

Landelijk stelt het Rijk jaarlijks een budget vast dat voldoende is om alle uitkeringen te betalen. Dat is het bijstandsbudget dat officieel de gebundelde uitkering heet (maar ook bekend onder oude namen zoals het inkomensdeel, het i-deel of het BUIG-budget). Tot en met 2008 werkte deze systematiek voor gemeenten goed. Sinds 2009 zijn er veel gemeenten met tekorten.

2004-2007 – optimisme

Bij de introductie van de Wet werk en bijstand in 2004 kregen gemeenten te maken met de nieuwe financieringssystematiek van de bijstand waarbij er een budget wordt geraamd dat voldoende zou moeten zijn dat vervolgens via een verdeelmodel over de gemeenten wordt verdeeld. Geholpen door de economie, lukte het gemeenten in de eerste jaren de bijstandsbestanden tot een laag niveau te brengen. Gemeenten hadden daarvoor ook een ruim re-integratiebudget, waarop zij jaarlijks geld overhielden. Overschotten op het re-integratiebudget moesten terug naar het Rijk. Gemeenten konden een deel van die overschotten wel reserveren voor het jaar erop. Deze systematiek veranderde toen het budget onderdeel werd van de Integratie Uitkering Sociaal Domein en (sinds 2019) het gemeentefonds. Het geld is dan per definitie voor gemeenten.

2008-2011 – bestuursakkoord

In het bestuursakkoord tussen Rijk en de VNG, spraken de partijen af dat het bijstandsbudget voor vier jaar zou worden geraamd en vastgezet. Pas als de bijstand buiten een bepaalde marge zou zakken of stijgen, zou het budget worden aangepast.

Gemeenten vonden het prettig om zekerheid te hebben over hun budgetten en hoopten langer profijt te hebben van de bestandsdalingen die ze wisten te realiseren. Een daling van het bestand werd immers het jaar erna al weer afgeroomd door het Rijk.

Toen in 2009 de economische crisis ook de bijstandsbestanden sterk deed oplopen, bleek het vastgezette budget ruim onvoldoende. Dit leidde tot grote tekorten bij gemeenten, met een uitschieter van een tekort van ruim zeshonderd miljoen in 2011.

2012-2017 – steeds grotere tekorten

Sinds 2012 wordt het macrobudget weer geraamd met behulp van de bestaande ramingsregels waarbij het de bedoeling is dat de raming aansluit bij de realiteit. Tussen 2012 en 2015 schommelt het saldo. In 2012 en 2013 is dat positief voor gemeenten. In 2013 is er een ruim overschot van 294 miljoen, maar daar merkten gemeenten weinig van. Door de hoge tekorten van gemeenten in 2011 waren de kosten van de vangnetregeling in 2013 uitzonderlijk hoog. In 2012 bedraagt het overschot 72 miljoen, maar na aftrek van de kosten voor de vangnetregeling van 101 miljoen, eindigen gemeenten toch in de min. In 2014 en 2015 is er weer een tekort van respectievelijk -0,7% en -1,4%. 41 miljoen en 80 miljoen. Dat is exclusief de kosten voor de vangnetregeling.

In 2016 en 2017 zijn de tekorten op het bijstandsbudget weer erg groot. Divosa liet onderzoeken waarom de ramingen niet aansloten bij de realiteit. De belangrijkste reden was dat de verhoogde instroom van statushouders in de bijstand niet werd meegenomen in de raming. Dat leverde vooral in 2016 en 2017 grote tekorten op. Ook zette het onderzoek van Divosa kanttekeningen bij de ramingsregels die het ministerie gebruikt. Die leidden in 2012 en 2013 tot een gunstige raming voor gemeenten, maar leken in 2016 en 2017 juist minder gunstig uit te pakken. Ook stelde het onderzoek dat de manier waarop het ministerie de effecten van beleid inschat niet transparant waren. Tot slot liet het onderzoek zien dat de kosten voor de vangnetregeling de tekorten alleen nog maar verder opjagen.

Een onderzoek van de ROB dat werd uitgevoerd op verzoek van de VNG en het Rijk, kwam tot soortgelijke conclusies Er was een verschil met het onderzoek van Divosa. Divosa stelde dat de ramingsregel voor het schatten van de bijstand op basis van veranderingen in de werkeloze beroepsbevolking serieus tegen het licht gehouden moest worden. De ROB stelde dat deze rekenregel goed doortimmerd was. en stelde dat gemeenten voor de tekorten in 2016 en 2017 gecompenseerd moesten worden. Voorstel van de ROB was dat het Rijk de kosten zou compenseren voor de extra uitgaven van de vangnetregeling die waren ontstaan doordat het macrobudget niet toereikend geraamd was.

2018 en verder – probleem erkend, maar gemeenten nog niet tevreden

Door overleg tussen Rijk en gemeenten is de raming van het bijstandsbudget veranderd. De extra instroom in de bijstand door statushouders wordt nu direct vergoed. Ook hebben het Rijk en de VNG afgesproken dat er meer transparantie komt over het effect dat beleidswijzigingen moeten hebben op de hoogte van het budget. Als het budget te veel afwijkt van de realiteit, zal er een analyse worden gedaan en bestuurlijk overleg volgen.

Doordat het Rijk in de ramingen voor de extra instroom van statushouders in gunstige zin afwijkt van de ramingen van het CPB, is de verwachting dat gemeenten in 2018 en 2019 meer budget krijgen. Dit geld, 80 miljoen in 2018 en 100 miljoen in 2019, is in feite een compensatie voor de instroom van vluchtelingen die gemeenten in de twee jaar ervoor zelf hebben moeten voorschieten. Zie: Overeenstemming over laatste aanbevelingen ROB-advies BUIG (VNG, november 2018)

De gemeenten hebben tijdens de ledenvergadering van de VNG (november 2018) aangegeven dat zij verder willen onderhandelen met Rijk. Met name 'om te voorkomen dat de tekorten uit het verleden doorwerken in de budgetten van 2018 en 2019'. Zie: Besluiten BALV over moties financiën sociaal domein (VNG, november 2018)

Factsheet Bijstandsbudget 2017 (Macrobudget BUIG)

Verdeling van het budget

Het macrobudget gaat via een verdeelmodel naar de gemeenten. Dat verdeelmodel stemt het gemeentelijke aandeel in het landelijke budget af op de lokale omstandigheden. Gemeenten die door hun bevolkingsopbouw en economische structuur meer bijstandsgerechtigden kunnen verwachten, krijgen relatief meer budget.

2004-2014 - het eerste verdeelmodel voor de bijstand

Met de introductie van de Wwb, werd het eerste verdeelmodel voor de bijstand geïntroduceerd. Dat model was gebaseerd op een regressieanalyse waar gemeenten aan de hand van verschillende verdeelmaatstaven een budget kregen toegekend.

2015 - een nieuw verdeelmodel

In aanloop naar de nieuwe Participatiewet liet het ministerie een nieuw verdeelmodel uitwerken. Het belangrijkste criterium daarbij was dat het model een prikkelwerking zou hebben. Daarnaast waren rechtvaardigheid, betrouwbaarheid en uitlegbaarheid van het model zeer belangrijke wegingsfactoren. Betrouwbaarheid houdt in dat het model wetenschappelijk gezien goed in elkaar zit en niet bij elke nieuwe schatting grote verschuivingen laat zien. Rechtvaardigheid houdt in dat gemeenten met goed beleid ook een overschot hebben. Uitlegbaarheid betekent dat gemeenten begrijpen wat de hoogte van hun budget bepaalt. Ook belangrijk waren de voorspelbaarheid, de praktische uitvoerbaarheid en de financiële beheersbaarheid voor gemeenten. Deze wogen echter minder zwaar.

De keuze viel op een multiniveaumodel. Dit model gaat er vanuit dat de kans om een beroep op de bijstand te moeten doen voor elk type huishouden verschillend is. De kans op bijstand voor een laagopgeleide is bijvoorbeeld hoger dan die van een hoogopgeleide. Gemeenten ontvangen een budget op basis van de kans dat hun inwoners in de bijstand belanden, vermenigvuldigd met het wettelijk bepaalde normbedrag voor dit type huishouden.

In de eerste jaren van het nieuwe verdeelmodel wordt een deel van het budget nog historisch over alle gemeenten verdeeld. Voor een deel van hun budget zijn hun uitgaven in het verleden dus leidend, voor het andere deel wordt het verdeelmodel ingezet. In 2018 wordt het volledige budget volgens het verdeelmodel verdeeld. 

2015-2018 – veel discussie en veel aanpassingen

Er is na de introductie van dit nieuwe verdeelmodel veel aan versleuteld. Mede omdat er vanuit gemeenten veel discussie is geweest over de betrouwbaarheid van de uitkomsten. In 2015 moest het Rijk zelfs 35 miljoen aan het macrobudget bijstand toevoegen omdat er fouten in het verdeelmodel bleken te zitten.

Gemeenten hebben veel tijd gestoken in deze discussie. Ook met eigen onderzoeken en analyses. Inmiddels zijn er nieuwe indicatoren aan het model toegevoegd, zijn bestaande indicatoren verfijnd en werkt het model niet meer met gegevens die deels gebaseerd zijn op schattingen. Vanaf 2019 is er ook een prijscomponent in het verdeelmodel opgenomen.

2019 – nog steeds onbegrip bij gemeenten

Ondanks de verfijning van het model, de talloze indicatoren en de jaarlijkse updates, is er bij gemeenten nog steeds onbegrip over het verdeelmodel. Vooral bij de gemeenten die structureel grote tekorten hebben en hun tekorten door een andere verdeling alleen maar zien groeien. Hetzelfde geldt voor gemeenten die hun budget van jaar op jaar flink zien verspringen.

Colofon

Divosa

Koningin Wilhelminalaan 5 | 3527 LA Utrecht
Postbus 2758 | 3500 GT Utrecht
T 030 - 233 23 37
info@divosa.nl
www.divosa.nl

Auteur

Marije van Dodeweerd (Divosa)

Eindredactie

Rob Vermeulen (Divosa)

Webredactie

Jasja van Moorsel (Divosa)

Versie

februari 2019