Werken naar vermogen kan niet zonder SW bedrijven.

zondag 18 december 2011 | 23:37 uur | 2 reacties

Soms vraag ik me af wat Bert de Vries er zelf van vindt. Hij schreef in een paar jaar geleden het bekende rapport onder de titel 'Werken naar vermogen'. Zijn opdrachtgevers hadden hem gevraagd om een advies over de toekomst van SW bedrijven. En hij verraste ze door daarbij de hele 'onderkant van de arbeidsmarkt' te betrekken. De stralende toekomst van de SW-bedrijven zou liggen in het bedienen van die honderdduizenden mensen die voor hun baas hun salaris niet kunnen terugverdienen.

Wat zou Bert de Vries er van vinden? De titel van zijn boekje - werken naar vermogen - is nu uitgeleend aan een wetsvoorstel dat ongeveer doet wat hij voorstelde. Ongeveer. Want de schrijvers van het regeerakkoord hebben een soort regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt gemaakt. Maar er is één belangrijke uitzondering: de SW bedrijven die in het rapport van de Commissie De Vries een nieuwe toekomst zouden krijgen. Voor hen is de toekomst aanzienlijk minder stralend. En dat is zuur.

Niet iedereen is enthousiast over het wetsvoorstel dat nog niemand kent. Soms door de vrees dat gemeenten het niet kunnen. Soms omdat loondispensatie een omstreden middel is. Of vanwege het onzekere lot van mensen die nu een Wajong-uitkering hebben. Soms is dat omdat er bikkelhard wordt bezuinigd op re-integratie. Maar het grootste verzet tegen de wet komt voort uit de ingrijpende bezuinigingen op de SW-bedrijven. Wie daar nu werkt, mag blijven. Wie in de toekomst beschut werk nodig heeft, moet dat krijgen. Maar de vergoedingen gaan per persoon met duizenden euro's naar beneden. En zo wordt de SW-sector waar 'werken naar vermogen' voor bedoeld was, vanzelf het zwarte gat waar veel re-integratiegeld in kan verdwijnen.

De toekomst van 'werken naar vermogen' is dus ongewis. En het staat zeker nog niet vast dat het lukt. Wat wel vast staat is dat het niet lukt zonder geld, zonder visie en zonder ons.
Het geld voor de herstructurering is er niet voor niets. De omvorming van de sector vraagt echt meer dan 400 miljoen. We moeten dus elke euro die we krijgen gericht inzetten voor verbetering. Voor de cruciale hervorming van de sector. Onze sector. En we hebben geen tijd te verliezen.
De omvorming is vooral een omslag in denken. Sociale diensten en SW-bedrijven moeten samen veel beter nadenken over hun vak. Welke maatregelen werken het best? Hoe gaan we om met werkgevers? Hoe betrekken we onderwijs, zorg en welzijn? Hoe krijgen we met minder middelen meer mensen aan de slag?
De problemen van de SW-bedrijven zijn een gemeenschappelijke opgave. Die gaan we samen aan. We moeten wel. Veel mensen die tot nu toe naar een SW-bedrijf gaan, vallen straks onder de Wet werken naar vermogen. Ik hoop dat sociale diensten en SW-bedrijven samenwerken. We maken elkaars succes. We zijn van elkaar afhankelijk.

Ik hoop dat we dat zien. Dat we zien hoezeer ze van elkaar afhankelijk zijn. Dat we ons niet laten begrenzen door afgebakende domeinen, afgebakende regio's en afgebakende gemeentegrenzen. Hoe dan? Moeten SW-bedrijven fuseren? Of moeten ze juist samengaan met de gemeentelijke sociale dienst? Het goede antwoord is: dat hangt er vanaf. De sector ontkomt niet aan een diepe hervorming. Dat is het gelijk van Bert de Vries. Het is ook het gelijk van Anton Westerlaken. Het is de realiteit van het regeerakkoord. De sector moet zich ontwikkelen. Maar de richting staat nog niet vast. Dat hangt af van je visie. Alles is beter dan zo dicht mogelijk langs elkaar heenwerken. Alles is beter dan onderlinge gevechten en concurrentie. Maar hoe precies, dat hangt er vanaf.

De problemen in de SW-sector zijn een opgave. Net zoals de wet werken naar vermogen. Een opgave voor ons allemaal. We moeten met minder geld meer mensen helpen. We zijn daarbij afhankelijk van de wendbaarheid van de SW-sector. En van de slimme verbanden die we weten aan te brengen met de WMO en de jeugdzorg. Daarom is het zo belangrijk dat SW-bedrijven meebewegen. Dat de deskundigheid die in dit gemeentelijke domein is ontwikkeld, ook voluit wordt benut om gemeentelijke klanten te helpen. Steeds meer klanten die behoefte hebben aan het vermogen van SW-bedrijven om mensen te ontwikkelen, te begeleiden en te bemiddelen.

Soms vraag ik me af wat Bert de Vries er van vindt. Maar ik vraag het hem niet. Want veel belangrijker dan wat hij er van vindt, is wat we er zelf van vinden. Dat we vanuit onze eigen visie beginnen aan de herstructurering. En zo de kansen maken voor mensen voor wie wie we de enige kans zijn. Werken naar vermogen kan niet zonder SW bedrijven. Kan niet zonder samenwerking. Ja, het is weer recessie. En ja, de tijden zijn zwaar. Maar daarom is het onze opgave om mensen te helpen. Mensen die zelf niet hebben gekozen voor hun beperkingen. Mensen die zelf niet hebben gekozen voor ons. Het is ons werk om voor hen de herstructurering te beginnen. Vandaag, hier in Utrecht. Maandag overal.. Succes!

(toespraak, gehouden op 16 december op een bijeenkomst van VNG en Cedris over de herstructurering van de SW-bedrijven)

2 reacties

  1. Sociale werkvoorziening: "Tussen hoop en vrees".

    Mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap kunnen vaak moeilijk een baan vinden. Ze zijn minder productief dan andere werknemers of kunnen niet goed meekomen in het werk.

    In Nederland hebben we decennia lang de mogelijkheid “sociale werkvoorziening”. Ongeveer 80.000 mensen met een handicap hebben hierdoor toch een volwaardig betaalde baan (CAO loon).

    Het huidige kabinet vindt de medewerker die werkt binnen de sociale werkvoorziening te duur. Het CAO loon ligt ongeveer 40% hoger dan een bijstandsuitkering. Om de kosten van de sociale werkvoorziening te drukken is bedacht om vanaf 2013 de sociale werkvoorziening alleen nog open te stellen voor mensen die slechts ‘beschut werk’ kunnen doen. Voor mensen die (gedeeltelijk) kunnen werken geldt straks de Wet werken naar vermogen. De Wet werken naar vermogen is de nieuwe bijstandswet die met ingang van 2013 van kracht zal gaan. De bedoeling is dat de gemeenten de mensen die niet meer in aanmerking komen voor de sociale werkvoorziening aan het werken zetten, desnoods met behoud van de bijstandsuitkering. De toegangspoort wordt zo streng dat nog maar 1/3 zal instromen. Hiermee is een geleidelijke afbouw (van 80.000 naar 27.000 werknemers) van de sociale werkvoorziening en daarmee de beoogde bezuiniging gerealiseerd.

    De centrale vraag die niet meer in de discussie rondom de sociale werkvoorziening naar voren komt is: “Waarom waarderen we de inzet van deze mensen niet tegen een loon gebaseerd op een fatsoenlijke CAO?”. De groep mensen die met ingang van 2013 niet aan de strengere toegangscriteria voldoen vallen dan onder de nieuwe bijstandswet. Waarschijnlijk heeft een groot gedeelte van deze groep niet het vermogen om full time productief te zijn. Zij zullen dan ook voor altijd op bijstandsniveau blijven. Uitschieters nagelaten, die zullen het wettelijke minimumloon kunnen halen. De facto komen ze allemaal op of onder de armoedegrens.

    Waarom gunnen we deze mensen, die niet langs de kant willen staan, dat kleine beetje meer niet? Heb je een handicap en wil je je zo productief mogelijk inzetten op de arbeidsmarkt dan is dit je vooruitzicht?

    Ik hoop dat staatssecretaris De Krom gelijk gaat krijgen en dat ook de mensen die met ingang van 2013 niet meer terecht kunnen bij de sociale werkvoorziening een volwaardige baan (tegen CAO loon) op de arbeidsmarkt gaan krijgen. Tussen hoop en vrees, of is het herstructurering tegen beter weten in?

    Wat denkt u als voorzitter van Divosa?

    Jeroen Bigot 27 december 2011 | 18:48 uur

  2. Het is natuurlijk zuur als je er door je baas mee wordt geconfronteerd dat hij je loon met 40% wil verlagen, maar jij wel hetzelfde werk moet blijven doen. Dat wil natuurlijk niemand. Als wij er echter in willen slagen om veel meer mensen die aan de slag zouden kunnen op de arbeidsmarkt, maar niet het productieniveau hebben dat hoort bij een minimumloon, dan is blijven betalen een kleine groep op een CAO-niveau ruim boven het WML, niet langer haalbaar.

    Er is een heel grote groep werknemers dat afkomstig is uit landen in Europa die een heel goede arbeidsprestatie willen en kunnen leveren tegen een slaris dat ligt op of vlak boven het minimuloon.

    Als meedoen en particperen van de hele groep belangrijk is, en wij willen dat dit ook in het regiere bedrijfsleven plaatsvindt, dan is de route van loondispensatie op zich geen verkeerde keuze. Zeker niet om mensen een (hernieuwde) start op de arbeidsmarkt te laten maken. Werken en erbij horen in de 'gewone samenleving' is in de beleving van de meeste mensen die ik ken, meer waard dan de hoogte van het salaris alleen.

    Meer zorgen maak ik mij om de aandacht en ruimte die gemeenten straks nog zullen hebben voor de scholing en begeleiding van deze werknemers. Willen wij dat een flink deel van deze werknemers uiteindelijk op of boven het minimumloonniveau een arbeidsprestatie kan leveren, dan is een adequatie ondersteuning en groei van deze werknemers een must. Dan ook hebben zij een perspectief. In die zin is en blijft het belangrijk dat mogelijkheden voor groei en ontwikkeling in stand blijven. De beperkingen die nu worden doorgevoerd op leerwerktrajecten voor volwassenen die ouder zijn dan 30 jaar, zijn, zeker voor deze groep bijzonder onredelijk.

    Werkgevers zullen niet gauw een bedrag van € 5.000,- investeren in een BBL-traject voor een werknemer die nog niet tegen loonwaarde mee kan doen op de arbeidsmarkt.

    Op dit punt zou ik graag zien dat het Kabinet nog eens nadenkt over de vraag of aanpassing van de 30-plusmaatregel of verhoging van het budget voor scholing/begeleiding voor deze specifieke groep mensen niet op zijn plaats is. Misschien kan Divosa op dit punt een geluid laten horen?

    Matthieu Mes 13 januari 2012 | 15:55 uur

Publiceer een reactie

René PaasRené Paas
voorzitter
030 - 23 32 337