Dag van de kleinere gemeenten

Verslag

Sterke staaltjes - Samenwerken aan nóg betere oplossingen

Welkom

Dhr. Kees Jan de Vet, lid van de directieraad VNG, heet de ongeveer honderd aanwezigen welkom op deze dag voor en door kleinere gemeenten. Gezien de recente discussies over schaalvergroting hecht hij eraan te benadrukken dat de VNG er ook is voor de kleinere gemeenten. De kracht van deze gemeenten zit in de nabijheid, de korte afstand tot de burgers. Tegelijkertijd kunnen we niet de ogen sluiten voor de taak waar de overheid voor staat met betrekking tot herstructurering en de noodzaak van bezinning op nieuwe ontwikkelingen, aldus dhr. De Vet.

Quiz

Vervolgens neemt dhr. René Paas, voorzitter van Divosa, het stokje over. Om te beginnen onderwerpt hij de congresdeelnemers aan een korte quiz om hun kennis over kleinere gemeenten te testen. Dit gebeurt aan de hand van stellingen als ‘Driekwart van de Nederlandse gemeenten heeft minder dan 40.000 inwoners’ (klopt) en ‘De provincie Zuid-Holland bevat de meeste kleine gemeenten’ (klopt niet, is Noord-Brabant). Uiteindelijk moet een schattingsvraag de winnaar opleveren, ‘Hoeveel leden heeft de Linkedin groep van Divosa’ (ongeveer 370). Het juiste antwoord komt van, jawel, een medewerker van Divosa!

Plenaire discussie

De kennis in de zaal is in orde, over naar de meningen. Eerst worden de panelleden voorgesteld: dhr. Gerard Schönfeld, voorzitter commissie kleinere gemeenten Divosa, mw. Mathilde van de Ven namens de VNG en mw. Korrie Louwes namens het ministerie van SZW.

De eerste stelling waarover wordt gediscussieerd luidt als volgt: “Maatschappelijke vraagstukken op het terrein van de arbeidsmarkt, onderwijs en economie moeten op regionaal niveau gestroomlijnd worden. Kleinere gemeenten zijn een te kleine speler op dit niveau.”

Opmerkelijk is dat veel deelnemers in de zaal het in eerste instantie wel eens zijn met deze stelling en het panel juist niet. Dhr. Schönfeld is van mening dat de burger centraal moet staan en dat vandaar uit gekeken moet worden wat nodig is. Dit is niet per definitie regionaal, kan ook lokaal of bovenregionaal zijn. Mw. Louwes meent dat zelfs de gemeente Rotterdam (haar toekomstige werkplek) te klein is omdat de arbeidsmarkt zich op verschillende niveaus afspeelt en je elkaar nodig hebt. Mw. Van de Ven denkt dat kleine gemeenten hier niet per se meer moeite mee hebben dan grote gemeenten. Het vraagt wél om een aanpak waarin je als gemeenten gezamenlijk optrekt en denkt vanuit de vraag.

De noodzaak van samenwerking in de regio wordt door alle aanwezigen gedeeld. Hier zijn verschillende varianten denkbaar: kleinere gemeenten die met elkaar samenwerken (samen ben je sterker en vorm je een betere gesprekspartner) of een kleinere gemeente met een grotere (met als risico dat de ‘grote broer’ domineert). Het succes van samenwerking blijkt in de praktijk afhankelijk te zijn van de opstelling van de betrokken personen en de mogelijkheid om de verhoudingen bespreekbaar te maken.

Over naar de tweede stelling: “Kleinere gemeenten zijn ten dode opgeschreven. Door de vergrijzing en ontgroening zijn ze op langere termijn niet in staat om werknemers aan zich te binden die de gewenste kwaliteit kunnen leveren.”

De meerderheid van de zaal is het hier niet mee eens. Een enkeling is somber: jongeren trekken weg uit de kleine gemeenten omdat er te weinig mogelijkheden zijn voor opleiding en werk, en zij komen niet meer terug. Het voorzieningenniveau is te laag en de diensteneconomie leidt tot een trek naar de centra.

Anderen zien nog wel mogelijkheden voor de kleine gemeenten. Een van de ‘oplossingen’ die wordt genoemd is: zelf in een grote gemeente wonen met alle vertier van dien in het weekend en door de week naar je werk in de kleine gemeente reizen (‘uitrusten van het weekend’, grapt dhr. Paas).

Kleinere gemeenten worden door velen gezien als kweekvijver voor jong talent, je krijgt de kans om alles te leren en wordt zodoende een allroundmedewerker. Nadeel is dat kleine gemeenten minder salaris te bieden hebben (gelinkt aan salaris gemeentesecretaris), daar zou iets aan gedaan moeten worden. Door de grote hoeveelheid aan taken worden kleine gemeenten eigenlijk gedwongen om samen te werken. Onderlinge afspraken in een samenwerkingsverband kunnen hier soelaas bieden. Ook wordt opgemerkt dat het gewoon prettig is om in een kleinere gemeente te werken, ondanks de lagere status die dat voor de buitenwereld heeft. Vergrijzing wordt overigens als algemeen probleem onder ambtenaren gezien, geldt voor grote en kleine gemeenten.

Wat vindt het panel? Mw. Van de Ven wijst op de ontwikkelingen van de beroepsbevolking en de concurrentie op de arbeidsmarkt. Als we niets doen verliezen de kleine gemeenten deze slag. Wat kunnen gemeenten bieden als het gaat om doorgroeimogelijkheden en betere betaling? Bovendien hebben veel mensen het idee dat werken bij de gemeente saai is. Je kunt daar als gemeente wel creatief mee omgaan, door bijvoorbeeld stagairs interessante projecten te laten doen in je eigen organisatie.

Dhr. Schönfeld wijst op de nadelen van het werken bij grote gemeenten, je doet maar een deeltje van het geheel en moet het dan weer aan anderen overlaten (over de schutting). Als kleine gemeenten samenwerken kunnen ze medewerkers meer perspectief bieden.

Mw. Louwes tenslotte meent dat het personeelsprobleem meer regionaal bepaald is, in gebieden als Oost Groningen, Friesland en Zeeland is het moeilijk om aan mensen te komen. Daar komt bij dat ambtenaren in het algemeen niet populair zijn. Voor kleinere gemeenten is het extra lastig om de juiste mensen aan te trekken (bijvoorbeeld ict’ers). Vergrijzing en ontgroening zijn niet te keren, dus je zult iets moeten verzinnen om er mee om te gaan.

Verder met de derde stelling: “In kleinere gemeenten is de afstand tot de burger kleiner, waardoor er een betere dienstverlening geleverd kan worden. Door samen te werken kunnen kleinere gemeenten ook in de toekomst kwalitatief goede dienstverlening aan hun burgers blijven bieden.”

Over het tweede deel van de stelling (samenwerking) is de zaal het snel eens, het eerste deel (betere dienstverlening door kleine gemeente) roept nog wat discussie op. Voorstanders wijzen erop dat in kleinere gemeenten de burger dicht bij het bestuur zit en in eigen omgeving wordt bediend, de ambtenaar kent alle klanten en doet alles voor hen, in nauwe samenwerking met de andere organisaties binnen de gemeente. Tegenstanders van de stelling menen dat grotere gemeenten betere dienstverlening kunnen bieden omdat zij beschikken over allerlei specialisten. Bovendien is in grotere gemeenten de continuïteit en kwaliteit meer gewaarborgd.

Dhr. Schönfeld stelt dat mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in kleinere gemeenten beter kunnen worden geholpen omdat gebruik gemaakt kan worden van het lokale netwerk (afspraak met plaatselijke supermarkt). Mw. Louwes is het hier niet mee eens. Het is prima om iets af te spreken met de kruidenier op de hoek, maar met landelijke afspraken met AH help je veel meer mensen.

Mw. Van de Ven schetst dat het gevaar van verkokering in kleinere gemeenten minder groot is. Maar dat biedt geen garantie dat je als kleintje sneller of beter dingen kunt regelen voor je inwoners. Als je merkt dat je als gemeente tekort schiet in je dienstverlening, moet je daar ook naar handelen en op zoek gaan naar oplossingen, zoals samenwerking.

Dan komen de mogelijkheden van het digitale tijdperk ter sprake. Kleinere gemeenten zitten wel dichtbij de burger, maar grote gemeenten kunnen mede dankzij het internet een ruimere dienstverlening bieden. Internet is prima als het om een nieuw paspoort gaat, voor een goed gesprek wil de klant echter in zijn eigen omgeving bij iemand terecht kunnen.

Het gaat niet om de schaalgrootte, zo wordt geconcludeerd, maar om hoe gemeenten hun dienstverlening organiseren. Kern van de zaak is het leveren van kwaliteit en daarvoor is samenwerking een vereiste.

Intermezzo

Even genoeg gepraat, tijd voor een letterlijk sterk staaltje van samenwerking. De aanwezigen worden door twee acrobaten getrakteerd op een prachtige act waaruit blijkt hoeveel moois je kunt bereiken als je samenwerkt. Na de lunch gaat het gezelschap per bus naar het ministerie van SZW waar vervolgens twee rondes workshops plaatsvinden.

Workshops

1. Wie, wat & waarom? Stoomcursus samenwerken voor kleinere gemeenten

Workshop intergemeentelijke samenwerkingIn deze workshop worden de voors en tegens van verschillende vormen van samenwerking verkend. Ralf Huybregts van de gemeente Son en Breugel en Elone van Velthuijsen van de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost Vijfheerenlanden geven een aftrap door hun ervaringen te presenteren. 

Op de vraag ‘Wat is nodig om goede samenwerking van de grond te krijgen’ is een aantal suggesties gegeven van zaken waar je rekening mee moet houden c.q. die je moet organiseren:

  • draagvlak over richting, partners en proces bij besturen, management en medewerkers,
  • specifieke (bestuurlijke) opdracht,
  • wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe,
  • vervolgstappen: projectplan opstellen.

Bij de start van de samenwerking hebben de gemeenten verschillende doelen van samenwerken geformuleerd:

  • d.m.v. samenwerking / schaalvergroting uitvoering van dienstverlening versterken,
  • efficiency-voordeel / kostenreductie,
  • gezamenlijk vormgeven nieuwe taken,
  • vermindering kwetsbaarheid formatie,
  • versterken gemeentelijke positie CWI/SUWI,
  • noodzakelijke specialisatie realiseren,
  • uiteindelijke verbetering kwaliteit plus continuering dienstverlening burgers.

Hierbij is een aantal knelpunten benoemd om rekening mee te houden:

  • inrichting financiële administratie en beschrijving administratieve organisatie,
  • cultuurverschillen,
  • inrichting en implementatie automatisering,
  • implementatie werkprocessen,
  • verantwoordingswijze ministerie e.d.,
  • huisvesting,
  • kabinetsplannen,
  • harmonisatie bijzondere bijstand,
  • GBA, etc.

Wat duidelijk is geworden in deze workshop? Samenwerken tussen gemeenten is niet iets wat je van de een op de andere dag voor elkaar krijgt. Het vergt goede voorbereiding, waarbij de bovengenoemde punten als leidraad kunnen dienen. Ook tijdens de uitvoering van de samenwerkingsplannen lopen gemeenten nog tegen de nodige knelpunten aan. Als de gezamenlijke doelen helder geformuleerd zijn en er voldoende draagvlak is, dan komt de samenwerking echter wel tot stand.

Conclusie van de workshop: Samenwerking is voor steeds meer kleinere gemeenten vanzelfsprekend, de totstandkoming is niet altijd vanzelfsprekend maar wel goed te doen.

2. De Sociale Werkvoorziening: sturen of gestuurd worden?

In deze workshop wordt aan de hand van presentaties van Theo Keijzers van de WSD-groep Boxtel en Marcel Moes van CAB-Groningen verkend welke kansen en mogelijkheden er zijn om als kleinere gemeente de regie in handen te houden.

Marcel Moes van CAB neemt de aanwezigen mee in de vraagstukken en dilemma’s waar je als gemeente mee te maken krijgt als je wilt sturen op de WSW. Er zijn namelijk meerdere doelen die gemeenten kunnen nastreven:

  • sociale doelen (meer mensen plaatsen binnen het budget, realisatie taakstelling),
  • ontwikkelingsdoelen (opwaartse dynamiek op de werkladder, van binnen naar buiten),
  • financiële doelen (budgetneutrale uitvoering van de Wsw, meer omzet uit de private sector).

Deze doelen kunnen tegenstrijdig zijn. Uitstroom van de beste mensen kan leiden tot problemen in de exploitatie en tot weerstand bij medewerkers bij de arbeidsvoorwaarden in het bedrijfsleven. Het is dus belangrijk om goed na te denken over de opdracht aan het SW bedrijf. Trap daarbij niet in de valkuil dat je als gemeente wilt sturen op het ‘hoe’. Het SW bedrijf beschikt over deskundig personeel en de regeling is te ingewikkeld om je daar als (kleine) gemeente in te verdiepen. Sturen op het ‘wat’ en daar scherpe keuzes in maken voldoet. Het is goed om je als gemeente te oriënteren op de manier waarop andere gemeenten de SW inzetten in het re-integratiebeleid en welke resultaten dat oplevert (benchmarking).

Theo Keijzers laat de deelnemers zien op welke manier het traditionele SW bedrijf zich heeft ontwikkeld in de richting van een breed leerbedrijf met projecten en activiteiten op het snijvlak van WSW, WWB en WMO. Tweederde van de mensen werkt buiten de muren van het SW bedrijf, via (groeps)detacheringen of begeleid werken. Een grote omslag was het afbouwen van de ‘eigen’ beschutte activiteiten en het aangaan van allianties met bedrijven voor het inschakelen van WSW’ers en WWB’ers. De gemeente Boxtel geeft overigens het goede voorbeeld door zo veel mogelijk diensten in te kopen via het SW bedrijf. Zo wordt de schoonmaak van het gemeentehuis geheel (en overdag) uitgevoerd door SW’ers en ook de groenvoorziening draait voor een groot deel op de mensen van WSD Boxtel. Belangrijk is frequent contact met de gemeente over de belangrijkste ontwikkelingen en de resultaten.

De meest opmerkelijke bevinding tijdens deze workshop was dat het in een opdrachtgever-opdrachtnemer relatie feitelijk draait om vertrouwen. Vertrouwen in de kwaliteit van de dienstverlening en de terugkoppeling over de resultaten. Is er geen vertrouwen tussen de partijen, dan kom je al snel in een neergaande spiraal van steeds frequenter, uitgebreider en strengere verantwoording. De enige manier om uit deze spiraal te komen is goede communicatie over en weer. Leg elkaar goed uit wat je wil en doet en ga vanuit die basis werken aan een goede balans in verantwoording.

3. Hoe kunnen we het beste samenwerken op een Werkplein?

Danielle Beumer en Jansje Zilvold uit Epe en Gerard Schönfeld uit Boxtel presenteren in deze workshop twee uiteenlopende varianten van samenwerking door kleine gemeenten.

 

Epe werkt met het zogenaamde inkoopmodel, waarbij veel diensten zijn uitbesteed aan de gemeente Apeldoorn: uitkeringsadministratie, debiteurenbeheer, claimbeoordeling, bestandsbeheer, handhaving en sociale recherche, beleidsadvisering, bezwaar en beroep, klantmanagement, re-integratie en tot slot werkgeversbenadering. Wat is de rol van Epe zelf: financiële verantwoordelijkheid en meepraten en –denken aan de kop van het proces van beleidsontwikkeling.

Epe ziet diverse voordelen in deze manier van samenwerken met het Werkplein Apeldoorn:

  • meer keuze in projecten,
  • meer ruimte voor maatwerk,
  • minder uitzonderingen,
  • meer deskundigheid medewerkers,
  • toename klanttevredenheid.

Hoewel Epe tevreden is over de uitvoering op het Werkplein zijn er nog wel enkele aandachtspunten:

  • zicht houden op de financiën,
  • afspraken contract SMART formuleren,
  • goed regelen tussentijdse en jaarlijkse verantwoording.

De participatie van Boxtel op het Werkplein van Den Bosch is beperkt, de gemeente werkt vooral samen met andere kleinere gemeenten in de omgeving. De afgelopen tien jaar was er sprake van een moeizame samenwerking tussen Boxtel en (gemeente en CWI/Werkbedrijf) Den Bosch. Het laatste jaar vindt echter een ommekeer plaats, de energie wordt gericht op wederzijds samenwerken, samen zaken verbeteren, elkaar weten te vinden en de burger centraal stellen. Dit proces kost tijd en moeite maar is een kwestie van volhouden en vertrouwen in elkaar hebben.

Conclusie van de deelnemers aan de workshop is dat je als kleine gemeente best een aantal mogelijkheden hebt om invloed uit te blijven oefenen op het beleid zoals dat door de centrumgemeente wordt geïnitieerd.

4. Digitaal samenwerken? Simpel: met social media!

Zoals ’s ochtends al is gebleken biedt het digitale tijdperk nieuwe mogelijkheden in verband met de dienstverlening, maar ook als het gaat om samenwerken. In de workshop over sociale media kunnen gemeenten zich laten voorlichten over de mogelijkheden van Twitter, Linkedin, Hyves, weblogs etc. Voor de geïnteresseerden: Divosa heeft een ‘groep’ op Linkedin, met een ‘subgroep’ voor kleinere gemeenten!

5. De psychologie van samenwerking

Workshop psychologie van de samenwerkingSamenwerken is mensenwerk en het succes ervan staat of valt met de houding van de betrokkenen, zo is ook uit de paneldiscussie gebleken. Daarom is het handig om te weten welke psychologische mechanismen een rol spelen bij samenwerking en waarom het soms zo lastig gaat. Belangstellende gemeenten kunnen hiervoor terecht bij de workshop over de psychologie van de samenwerking. Het blijft niet alleen bij theorie, de deelnemers hebben ook wat samenwerkings-oefeningen gedaan (stoelen sjouwen, succes verzekerd!).

6. Schade? De dader betaalt!

De workshop van de Helpdesk Veilige Publieke Taak van het ministerie van BZK is wegens gebrek aan belangstelling niet door gegaan. Mocht u alsnog informatie over dit onderwerp willen, dan kunt u terecht op www.helpdeskvpt.nl.

Slot

De middag is afgesloten met een gezellige borrel.

Divosa, VNG en SZW kijken terug op een geslaagde dag en willen alle deelnemers bedanken voor hun aanwezigheid en inbreng op deze dag van de kleinere gemeenten.

Datum en tijd

21 mei 2010 | 10:00 uur - 15:00 uur

Contactpersoon Divosa


Bijeenkomst voor